EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Erfelijke eigenschap (erfelijkheid)
Samenvattingen · BiologieNL · HAVO

Erfelijke eigenschap (erfelijkheid)

Erfelijke eigenschappen worden via genen en allelen van ouders op nakomelingen doorgegeven. Dit onderwerp bouwt de erfelijkheidsleer stap voor stap op: eerst het verschil tussen genotype en fenotype, dan het voorspellen van nakomelingen met een mono- en dihybride kruising (de 3:1- en 9:3:3:1-verhoudingen), en ten slotte geslachtsgebonden overerving en het lezen van stambomen. Je leert kruisingsschema's maken en kansen op een bepaald genotype of fenotype berekenen.

4 Onderdelen·~30 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 2

T·0777 / 20
Examenprofiel
Het genotype en het fenotype van een organisme onderscheiden en met de begrippen gen, allel, dominant, recessief, homozygoot en heterozygoot beschrijven.Een monohybride kruising opstellen met een Punnett-vierkant en daaruit de genotype- (1:2:1) en fenotypeverhouding (3:1) afleiden, inclusief de testkruising.Een dihybride kruising met de onafhankelijke verdeling uitwerken en de 9:3:3:1-fenotypeverhouding afleiden met een gametentabel en met de productregel.Geslachtsgebonden overerving verklaren en stambomen analyseren: dominant of recessief en autosomaal of X-gebonden bepalen en de kans op een nakomeling berekenen.
Operatoren:berekenleg uitverklaarberedeneerleid afbepaal

basisniveau

Zorg dat je genotype en fenotype uit elkaar houdt met de begrippen dominant/recessief en homozygoot/heterozygoot. Kun je een monohybride kruising met een Punnett-vierkant maken en de 3:1-fenotypeverhouding aflezen, en een eenvoudige stamboom als dominant of recessief herkennen, dan beheers je de kern.

verhoogd niveau

Leid de 9:3:3:1-verhouding van een dihybride kruising zowel met de gametentabel als met de productregel af, en analyseer onbekende stambomen volledig: bepaal dominant of recessief en autosomaal of X-gebonden, en reken kansen op een nakomeling uit, inclusief het verschil tussen 'een aangedane zoon' en 'een aangedane dochter'.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Erfelijke eigenschap (erfelijkheid)
    • 01Genotype en fenotype○
    • 02Monohybride kruising◐
    • 03Dihybride kruising (9:3:3:1)●
    • 04Geslachtsgebonden overerving en stambomen●
§ 01

Genotype en fenotype#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Genotype en fenotype bij bloemkleur

Genotype en fenotypeTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Genotype · Aanduiding · Fenotype; AA · homozygoot · rood; Aa · heterozygoot · rood; aa · homozygoot · witGENOTYPEAANDUIDINGFENOTYPEAAhomozygootroodAAheterozygootroodAAhomozygootwit
Afb. 1Het genotype bepaalt het fenotype. AA (homozygoot dominant) en Aa (heterozygoot) zien er allebei rood uit doordat A dominant is; alleen aa (homozygoot recessief) is wit. Aan een rode plant kun je AA en Aa niet onderscheiden, aan een witte plant wel: die is zeker aa.

Kernpunten

Een erfelijke eigenschap is een kenmerk dat van ouders op nakomelingen wordt doorgegeven via het DNA. Op het DNA liggen de genen; een gen is een stukje DNA met de code voor één bepaald kenmerk, bijvoorbeeld de bloemkleur van een plant. Genen liggen op chromosomen, en die komen in een gewone lichaamscel in paren voor: je hebt van elk chromosoom er twee, één afkomstig van je moeder en één van je vader. Daardoor heb je van elk gen ook twee exemplaren naast elkaar. De verschillende uitvoeringen die zo'n gen kan hebben, heten allelen. Voor bloemkleur kan er bijvoorbeeld een allel 'rood' en een allel 'wit' bestaan. Omdat je van elk gen twee exemplaren bezit, heb je dus ook telkens twee allelen voor een eigenschap, en die twee kunnen gelijk of juist verschillend zijn. Met dit beeld van paren chromosomen en paren allelen ligt de basis voor alle erfelijkheid die hierna komt.
Wanneer de twee allelen verschillend zijn, rijst de vraag welk allel je in het uiterlijk terugziet. Een dominant allel is een allel dat zijn kenmerk altijd laat zien, ook als er maar één van aanwezig is. Een recessief allel komt alleen tot uiting als beide allelen recessief zijn; in gezelschap van een dominant allel blijft het verborgen, zonder verloren te gaan. We noteren een dominant allel met een hoofdletter en het bijbehorende recessieve allel met dezelfde kleine letter. Voor bloemkleur kiezen we A voor het dominante allel 'rood' en a voor het recessieve allel 'wit'. Een plant met de allelcombinatie Aa is dan rood, want het dominante allel A overstemt de a. Alleen een plant met aa, dus twee recessieve allelen, is wit. Onthoud de kern: een recessief kenmerk verschijnt pas als het dominante allel volledig ontbreekt — één dominant allel is genoeg om het recessieve te maskeren.
De combinatie van twee allelen voor een eigenschap kun je op drie manieren bezitten. Heb je twee dezelfde allelen, dan ben je homozygoot voor die eigenschap: AA heet homozygoot dominant, aa homozygoot recessief. Heb je twee verschillende allelen, dan ben je heterozygoot: Aa. De afspraak voor de notatie is steeds dezelfde — je schrijft de twee allelen naast elkaar, het dominante (de hoofdletter) eerst, dus Aa en niet aA. Een homozygoot dominante plant (AA) en een heterozygote plant (Aa) zien er allebei rood uit, terwijl alleen aa wit is, zoals de figuur hiernaast samenvat. Dat brengt ons meteen bij het belangrijkste begrippenpaar van dit hele onderwerp, want 'hoe een organisme eruitziet' en 'welke allelen het bezit' blijken twee verschillende dingen te zijn die je scherp moet scheiden.
Het genotype is de erfelijke aanleg: de combinatie van allelen die een organisme bezit, zoals AA, Aa of aa. Het fenotype is het waarneembare kenmerk dat daaruit volgt: hoe het organisme eruitziet of werkt, bijvoorbeeld 'rood' of 'wit'. Het genotype bepaalt het fenotype, maar — en dat is cruciaal — verschillende genotypes kunnen hetzelfde fenotype geven. Door dominantie zien zowel AA als Aa er rood uit: hun fenotype is gelijk, hun genotype verschilt. Andersom hoort bij het fenotype 'wit' maar één genotype, namelijk aa, omdat wit alleen verschijnt als het dominante allel ontbreekt. Aan het uiterlijk van een rode plant kun je daarom niet aflezen of die AA of Aa is; aan een witte plant wél, want die is gegarandeerd aa. Dit onderscheid tussen wat je ziet (het fenotype) en wat erin zit (het genotype) is de sleutel tot elke kruising die hierna volgt.
Naast de genen speelt soms ook het milieu een rol in het fenotype: hetzelfde genotype kan onder andere omstandigheden een iets ander uiterlijk geven, zoals een plant die bij weinig licht kleiner blijft. Voor de klassieke erfelijkheidsvraagstukken in dit onderwerp gaan we er echter van uit dat het genotype het fenotype volledig bepaalt via dominantie en recessiviteit, zodat je zuiver met de allelen kunt rekenen. Met de begrippen gen, allel, dominant, recessief, homozygoot, heterozygoot, genotype en fenotype heb je nu de volledige woordenschat in handen om kruisingen te maken. In de volgende paragraaf zetten we die in: we kruisen twee organismen en voorspellen met een kruisingsschema welke genotypes en fenotypes hun nakomelingen kunnen krijgen, en in welke verhouding dat gebeurt.
genotype  ⟶  fenotype\text{genotype} \;\longrightarrow\; \text{fenotype}genotype⟶fenotype

van genotype naar fenotype

Het genotype (de allelen, zoals AA, Aa of aa) bepaalt het fenotype (het waarneembare kenmerk). Door dominantie kunnen verschillende genotypes — AA en Aa — toch hetzelfde fenotype geven.

Uitgewerkt voorbeeld

Van fenotype naar mogelijke genotypes

Bij een plant geldt: A = rood (dominant) en a = wit (recessief). Geef alle mogelijke genotypes van een rode plant en van een witte plant, en leg uit bij welke van de twee je het genotype zeker weet.

  1. 01Stap 1 — Schrijf de allelen op

    Er zijn twee allelen voor bloemkleur: A geeft rood en is dominant, a geeft wit en is recessief. Elke plant bezit twee allelen voor deze eigenschap.

  2. 02Stap 2 — De witte plant

    Wit is recessief en verschijnt alleen als het dominante allel volledig ontbreekt. Een witte plant moet daarom twee recessieve allelen hebben: genotype aa. Dat is de enige mogelijkheid.

  3. 03Stap 3 — De rode plant

    Rood is dominant en verschijnt zodra er minstens één A aanwezig is. Een rode plant kan dus AA óf Aa zijn — beide zien er rood uit en zijn aan het uiterlijk niet te onderscheiden.

  4. 04Stap 4 — Trek de conclusie

    Bij de witte plant ken je het genotype zeker (aa); bij de rode plant niet (AA of Aa). Wil je het genotype van de rode plant toch bepalen, dan gebruik je later een testkruising.

Resultaat: Een witte plant is altijd aa (zeker bepaald), terwijl een rode plant zowel AA als Aa kan zijn. Dit illustreert dat hetzelfde fenotype (rood) bij meer dan één genotype kan horen, en dat een recessief fenotype (wit) juist precies één genotype verraadt.

Eindexamen-focus

  • Je moet genotype en fenotype scherp onderscheiden: weten dat AA en Aa hetzelfde fenotype (rood) geven en dat alleen aa wit is, en inzien dat je uit een dominant fenotype het genotype niet met zekerheid kunt afleiden.
  • Je moet de notatie correct gebruiken (hoofdletter = dominant allel, kleine letter = recessief allel) en de begrippen homozygoot (AA of aa) en heterozygoot (Aa) foutloos toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Genotype en fenotype verwarren, bijvoorbeeld denken dat een rode plant altijd AA is. Een rode plant kan AA of Aa zijn; alleen een witte plant heeft een vast genotype (aa).
  • Dominant verwarren met 'komt het meeste voor'. Dominant betekent dat het allel zijn kenmerk laat zien zodra het aanwezig is, niet dat het in de populatie talrijker is.
  • De notatie omdraaien (aA schrijven in plaats van Aa) of een dominant allel met een kleine letter noteren. Schrijf de hoofdletter (dominant) altijd eerst.

Actieve herhaling

Een plant met rode bloemen wordt onderzocht. Leg uit welke genotypes deze plant kan hebben en welke niet, en doe vervolgens hetzelfde voor een plant met witte bloemen. Verklaar je antwoord met de begrippen dominant en recessief.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Monohybride kruising#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kruisingsschema Aa × Aa

Kruisingsschema Aa × AaTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: × · A · a; A · AA · Aa; a · Aa · aa, gemarkeerde cel: aa×AAAAAAaAAaaa
Afb. 2Het Punnett-vierkant van Aa × Aa. De vier even waarschijnlijke vakjes geven de genotypeverhouding 1 AA : 2 Aa : 1 aa. Omgezet naar fenotype: 3 rood (AA en Aa) tegenover 1 wit (aa) — de 3:1-verhouding. Het benadrukte vakje is het enige witte (aa).

Kernpunten

Een monohybride kruising is een kruising waarbij je naar één eigenschap kijkt. Je begint met de ouders, de oudergeneratie of P (van het Latijnse parentes). Hun nakomelingen vormen de eerste filiale generatie of F1. Kruis je vervolgens twee individuen uit de F1 met elkaar, dan ontstaat de F2. Deze afkortingen — P, F1 en F2 — gebruik je in elk kruisingsschema om de generaties uit elkaar te houden. Een klassiek beginpunt is de kruising van twee zuivere (homozygote) ouders die voor de eigenschap verschillen, bijvoorbeeld een homozygoot rode plant (AA) met een homozygoot witte plant (aa). Door telkens bij te houden welke allelen elke generatie aan de volgende doorgeeft, kun je voorspellen hoe de nakomelingen eruitzien en in welke verhouding de fenotypes voorkomen. Dat voorspellen is precies waar een kruising voor dient.
De sleutel tot elke kruising is dat de geslachtscellen (gameten: eicellen en zaadcellen) van elke eigenschap maar één allel bevatten. Bij het vormen van gameten gaan de twee allelen van een ouder namelijk uit elkaar, zodat elke gameet er precies één meekrijgt; dit heet de uitsplitsing. Een homozygote ouder AA maakt daardoor uitsluitend gameten met A, en een homozygote ouder aa uitsluitend gameten met a. Bij de bevruchting versmelten één eicel en één zaadcel, en het kind krijgt zo opnieuw twee allelen, één van elke ouder. Kruis je AA × aa, dan krijgt elk kind een A van de ene ouder en een a van de andere: alle F1-planten zijn dus Aa, oftewel heterozygoot. Hun fenotype is rood, want het dominante allel A bepaalt het uiterlijk. Onthoud goed dat een gameet altijd maar één allel draagt — dat voorkomt de meeste fouten in een schema.
Het interessante gebeurt in de F2, wanneer je twee heterozygote F1-planten kruist: Aa × Aa. Beide ouders maken nu twee soorten gameten, A en a, elk met een kans van 12\frac{1}{2}21​. Om alle combinaties netjes te ordenen gebruik je een Punnett-vierkant (kruisingsschema): je zet de gameten van de ene ouder boven de kolommen en die van de andere ouder voor de rijen, en in elk vakje schrijf je de combinatie van de twee. Zo ontstaat de tabel die je in de figuur hiernaast ziet, met in de vakjes AA, Aa, Aa en aa. Elk vakje is even waarschijnlijk, want elke gameetcombinatie heeft kans 12×12=14\frac{1}{2}\times\frac{1}{2}=\frac{1}{4}21​×21​=41​. Het Punnett-vierkant is daarmee een rekenhulp die alle mogelijke bevruchtingen én hun kansen in één overzicht zet, en het werkt bij elke kruising op precies dezelfde manier.
Tel je de vakjes van het Punnett-vierkant, dan komt de uitkomst van de monohybride kruising tevoorschijn. De genotypes verdelen zich als 1 AA : 2 Aa : 1 aa — de genotypeverhouding 1:2:1. Vertaal je dat naar het fenotype, dan zijn AA en Aa allebei rood (samen drie vakjes) en is alleen aa wit (één vakje). De fenotypeverhouding is dus 3 rood : 1 wit, oftewel 3:1. Dit is de beroemde 3:1-verhouding die optreedt zodra je twee heterozygoten voor één eigenschap kruist. In kansen uitgedrukt heeft een willekeurig nakomeling kans 34\frac{3}{4}43​ op het dominante fenotype en 14\frac{1}{4}41​ op het recessieve. Let scherp op het verschil: de genotypeverhouding (1:2:1) en de fenotypeverhouding (3:1) horen bij dezelfde kruising, maar zijn niet hetzelfde getal — dominantie 'plakt' twee genotypes (AA en Aa) samen tot één fenotype.
Soms wil je weten of een organisme met een dominant fenotype homozygoot (AA) of heterozygoot (Aa) is — iets wat je aan het uiterlijk niet kunt zien. Daarvoor gebruik je een testkruising: je kruist het onbekende individu met een homozygoot recessief individu (aa). De recessieve partner geeft altijd een a door, zodat de nakomelingen het verborgen allel van de ander verraden. Is het onbekende individu AA, dan worden alle nakomelingen Aa en dus allemaal rood. Is het Aa, dan is ongeveer de helft Aa (rood) en de helft aa (wit): zodra er ook maar één witte nakomeling verschijnt, weet je zeker dat het onbekende individu Aa was. Een terugkruising lijkt hierop, maar dan kruis je een nakomeling terug met een individu dat hetzelfde genotype heeft als een van de ouders. De testkruising is zo de praktische manier om een verborgen recessief allel zichtbaar te maken.
1 AA:2 Aa:1 aa  ⇒  3  rood:1  wit1\,AA : 2\,Aa : 1\,aa \;\Rightarrow\; 3\;\text{rood} : 1\;\text{wit}1AA:2Aa:1aa⇒3rood:1wit

genotype- en fenotypeverhouding (F2)

Bij Aa × Aa is de genotypeverhouding 1 AA : 2 Aa : 1 aa. Omdat AA en Aa allebei rood zijn, wordt de fenotypeverhouding 3 rood : 1 wit — de 3:1-verhouding.

Fenotypeverhouding F2 (monohybride)

Fenotypeverhouding F2 (monohybride)Tabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Fenotype · Genotype · Aantal; rood · AA of Aa · 3; wit · aa · 1FENOTYPEGENOTYPEAANTALROODAA of Aa3WITaa1
Afb. 3De fenotypeverhouding in de F2 van de monohybride kruising Aa × Aa: 3 rood op 1 wit. De drie 'rode' vakjes bestaan uit één AA en twee Aa; het ene 'witte' vakje is aa.
Uitgewerkt voorbeeld

De F2 van een monohybride kruising berekenen

Kruis twee heterozygoot rode planten: Aa × Aa (A = rood dominant, a = wit recessief). Maak het kruisingsschema, geef de genotype- en fenotypeverhouding van de nakomelingen, en bereken de kans dat een willekeurig nakomeling wit is.

  1. 01Stap 1 — Bepaal de gameten

    Elke gameet bevat één allel. Beide ouders zijn Aa en maken daarom twee soorten gameten, A en a, elk met kans 12\frac{1}{2}21​.

  2. 02Stap 2 — Vul het Punnett-vierkant in

    Zet de gameten A en a van de ene ouder boven de kolommen en die van de andere ouder voor de rijen. De vier vakjes worden AA, Aa, Aa en aa (zie de figuur hiernaast), elk met kans 14\frac{1}{4}41​.

  3. 03Stap 3 — Lees de genotypeverhouding af

    Tel de vakjes: één AA, twee Aa en één aa. De genotypeverhouding is dus 1 AA : 2 Aa : 1 aa.

    1 AA:2 Aa:1 aa1\,AA : 2\,Aa : 1\,aa1AA:2Aa:1aa
  4. 04Stap 4 — Vertaal naar de fenotypeverhouding

    AA en Aa zijn allebei rood (samen drie vakjes), alleen aa is wit (één vakje). De fenotypeverhouding is daarom 3 rood : 1 wit.

    3  rood:1  wit3\;\text{rood} : 1\;\text{wit}3rood:1wit
  5. 05Stap 5 — Bereken de gevraagde kans

    Eén van de vier vakjes is wit (aa), dus de kans dat een nakomeling wit is bedraagt 14\frac{1}{4}41​; de kans op rood is 34\frac{3}{4}43​.

Resultaat: De genotypeverhouding is 1 AA : 2 Aa : 1 aa en de fenotypeverhouding 3 rood : 1 wit. De kans dat een willekeurig nakomeling wit is, bedraagt 14\frac{1}{4}41​ — precies het ene aa-vakje uit het kruisingsschema in de figuur.

Uitgewerkt voorbeeld

Testkruising: is de rode plant AA of Aa?

Een rode plant kan AA of Aa zijn; aan het uiterlijk zie je dat niet. Beschrijf met welke testkruising je het verborgen genotype kunt bepalen en hoe je de uitkomst leest.

  1. 01Stap 1 — Kies de testkruising

    Kruis de onbekende rode plant met een homozygoot recessieve plant (aa, wit). Die partner geeft altijd een a door, zodat het allel dat de rode plant doorgeeft, in het fenotype van de nakomelingen zichtbaar wordt.

  2. 02Stap 2 — Geval AA

    Is de rode plant AA, dan geeft hij altijd een A door. Alle nakomelingen worden Aa en dus rood: er verschijnt geen enkele witte nakomeling.

    AA×aa→AaAA \times aa \rightarrow AaAA×aa→Aa
  3. 03Stap 3 — Geval Aa

    Is de rode plant Aa, dan geeft hij even vaak A als a door. De nakomelingen worden dan ongeveer half Aa (rood) en half aa (wit): er verschijnen dus witte nakomelingen.

    Aa×aa→1  Aa:1  aaAa \times aa \rightarrow 1\;Aa : 1\;aaAa×aa→1Aa:1aa
  4. 04Stap 4 — Interpreteer de uitkomst

    Verschijnt er ook maar één witte nakomeling, dan moet de rode plant het a-allel hebben doorgegeven en is hij Aa. Blijven alle (voldoende veel) nakomelingen rood, dan is hij vrijwel zeker AA.

Resultaat: Met een testkruising tegen aa lees je het verborgen genotype af: uitsluitend rode nakomelingen wijzen op AA, terwijl één of meer witte nakomelingen bewijzen dat de rode plant Aa is. Zo maak je een verborgen recessief allel zichtbaar.

Eindexamen-focus

  • Je moet een monohybride kruising kunnen opstellen met een Punnett-vierkant: de gameten bepalen, de vakjes invullen, en daaruit zowel de genotypeverhouding (1:2:1) als de fenotypeverhouding (3:1) aflezen.
  • Je moet een testkruising kunnen gebruiken en uitleggen om te bepalen of een dominant individu homozygoot (AA) of heterozygoot (Aa) is.

Veelgemaakte fouten

  • De genotypeverhouding (1:2:1) en de fenotypeverhouding (3:1) door elkaar halen. Ze horen bij dezelfde kruising, maar dominantie voegt AA en Aa samen tot één fenotype.
  • Vergeten dat een gameet maar één allel bevat en per ongeluk 'AA' als gameet boven het schema zetten in plaats van A. Een ouder Aa levert de gameten A en a, niet AA of Aa.
  • De 3:1-verhouding lezen als een gegarandeerde telling. Bij vier nakomelingen krijg je niet altijd precies 3 rood en 1 wit; 3:1 is de verwachte kansverhouding, het duidelijkst zichtbaar bij veel nakomelingen.

Actieve herhaling

Kruis twee heterozygoot rode planten (Aa × Aa). Maak het kruisingsschema, geef de genotypeverhouding en de fenotypeverhouding van de nakomelingen, en bereken de kans dat een willekeurig nakomeling wit is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Dihybride kruising (9:3:3:1)#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Gametentabel AaBb × AaBb

Gametentabel AaBb × AaBbTabel met 5 kolommen en 4 rijen, Gegevens: × · AB · Ab · aB · ab; AB · AABB · AABb · AaBB · AaBb; Ab · AABb · AAbb · AaBb · Aabb; aB · AaBB · AaBb · aaBB · aaBb; ab · AaBb · Aabb · aaBb · aabb×ABABABABABAABBAABbAaBBAaBbABAABbAAbbAaBbAabbABAaBBAaBbaaBBaaBbABAaBbAabbaaBbaabb
Afb. 4De volledige gametentabel van AaBb × AaBb: zestien even waarschijnlijke vakjes. Sorteer je ze op fenotype, dan vind je 9 rood-lang, 3 rood-kort, 3 wit-lang en 1 wit-kort.

Kernpunten

Bij een dihybride kruising kijk je tegelijk naar twee eigenschappen, die elk door een eigen gen worden bepaald. We breiden ons voorbeeld uit met een tweede kenmerk, de lengte van de plant: B is het dominante allel 'lang' en b het recessieve allel 'kort'. Een plant heeft nu voor elke eigenschap twee allelen, dus vier allelen in totaal; een plant die voor beide eigenschappen heterozygoot is, heeft het genotype AaBb (rood én lang). Net als bij de monohybride kruising willen we voorspellen welke nakomelingen een kruising oplevert en in welke verhouding — alleen moeten we nu twee genen tegelijk bijhouden. De standaardkruising waarmee de bekende 9:3:3:1-verhouding ontstaat, is die van twee dubbel-heterozygoten: AaBb × AaBb. Onthoud dit beginpunt goed, want bijna elke dihybride examenvraag start hier.
De kern van de dihybride kruising is de wet van de onafhankelijke verdeling: bij het vormen van gameten worden de allelen van het ene gen onafhankelijk van die van het andere gen verdeeld, mits de twee genen op verschillende chromosomen liggen. Een ouder AaBb geeft elke gameet één allel voor kleur (A of a) en daar volledig los van één allel voor lengte (B of b). Daardoor zijn er vier mogelijke gameten — AB, Ab, aB en ab — elk met een kans van 14\frac{1}{4}41​. Dat 'onafhankelijk' is essentieel: of een gameet A of a krijgt, zegt niets over of die B of b krijgt, zodat alle vier de combinaties even waarschijnlijk zijn. Vergelijk het met twee keer een muntstuk opgooien: de tweede worp staat helemaal los van de eerste, dus alle uitkomstparen zijn even waarschijnlijk. Deze onafhankelijkheid is de motor achter de hele 9:3:3:1-verhouding.
Met vier soorten gameten van elke ouder maak je een groter Punnett-vierkant: een gametentabel van 4 bij 4, met zestien vakjes. Je zet de vier gameten van de ene ouder (AB, Ab, aB, ab) boven de kolommen en dezelfde vier van de andere ouder voor de rijen, en in elk vakje combineer je de twee gameten tot een genotype met vier allelen. De figuur hiernaast toont deze volledige tabel. Elk van de zestien vakjes is even waarschijnlijk, want elke gameetcombinatie heeft kans 14×14=116\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}=\frac{1}{16}41​×41​=161​. Het invullen vraagt zorg: voor elk vakje neem je eerst de kleur-allelen van de rij- en kolomgameet samen (met de hoofdletter eerst) en daarna de lengte-allelen, zodat bijvoorbeeld de gameten Ab en aB samen het genotype AaBb opleveren. Werk daarom systematisch per locus; dan voorkom je dat je allelen verwisselt.
Nu leiden we de fenotypeverhouding af door de zestien vakjes te sorteren op fenotype. Voor de kleur geldt: elk genotype met minstens één A-allel is rood, en alleen het genotype aa is wit. Voor de lengte geldt hetzelfde patroon: elk genotype met minstens één B-allel is lang, alleen bb is kort. Combineer je beide regels, dan vallen de zestien vakjes uiteen in vier fenotypegroepen. Tel je ze in de tabel, dan vind je negen planten die rood én lang zijn, drie die rood én kort zijn, drie die wit én lang zijn en één die wit én kort is. Dat is de beroemde verhouding 9:3:3:1. Controleer altijd je telling: 9 + 3 + 3 + 1 = 16, precies het aantal vakjes, dus je hebt elk nakomeling één keer meegeteld. De verhoudingstabel hiernaast vat deze vier groepen overzichtelijk samen.
Je kunt 9:3:3:1 ook afleiden zónder alle zestien vakjes te tellen, juist dankzij de onafhankelijke verdeling. Bekijk daarvoor elke eigenschap apart als een gewone monohybride kruising: Aa × Aa geeft 34\frac{3}{4}43​ rood en 14\frac{1}{4}41​ wit, en Bb × Bb geeft 34\frac{3}{4}43​ lang en 14\frac{1}{4}41​ kort. Omdat de twee eigenschappen onafhankelijk overerven, mag je hun kansen met elkaar vermenigvuldigen — dat heet de productregel. De kans op rood én lang is dan 34×34=916\frac{3}{4}\times\frac{3}{4}=\frac{9}{16}43​×43​=169​, op rood én kort 34×14=316\frac{3}{4}\times\frac{1}{4}=\frac{3}{16}43​×41​=163​, op wit én lang 14×34=316\frac{1}{4}\times\frac{3}{4}=\frac{3}{16}41​×43​=163​ en op wit én kort 14×14=116\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}=\frac{1}{16}41​×41​=161​. De vier kansen samen — 916:316:316:116\frac{9}{16}:\frac{3}{16}:\frac{3}{16}:\frac{1}{16}169​:163​:163​:161​ — geven opnieuw 9:3:3:1, en je ziet meteen dat (3:1)×(3:1)=9:3:3:1(3:1)\times(3:1)=9:3:3:1(3:1)×(3:1)=9:3:3:1. Deze rekentruc is sneller dan de hele tabel en werkt voor elke gevraagde combinatie van fenotypekansen.
(3:1)×(3:1)=9:3:3:1(3:1)\times(3:1) = 9:3:3:1(3:1)×(3:1)=9:3:3:1

product van twee monohybride verhoudingen

Omdat de twee eigenschappen onafhankelijk overerven, is de dihybride fenotypeverhouding het product van twee monohybride 3:1-verhoudingen, wat 9:3:3:1 oplevert.

Fenotypeverhouding F2 (dihybride)

Fenotypeverhouding F2 (dihybride)Tabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Fenotype · Aantal; rood, lang · 9; rood, kort · 3; wit, lang · 3; wit, kort · 1FENOTYPEAANTALROOD, LANG9ROOD, KORT3WIT, LANG3WIT, KORT1
Afb. 5De vier fenotypegroepen uit de gametentabel, geteld: 9 rood-lang : 3 rood-kort : 3 wit-lang : 1 wit-kort. Samen 9 + 3 + 3 + 1 = 16, het aantal vakjes. Deze verhouding ontstaat ook als product van twee monohybride verhoudingen, oftewel (3:1) maal (3:1).
Uitgewerkt voorbeeld

De 9:3:3:1-verhouding stap voor stap afleiden

Kruis twee dubbel-heterozygote planten: AaBb × AaBb, met A = rood (dominant) en a = wit (recessief), B = lang (dominant) en b = kort (recessief). Leid de fenotypeverhouding van de F2 af door eerst de gametentabel in te vullen en te tellen, en controleer je antwoord met de productregel.

  1. 01Stap 1 — Bepaal de gameten van elke ouder

    Door de onafhankelijke verdeling krijgt elke gameet één kleur-allel (A of a) en daar los van één lengte-allel (B of b). Een ouder AaBb maakt daardoor vier soorten gameten, elk met kans 14\frac{1}{4}41​.

    AaBb→AB,  Ab,  aB,  abAaBb \rightarrow AB,\;Ab,\;aB,\;abAaBb→AB,Ab,aB,ab
  2. 02Stap 2 — Vul de gametentabel in

    Zet de vier gameten van de ene ouder boven de kolommen en die van de andere ouder voor de rijen, en combineer ze in zestien vakjes (zie de figuur hiernaast). Elk vakje heeft kans 14×14=116\frac{1}{4}\times\frac{1}{4}=\frac{1}{16}41​×41​=161​, dus alle zestien zijn even waarschijnlijk.

  3. 03Stap 3 — Stel de fenotyperegels op

    Voor de kleur is elk genotype met minstens één A rood en alleen aa wit. Voor de lengte is elk genotype met minstens één B lang en alleen bb kort. Met deze twee regels deel je elk vakje bij een fenotype in.

  4. 04Stap 4 — Tel de vakjes per fenotype

    Sorteren levert vier groepen op: negen planten rood én lang, drie rood én kort, drie wit én lang en één wit én kort. Samen 9 + 3 + 3 + 1 = 16, gelijk aan het aantal vakjes — de telling klopt.

    9:3:3:19 : 3 : 3 : 19:3:3:1
  5. 05Stap 5 — Controleer met de productregel

    Bekijk elke eigenschap apart: Aa × Aa geeft 34\frac{3}{4}43​ rood en 14\frac{1}{4}41​ wit, Bb × Bb geeft 34\frac{3}{4}43​ lang en 14\frac{1}{4}41​ kort. Vermenigvuldig de onafhankelijke kansen: rood-lang 34×34=916\frac{3}{4}\times\frac{3}{4}=\frac{9}{16}43​×43​=169​, rood-kort en wit-lang elk 316\frac{3}{16}163​, wit-kort 116\frac{1}{16}161​ — opnieuw 9:3:3:1.

    (3:1)×(3:1)=9:3:3:1(3:1)\times(3:1) = 9:3:3:1(3:1)×(3:1)=9:3:3:1

Resultaat: De fenotypeverhouding van de F2 is 9 rood-lang : 3 rood-kort : 3 wit-lang : 1 wit-kort, oftewel 9:3:3:1. Beide methoden — de zestien vakjes tellen en de productregel (3:1) maal (3:1) — geven hetzelfde resultaat, en 9 + 3 + 3 + 1 = 16 bevestigt dat alle nakomelingen zijn meegeteld.

Eindexamen-focus

  • Je moet de vier gameten van een dubbel-heterozygoot (AaBb) bepalen via de onafhankelijke verdeling — AB, Ab, aB en ab — en daarmee een 4×4-gametentabel correct invullen.
  • Je moet de 9:3:3:1-fenotypeverhouding kunnen afleiden, zowel door de zestien vakjes te tellen als met de productregel (3:1)×(3:1)(3:1)\times(3:1)(3:1)×(3:1), en met die productregel ook losse kansen (zoals op rood én kort) kunnen berekenen.

Veelgemaakte fouten

  • Niet alle vier de gametensoorten opschrijven (bijvoorbeeld aB of Ab vergeten). Een AaBb-ouder maakt vier gameten: AB, Ab, aB en ab.
  • De kansen optellen in plaats van vermenigvuldigen bij twee onafhankelijke eigenschappen. De kans op 'rood én lang' is 34×34=916\frac{3}{4}\times\frac{3}{4}=\frac{9}{16}43​×43​=169​, niet 34+34\frac{3}{4}+\frac{3}{4}43​+43​.
  • De allelen door elkaar husselen bij het invullen, bijvoorbeeld het lengte- en het kleur-allel verwisselen. Houd per vakje eerst het kleurpaar en dan het lengtepaar bij elkaar, met de hoofdletter steeds eerst.

Actieve herhaling

Kruis twee dubbel-heterozygote planten AaBb × AaBb (A = rood, a = wit; B = lang, b = kort). Leid de fenotypeverhouding van de nakomelingen af door eerst de gametentabel in te vullen en te tellen, en controleer je antwoord daarna met de productregel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Geslachtsgebonden overerving en stambomen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Stamboom van een X-gebonden recessieve aandoening

Stamboom (X-gebonden recessief)Stamboom met 5 personen, I1, I2, II1 (aangedaan), II2, II3
Afb. 6Twee gezonde ouders krijgen een aangedane zoon: het kenmerk is dus recessief. Omdat alleen een zoon is aangedaan en de moeder gezond is, past dit goed bij X-gebonden recessieve overerving, met de moeder als draagster. Het benadrukte symbool is de aangedane zoon (II1).

Kernpunten

Tot nu toe lagen de genen op gewone chromosomen, de autosomen, waarvan mannen en vrouwen er evenveel hebben. Eén chromosomenpaar is echter anders: de geslachtschromosomen. Vrouwen hebben twee X-chromosomen (XX), mannen één X en één Y (XY). Het kleine Y-chromosoom draagt nauwelijks genen behalve die welke het mannelijke geslacht bepalen; het veel grotere X-chromosoom draagt daarentegen veel 'gewone' genen die niets met geslacht te maken hebben. Een eigenschap waarvan het gen op het X-chromosoom ligt, noemen we geslachtsgebonden, of preciezer X-gebonden. Omdat mannen maar één X hebben en vrouwen twee, pakt de overerving van zo'n gen voor de twee geslachten verschillend uit. Juist dat verschil verklaart een opvallend patroon dat je straks in stambomen zult terugzien, en daarom verdient het geslachtschromosomenpaar aparte aandacht.
Veel geslachtsgebonden aandoeningen berusten op een recessief allel op het X-chromosoom; bekende voorbeelden zijn rood-groenkleurenblindheid en de bloederziekte hemofilie. We noteren zulke allelen boven op het X: XAX^AXA voor het dominante (gezonde) allel en XaX^aXa voor het recessieve. Een vrouw heeft twee X-chromosomen en dus twee allelen: alleen als ze XaXaX^a X^aXaXa is, is ze aangedaan; is ze XAXaX^A X^aXAXa, dan is ze gezond maar wel draagster. Een man heeft maar één X (plus een Y zonder dit gen) en dus één allel: heeft hij XaYX^a YXaY, dan is hij meteen aangedaan, want er is geen tweede X die het recessieve allel kan overstemmen. Bij een man is één recessief allel dus al genoeg, terwijl een vrouw er twee nodig heeft. Dat is precies de reden dat X-gebonden recessieve aandoeningen veel vaker bij mannen voorkomen dan bij vrouwen.
Een stamboom brengt de overerving binnen een familie in beeld. De afspraken: een vierkant stelt een man voor, een cirkel een vrouw, een horizontale lijn tussen twee personen is een relatie (een paar) en de verticale lijnen eronder leiden naar hun kinderen; de generaties worden met Romeinse cijfers genummerd, van boven (de oudste) naar beneden. Een ingekleurd, aangedaan symbool betekent dat de persoon het kenmerk vertoont. De eerste vraag bij een stamboom is meestal: is het kenmerk dominant of recessief? De gouden regel luidt: krijgen twee niet-aangedane ouders een aangedaan kind, dan moet het kenmerk recessief zijn — beide ouders droegen het verborgen allel zonder het te tonen. In de stamboom hiernaast krijgen twee gezonde ouders een aangedane zoon, dus de aandoening is recessief. Bij een dominant kenmerk zou een aangedaan kind immers ook bij minstens één ouder zichtbaar moeten zijn.
Is het kenmerk eenmaal als recessief herkend, dan volgt de tweede vraag: ligt het gen op een autosoom of op het X-chromosoom? Hierbij let je op het geslacht van de aangedane personen en op specifieke combinaties van ouders en kinderen. Een sterk argument vóór X-gebonden recessief is dat vooral mannen zijn aangedaan en dat een aangedane zoon zijn XaX^aXa van zijn (vaak niet-aangedane) moeder krijgt, die dan draagster is. Een combinatie die X-gebonden recessief juist uitsluit, is een aangedane dochter met een niet-aangedane vader: bij X-gebonden recessief moet een aangedane dochter (XaXaX^a X^aXaXa) ook van haar vader een XaX^aXa krijgen, zodat die vader dan zelf aangedaan zou zijn. Vind je zo'n geval, dan is het kenmerk autosomaal recessief. Vaak sluit een stamboom niet álles uit, en dan zeg je eerlijk 'past bij X-gebonden recessief' of 'dan moet het autosomaal zijn'. In de stamboom hiernaast — alleen een zoon aangedaan, de moeder gezond — past het goed bij X-gebonden recessief, met de moeder als draagster.
Heb je het overervingstype en de oudergenotypes bepaald, dan bereken je de kans op een bepaald nakomeling met een kruisingsschema, net als bij de eerdere kruisingen. Neem de stamboom hiernaast, uitgewerkt als X-gebonden recessief: de moeder is draagster XAXaX^A X^aXAXa en de vader gezond XAYX^A YXAY. De moeder maakt twee soorten eicellen, XAX^AXA en XaX^aXa (elk kans 12\frac{1}{2}21​), de vader twee soorten zaadcellen, XAX^AXA en YYY (elk 12\frac{1}{2}21​). De vier even waarschijnlijke combinaties zijn XAXAX^A X^AXAXA (gezonde dochter), XAXaX^A X^aXAXa (gezonde draagster-dochter), XAYX^A YXAY (gezonde zoon) en XaYX^a YXaY (aangedane zoon). De kans op een aangedane zoon is dus 14\frac{1}{4}41​, en geen enkele dochter kan aangedaan zijn, want elke dochter krijgt het XAX^AXA van haar vader. Reken kansen altijd zo uit: oudergenotypes bepalen, de gameten met hun kansen opschrijven, alle combinaties maken en de gevraagde uitkomsten optellen.
P(aangedane zoon)=12×12=14P(\text{aangedane zoon}) = \frac{1}{2}\times\frac{1}{2} = \frac{1}{4}P(aangedane zoon)=21​×21​=41​

kans op een aangedane zoon

Bij de kruising XAXa×XAYX^A X^a \times X^A YXAXa×XAY is de kans dat het kind een zoon is 12\frac{1}{2}21​ en de kans dat die zoon het recessieve allel krijgt 12\frac{1}{2}21​; samen 14\frac{1}{4}41​.

Uitgewerkt voorbeeld

Een stamboom analyseren en de kans op een aangedane zoon berekenen

In de stamboom hiernaast krijgen twee niet-aangedane ouders (I1 en I2) drie kinderen, van wie één zoon (II1) is aangedaan. Bepaal of de aandoening dominant of recessief is en of ze past bij X-gebonden recessieve overerving. Bepaal vervolgens de genotypes van de ouders en bereken de kans dat hun volgende kind een aangedane zoon is.

  1. 01Stap 1 — Dominant of recessief?

    Twee niet-aangedane ouders krijgen een aangedaan kind. Dat kan alleen als beide ouders een verborgen allel dragen dat bij het kind samenkomt, dus de aandoening is recessief. Een dominant kenmerk zou bij een aangedaan kind ook bij minstens één ouder zichtbaar zijn geweest.

  2. 02Stap 2 — Autosomaal of X-gebonden?

    De aangedane persoon is een zoon en zijn moeder is niet aangedaan. Dit past bij X-gebonden recessief: de zoon (XaYX^a YXaY) kreeg zijn enige X met het recessieve allel van zijn moeder, die dan draagster is. Met alleen deze gegevens is autosomaal recessief niet volledig uitgesloten, maar het patroon — alleen een zoon aangedaan, moeder gezond — past goed bij X-gebonden recessief.

  3. 03Stap 3 — Bepaal de oudergenotypes

    De moeder is gezond maar gaf een XaX^aXa door aan haar aangedane zoon, dus ze is draagster: XAXaX^A X^aXAXa. De vader is een niet-aangedane man: XAYX^A YXAY.

    XAXa×XAYX^A X^a \times X^A YXAXa×XAY
  4. 04Stap 4 — Maak het kruisingsschema

    De moeder maakt eicellen XAX^AXA en XaX^aXa (elk kans 12\frac{1}{2}21​), de vader zaadcellen XAX^AXA en YYY (elk 12\frac{1}{2}21​). De vier even waarschijnlijke combinaties zijn XAXAX^A X^AXAXA (gezonde dochter), XAXaX^A X^aXAXa (gezonde draagster-dochter), XAYX^A YXAY (gezonde zoon) en XaYX^a YXaY (aangedane zoon).

  5. 05Stap 5 — Bereken de gevraagde kans

    Slechts één van de vier even waarschijnlijke uitkomsten is een aangedane zoon (XaYX^a YXaY). De kans op een aangedane zoon is dus 14\frac{1}{4}41​. Geen enkele dochter kan aangedaan zijn, want elke dochter krijgt het XAX^AXA van haar vader.

    P(XaY)=12×12=14P(X^a Y) = \frac{1}{2}\times\frac{1}{2} = \frac{1}{4}P(XaY)=21​×21​=41​

Resultaat: De aandoening is recessief en past bij X-gebonden recessieve overerving; de ouders zijn XAXaX^A X^aXAXa (draagster-moeder) en XAYX^A YXAY (gezonde vader). De kans dat hun volgende kind een aangedane zoon is, bedraagt 14\frac{1}{4}41​; een aangedane dochter is uitgesloten (kans 0). Dat alleen zonen risico lopen, laat in cijfers zien waarom X-gebonden recessieve aandoeningen vaker bij mannen voorkomen.

Eindexamen-focus

  • Je moet uit een stamboom kunnen bepalen of een kenmerk dominant of recessief is (twee gezonde ouders met een aangedaan kind = recessief) en of het autosomaal of X-gebonden is, door op het geslacht van de aangedane personen en op ouder-kindcombinaties te letten.
  • Je moet kunnen uitleggen waarom X-gebonden recessieve aandoeningen vaker bij mannen voorkomen (een man heeft één X, dus één recessief allel volstaat) en de kans op een (aangedane) nakomeling berekenen met een kruisingsschema.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat 'dominant' betekent dat een kenmerk veel voorkomt in de stamboom. Of een kenmerk dominant of recessief is, lees je af uit ouder-kindcombinaties (gezonde ouders met een aangedaan kind = recessief), niet uit de aantallen.
  • Bij geslachtsgebonden genen vergeten dat een man maar één allel heeft. Een mannelijk genotype noteer je als XAYX^A YXAY of XaYX^a YXaY, nooit als XAXaX^A X^aXAXa.
  • De kans op 'een aangedane zoon' verwarren met de kans dat 'een zoon aangedaan is'. De eerste telt ook de kans dat het kind een zoon is (12×12=14\frac{1}{2}\times\frac{1}{2}=\frac{1}{4}21​×21​=41​); de tweede gaat er al van uit dat het een zoon is (12\frac{1}{2}21​).

Actieve herhaling

Bekijk de stamboom hiernaast, waarin twee gezonde ouders een aangedane zoon hebben. Beredeneer of de aandoening dominant of recessief is en of ze goed past bij X-gebonden recessieve overerving. Bepaal daarna de genotypes van de ouders en bereken de kans dat hun volgende kind een aangedane zoon is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Genotype en fenotype○
    • 02Monohybride kruising◐
    • 03Dihybride kruising (9:3:3:1)●
    • 04Geslachtsgebonden overerving en stambomen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Erfelijke eigenschap (erfelijkheid)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~30
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma biologie (HAVO)

Vorig onderwerp

DNA-replicatie en de levenscyclus van de cel

Volgend onderwerp

Selectie: DNA, mutatie, recombinatie en variatie

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.