EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Biodiversiteit: niveaus, belang en behoud
Samenvattingen · BiologieNL · HAVO

Biodiversiteit: niveaus, belang en behoud

Biodiversiteit is de verscheidenheid aan leven op drie niveaus: genetisch, soorten en ecosystemen. Dit onderwerp bouwt op van wat biodiversiteit precies is, via het belang ervan voor de stabiliteit van ecosystemen en de diensten die de mens eruit haalt, naar de bedreigingen en de manieren om biodiversiteit te behouden. Je leert begrippen onderscheiden, oorzaken en gevolgen met elkaar verbinden en maatregelen koppelen aan de bedreiging die ze tegengaan.

4 Onderdelen·~25 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·202020 / 20
Examenprofiel
De drie niveaus van biodiversiteit (genetisch, soorten, ecosystemen) benoemen, onderscheiden en met eigen voorbeelden illustreren.Uitleggen waarom biodiversiteit belangrijk is voor de stabiliteit en veerkracht van ecosystemen en welke ecosysteemdiensten de mens eruit haalt.De belangrijkste bedreigingen voor de biodiversiteit benoemen en beredeneren hoe ze via oorzaak en gevolg leiden tot biodiversiteitsverlies.Maatregelen voor behoud en duurzaam beheer koppelen aan de bedreiging die ze tegengaan, en de rol van monitoring met indicatorsoorten uitleggen.
Operatoren:leg uitverklaarberedeneerinterpreteerbeoordeel

basisniveau

Zorg dat je de drie niveaus van biodiversiteit met een voorbeeld kunt benoemen, de belangrijkste bedreigingen kunt opnoemen en bij elke bedreiging een passende maatregel kunt geven.

verhoogd niveau

Beredeneer in onbekende contexten hoe bedreigingen op elkaar inwerken — bijvoorbeeld hoe versnippering via kleine populaties de genetische diversiteit aantast — en beoordeel hoe goed een voorgestelde maatregel de onderliggende oorzaak aanpakt.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Biodiversiteit: niveaus, belang en behoud
    • 01Wat is biodiversiteit: drie niveaus○
    • 02Het belang van biodiversiteit◐
    • 03Bedreigingen voor de biodiversiteit◐
    • 04Behoud en duurzaam beheer◐
§ 01

Wat is biodiversiteit: drie niveaus#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Drie niveaus van biodiversiteit

Drie niveaus van biodiversiteitTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Niveau · Wat varieert · Voorbeeld; genetisch · allelen in een soort · vachtkleur konijn; soorten · aantal soorten · soorten in een sloot; ecosystemen · aantal ecosystemen · bos, duin en venNIVEAUWAT VARIEERTVOORBEELDGENETISCHallelen in een soortvachtkleur konijnSOORTENaantal soortensoorten in een slootECOSYSTEMENaantal ecosystemenbos, duin en ven
Afb. 1Biodiversiteit speelt op drie niveaus tegelijk: genetische variatie binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal verschillende ecosystemen.

Kernpunten

Biodiversiteit is een samentrekking van 'biologische diversiteit' en betekent letterlijk de verscheidenheid aan leven. Je gebruikt het begrip altijd voor een bepaald gebied — een sloot, een bos, een land of de hele aarde — en het beschrijft hóeveel verschillende vormen van leven daar voorkomen. Het belangrijkste inzicht is dat biodiversiteit op drie niveaus tegelijk speelt: de genetische diversiteit binnen een soort, de soortendiversiteit (het aantal verschillende soorten) en de ecosysteemdiversiteit (het aantal verschillende leefgebieden). Pas als je naar alle drie de niveaus kijkt, beschrijf je de biodiversiteit volledig. Een tropisch regenwoud heeft op alle drie de niveaus een hoge biodiversiteit, terwijl een akker met alleen tarwe op elk niveau juist arm is. Onthoud dus dat biodiversiteit méér is dan 'veel soorten': het is verscheidenheid van genen tot ecosystemen, bekeken in een afgebakend gebied. In de figuur hiernaast staan de drie niveaus met een voorbeeld naast elkaar.
Het eerste niveau is de genetische diversiteit: de variatie in erfelijke eigenschappen — de allelen — bínnen één soort. Niet alle individuen van een soort zijn genetisch identiek; ze verschillen in hun DNA, en juist die verschillen vormen het eerste niveau van biodiversiteit. Denk aan een populatie konijnen waarin de vachtkleur, de grootte en de weerstand tegen ziekten van dier tot dier verschillen. Genetische diversiteit is belangrijk omdat ze de grondstof is voor aanpassing en natuurlijke selectie: in een populatie met veel variatie zijn er bijna altijd enkele individuen die een nieuwe ziekte of een veranderend klimaat overleven, waardoor de soort kan voortbestaan. Een populatie met weinig genetische variatie is veel kwetsbaarder — één ziekte kan haar dan in zijn geheel treffen. Zo verbindt dit niveau biodiversiteit direct met evolutie: zonder genetische variatie is er geen aanpassingsvermogen.
Het tweede niveau is de soortendiversiteit: het aantal verschillende soorten dat in een gebied voorkomt. Dit is het niveau waar de meeste mensen aan denken bij 'biodiversiteit', en je drukt het meestal uit als de soortenrijkdom — simpelweg hoeveel soorten je telt. Een tropisch regenwoud kan duizenden boom- en insectensoorten herbergen, terwijl een tarweakker er maar een handvol heeft; het regenwoud heeft dus een veel hogere soortendiversiteit. Vaak kijk je niet alleen naar het aantal soorten, maar ook naar hoe gelijkmatig de individuen over die soorten verdeeld zijn: een bos met vijftig soorten die allemaal even algemeen zijn, is diverser dan een bos met vijftig soorten waarvan er één compleet overheerst. Omdat je soorten kunt tellen, is dit niveau goed te meten en te vergelijken tussen gebieden — iets wat je in de grafiek in de volgende paragraaf terugziet.
Het derde niveau is de ecosysteemdiversiteit: de verscheidenheid aan verschillende ecosystemen of leefgebieden binnen een groter gebied. Een ecosysteem is een leefgemeenschap van soorten samen met hun niet-levende omgeving, zoals een ven, een duin, een bos of een sloot. Hoe meer verschillende ecosystemen een streek bevat, hoe hoger de ecosysteemdiversiteit. Dit niveau is belangrijk omdat elk type ecosysteem zijn eigen, specifieke soorten herbergt: een soort die in het duin thuishoort, vind je niet in het bos, en omgekeerd. Een landschap met veel verschillende ecosystemen biedt daardoor ruimte aan veel meer soorten dan een eentonig landschap. Nederland dankt zijn relatief hoge biodiversiteit voor een groot deel aan deze afwisseling — duinen, heide, moerassen, bossen en wateren liggen er dicht bij elkaar. Verdwijnt een heel ecosysteemtype, dan verdwijnen ook alle soorten die er uitsluitend in kunnen leven.
De drie niveaus staan niet los van elkaar, maar zitten als Russische poppetjes in elkaar geschoven: binnen elk ecosysteem leven verschillende soorten, en binnen elke soort bestaat genetische variatie. De figuur hiernaast zet de niveaus naast elkaar zodat je ze in één oogopslag kunt onderscheiden. Voor het examen is het cruciaal dat je per voorbeeld het juiste niveau kiest: variatie in vachtkleur is genetisch, het aantal vogelsoorten in een bos is soortendiversiteit, en de afwisseling van duin, ven en bos is ecosysteemdiversiteit. Omdat 'verscheidenheid' lastig in één getal te vangen is, meten biologen biodiversiteit meestal op het soortenniveau, bijvoorbeeld met de soortenrijkdom of met een diversiteitsindex die zowel het aantal soorten als hun verdeling meeneemt. In de volgende paragrafen gebruiken we deze drie niveaus telkens opnieuw: om uit te leggen waarom biodiversiteit belangrijk is, hoe ze bedreigd wordt en hoe je haar kunt beschermen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een waarneming bij het juiste niveau plaatsen

Bepaal voor elke waarneming op welk niveau van biodiversiteit hij betrekking heeft: (a) in een populatie hazen komen zowel snelle als langzame dieren voor; (b) in een duingebied tel je 60 verschillende plantensoorten; (c) een natuurgebied bestaat uit duin, moeras én bos. Leg je keuze telkens kort uit.

  1. 01Stap 1 — Waarneming (a): variatie binnen één soort

    Bij (a) gaat het om verschillen tussen individuen van dezelfde soort (hazen): de snelheid varieert van dier tot dier. Variatie bínnen een soort betreft de allelen en hoort dus bij de genetische diversiteit.

  2. 02Stap 2 — Waarneming (b): aantal soorten

    Bij (b) tel je het aantal verschillende plantensoorten in het gebied. Het aantal verschillende soorten is per definitie de soortendiversiteit (soortenrijkdom); je kijkt hier niet binnen één soort, maar tussen soorten.

  3. 03Stap 3 — Waarneming (c): verschillende leefgebieden

    Bij (c) gaat het om verschillende typen leefgebied — duin, moeras en bos — naast elkaar. De verscheidenheid aan ecosystemen is de ecosysteemdiversiteit.

Resultaat: Resultaat: (a) is genetische diversiteit (variatie binnen een soort), (b) is soortendiversiteit (aantal soorten) en (c) is ecosysteemdiversiteit (aantal leefgebieden). De truc is steeds te bepalen of je binnen één soort kijkt, naar het aantal soorten kijkt, of naar het aantal leefgebieden kijkt.

Eindexamen-focus

  • Je moet de drie niveaus van biodiversiteit (genetisch, soorten, ecosystemen) kunnen benoemen en met een eigen voorbeeld van elkaar onderscheiden.
  • Het examen toetst scherp of je genetische diversiteit (variatie bínnen een soort) onderscheidt van soortendiversiteit (variatie tússen soorten).

Veelgemaakte fouten

  • Biodiversiteit gelijkstellen aan alleen het aantal soorten. Het gaat om verscheidenheid op drie niveaus tegelijk — vergeet de genetische diversiteit en de ecosysteemdiversiteit niet.
  • Genetische diversiteit en soortendiversiteit verwarren. Genetisch betreft de variatie bínnen één soort (allelen); soorten betreft het aantal verschillende soorten.
  • Denken dat een gebied met veel individuen automatisch een hoge biodiversiteit heeft. Het draait om de verscheidenheid, niet om de aantallen — duizend dieren van één soort is een lage biodiversiteit.

Actieve herhaling

Leg uit wat biodiversiteit op drie niveaus betekent. Geef bij elk niveau een eigen voorbeeld en leg vervolgens uit waarom een akker met alleen tarwe op alle drie de niveaus een lage biodiversiteit heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het belang van biodiversiteit#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Soortenrijkdom per gebied

Soortenrijkdom per gebiedKolomdiagram: aantal soorten naar gebied, Gegevens: aantal soorten · gebied A: 46; aantal soorten · gebied B: 28; aantal soorten · gebied C: 12010203040gebied Agebied Bgebied C462812aantal soortengebied
Afb. 2Illustratieve voorbeeldwaarden van de soortenrijkdom van drie gebieden. Gebied A is het soortenrijkst en daardoor naar verwachting het stabielst en veerkrachtigst.

Kernpunten

Waarom zou het erg zijn als de biodiversiteit afneemt? Het eerste, ecologische antwoord is dat biodiversiteit ecosystemen stabieler en veerkrachtiger maakt. Veerkracht is het vermogen van een ecosysteem om na een verstoring — een strenge winter, een ziekte, een plaag — weer terug te keren naar zijn oude toestand. Een soortenrijk ecosysteem heeft die veerkracht in veel sterkere mate dan een soortenarm ecosysteem, en dat komt door een soort ingebouwde reserve. Als in een soortenrijk systeem één soort wegvalt, kunnen andere soorten met een vergelijkbare rol die functie overnemen; biologen noemen dat functionele redundantie. Valt er in een soortenarm systeem een soort weg, dan is er vaak geen vervanger en stort het systeem makkelijker in. Een akker met één gewas is daarom kwetsbaar: één plaag kan de hele oogst vernietigen, terwijl een soortenrijk grasland zo'n klap veel beter opvangt.
Deze stabiliteit hangt nauw samen met de bouw van het voedselweb. In een soortenrijk ecosysteem zijn de soorten via veel verschillende voedselrelaties met elkaar verbonden: er lopen talloze ketens door elkaar heen tot een dicht web. Valt er één schakel weg, dan zijn er meestal alternatieve routes waarlangs energie en stoffen blijven stromen. In een soortenarm ecosysteem bestaat het voedselweb uit weinig, lange ketens zonder alternatieven, zodat het wegvallen van één soort meteen doorwerkt naar alle soorten erboven en eronder. Verdwijnt bijvoorbeeld een bestuivende insectensoort, dan kunnen in een soortenrijk gebied andere bestuivers het werk overnemen, maar in een arm gebied blijven planten onbestoven en valt de voortplanting stil. In de figuur hiernaast zie je illustratieve soortenaantallen van drie gebieden: gebied A is het soortenrijkst en daardoor naar verwachting het stabielst en veerkrachtigst, gebied C het kwetsbaarst.
Het tweede antwoord op de vraag waarom biodiversiteit belangrijk is, draait om de mens zelf. Ecosystemen leveren namelijk allerlei voordelen waar mensen direct van afhankelijk zijn; die voordelen heten ecosysteemdiensten. Vaak besef je pas hoe waardevol ze zijn als ze wegvallen. De belangrijkste categorieën zijn de bestuiving van gewassen, de productie van voedsel, het leveren van grondstoffen, en de regulatie van het klimaat en de waterkwaliteit. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat deze diensten betrouwbaar geleverd blijven worden, want ze berusten op het samenspel van veel soorten tegelijk. Het idee van ecosysteemdiensten maakt het belang van biodiversiteit concreet en zelfs meetbaar in termen die ook voor de economie en het dagelijks leven tellen: bescherming van de natuur is daarmee niet alleen een kwestie van idealen, maar ook van eigenbelang.
Het loont om de belangrijkste ecosysteemdiensten apart te bekijken. Bestuiving is misschien wel het bekendste voorbeeld: insecten zoals bijen en zweefvliegen bestuiven een groot deel van onze fruit- en groentegewassen, zodat zonder bestuivers de voedselproductie sterk zou dalen. Voedsel zelf is een tweede dienst — denk aan vis uit zee en gewassen van het land, maar ook aan de wilde verwanten van landbouwgewassen die als genetische bron dienen om nieuwe, sterkere rassen te veredelen. Grondstoffen vormen een derde groep: hout, vezels en talloze medicijnen zijn oorspronkelijk afkomstig uit planten, schimmels of dieren, en veel geneesmiddelen moeten waarschijnlijk nog ontdekt worden in soorten die we nu nog niet kennen. Ten slotte de regulatie: bossen en oceanen leggen grote hoeveelheden CO2 vast en dempen zo de klimaatverandering, terwijl moerassen en bodemleven het water zuiveren. Bij elk van deze diensten geldt hetzelfde: hoe rijker de biodiversiteit, hoe stabieler de dienst.
Samengevat heeft biodiversiteit een waarde die je in drie soorten kunt opsplitsen. De ecologische waarde is de stabiliteit en veerkracht die de natuur als geheel overeind houden. De gebruikswaarde zit in de ecosysteemdiensten — voedsel, grondstoffen, bestuiving, klimaat- en waterregulatie — waar we economisch en lichamelijk van afhangen. En de intrinsieke waarde is de gedachte dat het leven een waarde in zichzelf heeft, los van het nut voor de mens. Juist omdat veel toekomstige toepassingen — zoals nog onontdekte medicijnen — in nu nog onbekende soorten verborgen zitten, werkt biodiversiteit ook als een soort verzekering: wat eenmaal is uitgestorven, kun je nooit meer terughalen. Met dit beeld van het belang van biodiversiteit in gedachten kun je in de volgende paragraaf scherper zien wat er precies op het spel staat wanneer de biodiversiteit wordt bedreigd.
Uitgewerkt voorbeeld

De grafiek met soortenrijkdom interpreteren

De grafiek hiernaast toont (illustratieve) soortenaantallen van drie gebieden: gebied A 46 soorten, gebied B 28 soorten en gebied C 12 soorten. Beredeneer welk gebied naar verwachting het veerkrachtigst is bij een plotselinge verstoring, en leg uit waarom.

  1. 01Stap 1 — Lees de soortenrijkdom af

    Uit de grafiek lees je af dat gebied A de meeste soorten heeft (46), gevolgd door gebied B (28) en gebied C (12). De soortenrijkdom neemt dus af van A naar C.

  2. 02Stap 2 — Koppel soortenrijkdom aan veerkracht

    Hoe meer soorten, hoe meer voedselrelaties en hoe groter de kans op functionele redundantie: valt een soort weg, dan kan een andere haar rol overnemen. Een hogere soortenrijkdom betekent daarom in het algemeen een grotere veerkracht.

  3. 03Stap 3 — Trek de conclusie

    Gebied A heeft de hoogste soortenrijkdom en is daardoor naar verwachting het best bestand tegen een verstoring; gebied C, met de minste soorten, is het kwetsbaarst.

Resultaat: Resultaat: gebied A is naar verwachting het veerkrachtigst, omdat de grootste soortenrijkdom zorgt voor de meeste alternatieve routes in het voedselweb. Let op: dit zijn voorbeeldwaarden om het verband te laten zien, geen officiële meetgegevens — en meer soorten geeft een grotere kans op herstel, geen garantie.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen uitleggen waarom een soortenrijk ecosysteem stabieler en veerkrachtiger is dan een soortenarm ecosysteem (functionele redundantie in een dicht voedselweb).
  • Het examen vraagt je ecosysteemdiensten te herkennen en met een voorbeeld te koppelen aan biodiversiteit, zoals bestuiving, voedsel, grondstoffen en klimaatregulatie.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat één soort zonder gevolg kan verdwijnen. In een voedselweb kan het wegvallen van een soort doorwerken naar veel andere soorten erboven en eronder.
  • Ecosysteemdiensten alleen zien als 'voedsel'. Ook bestuiving, grondstoffen, waterzuivering en klimaatregulatie zijn ecosysteemdiensten.
  • Stabiliteit verwarren met 'geen verandering'. Een veerkrachtig ecosysteem verandert wel na een verstoring, maar herstelt zich daarna weer.

Actieve herhaling

Een boer wil zijn land soortenrijker maken met bloemrijke akkerranden. Leg met twee verschillende ecosysteemdiensten uit waarom dat gunstig kan zijn, en beredeneer waarom een soortenrijk gebied beter bestand is tegen een plaag dan een akker met één gewas.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Bedreigingen voor de biodiversiteit#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Biodiversiteitsverlies: oorzaken en gevolgen

BiodiversiteitsverliesGraaf, habitatverlies → verlies aan soorten, klimaatverandering → verlies aan soorten, invasieve exoten → verlies aan soorten, verlies aan soorten → minder veerkracht, verlies aan soorten → minder dienstenhabitatverliesklimaatveranderinginvasieve exotenverlies aansoortenminderveerkrachtminder diensten
Afb. 3Verschillende oorzaken leiden samen tot verlies aan soorten, dat doorwerkt naar minder veerkracht en minder ecosysteemdiensten.

Kernpunten

Wereldwijd neemt de biodiversiteit af, en de oorzaak daarvan is bijna altijd terug te voeren op menselijk handelen. Het is handig om de bedreigingen in een vast rijtje te onthouden: habitatverlies en versnippering, vervuiling, klimaatverandering, overexploitatie, en invasieve exoten. Deze oorzaken werken zelden alleen; ze versterken elkaar en leiden samen tot verlies aan soorten, en daarmee tot minder veerkracht en minder ecosysteemdiensten. De figuur hiernaast brengt dat verband in beeld: verschillende oorzaken wijzen naar het centrale 'verlies aan soorten', dat vervolgens doorwerkt naar de gevolgen. Belangrijk om te onthouden is dat de bedreigingen ingrijpen op alle drie de niveaus van biodiversiteit uit de eerste paragraaf — ze verkleinen de genetische variatie, doen soorten uitsterven én laten hele ecosystemen verdwijnen. In deze paragraaf bekijken we de bedreigingen één voor één, zodat je ze in een examencontext kunt herkennen en uit elkaar kunt houden.
Verreweg de grootste bedreiging is het verlies van leefgebied, oftewel habitatverlies. Wanneer bos wordt gekapt, moeras wordt drooggelegd of natuur plaatsmaakt voor steden, wegen en landbouw, verdwijnt simpelweg de ruimte waarin soorten kunnen leven. Nauw verwant, maar net iets anders, is de versnippering: hierbij verdwijnt het leefgebied niet helemaal, maar wordt een groot aaneengesloten gebied opgeknipt in kleine, van elkaar geïsoleerde stukken, bijvoorbeeld door een snelweg dwars door een bos. Versnippering is verraderlijk omdat de overgebleven stukken te klein worden voor levensvatbare populaties: in een kleine, geïsoleerde populatie is weinig genetische variatie, treedt makkelijk inteelt op en is de kans op uitsterven veel groter. Zo tast versnippering rechtstreeks de genetische diversiteit (het eerste niveau) aan. Het onderscheid is echte examenstof: bij habitatverlies verdwijnt het leefgebied, bij versnippering blijft het bestaan maar raakt het opgedeeld.
Vervuiling is een volgende bedreiging. Bestrijdingsmiddelen, kunstmest, plastics en giftige stoffen komen in het milieu terecht en kunnen soorten direct vergiftigen of zich ophopen in de voedselketen, waardoor juist de toppredatoren de hoogste, schadelijkste concentraties binnenkrijgen. Een bekend voorbeeld is overbemesting: een teveel aan meststoffen leidt tot vermesting van het water, waardoor algen explosief groeien, het water troebel wordt en een zuurstofgebrek ontstaat dat andere soorten verdringt. Een volgende bedreiging is de klimaatverandering. Doordat de temperatuur sneller stijgt dan veel soorten zich kunnen aanpassen of kunnen meeverhuizen naar koelere gebieden, raken leefgebieden ongeschikt. Bovendien verschuiven de seizoenen, wat kan leiden tot een mismatch: als een plant eerder bloeit dan zijn bestuiver actief wordt, mislukt de bestuiving. Klimaatverandering gaat dus over veel meer dan alleen warmer weer.
De laatste twee bedreigingen zijn overexploitatie en invasieve exoten. Overexploitatie betekent dat de mens een soort sneller oogst dan die zich kan herstellen; overbevissing is het schoolvoorbeeld, waarbij visbestanden zo sterk teruglopen dat ze niet meer kunnen aangroeien, maar ook overbejaging en ontbossing horen erbij. Invasieve exoten zijn uitheemse soorten die — meestal door toedoen van de mens — in een nieuw gebied terechtkomen waar ze geen natuurlijke vijanden hebben. Daar kunnen ze zich ongeremd uitbreiden en inheemse soorten verdringen door ze weg te concurreren of op te eten. Let op het verschil: een exoot is gewoon een uitheemse soort, maar pas wanneer zo'n soort zich sterk uitbreidt ten koste van de inheemse natuur noem je hem invasief. Niet elke exoot wordt dus een probleem, maar een invasieve exoot kan een heel ecosysteem ontwrichten.
De bedreigingen — habitatverlies, versnippering, vervuiling, klimaatverandering, overexploitatie en invasieve exoten — staan zelden op zichzelf. Ze grijpen in elkaar en versterken elkaars effect: een versnipperd, vervuild gebied is veel gevoeliger voor een invasieve exoot of voor een klimaatschommeling dan een groot, gezond gebied. Het netto-effect is steeds hetzelfde, en dat zie je in de figuur hiernaast terug: de oorzaken leiden tot verlies aan soorten, en dat verlies werkt door naar minder veerkracht en minder ecosysteemdiensten — precies de waarden die je in de vorige paragraaf hebt leren kennen. Omdat het verlies onomkeerbaar is zodra een soort eenmaal is uitgestorven, is het tegengaan van deze bedreigingen urgent. In de laatste paragraaf draaien we het om en bekijken we hoe je biodiversiteit kunt behouden, waarbij elke maatregel gericht is op het tegengaan van een of meer van deze bedreigingen.
Uitgewerkt voorbeeld

Versnippering doordenken tot op genetisch niveau

Een groot bosgebied wordt door de aanleg van een snelweg in twee gescheiden helften gedeeld. Er verdwijnt nauwelijks bos, maar de dieren kunnen niet meer van de ene naar de andere helft. Beredeneer in stappen welk gevolg dit op de lange termijn heeft voor de biodiversiteit van een diersoort in dat bos.

  1. 01Stap 1 — Benoem de bedreiging

    Er verdwijnt bijna geen leefgebied, maar het gebied wordt wél opgedeeld in geïsoleerde stukken. Dit is dus geen habitatverlies maar versnippering.

  2. 02Stap 2 — Gevolg voor de populaties

    Doordat de dieren niet meer kunnen oversteken, ontstaan twee kleine, geïsoleerde populaties in plaats van één grote. Kleine populaties zijn kwetsbaarder en wisselen geen individuen — en dus geen genen — meer met elkaar uit.

  3. 03Stap 3 — Gevolg voor de genetische diversiteit

    Zonder uitwisseling daalt de genetische variatie in elke helft en treedt makkelijker inteelt op. Daardoor neemt het aanpassingsvermogen af en stijgt de kans op uitsterven.

Resultaat: Resultaat: de snelweg veroorzaakt versnippering, die via twee kleine, geïsoleerde populaties leidt tot minder genetische diversiteit en een grotere kans op uitsterven. Het laat zien hoe een bedreiging op het ecosysteemniveau (versnippering) doorwerkt tot op het genetische niveau van biodiversiteit.

Eindexamen-focus

  • Je moet de belangrijkste bedreigingen kunnen benoemen en met een voorbeeld uitleggen, met habitatverlies en versnippering als de grootste oorzaak van biodiversiteitsverlies.
  • Het examen toetst of je kunt beredeneren hoe versnippering via kleine, geïsoleerde populaties de genetische diversiteit verlaagt.

Veelgemaakte fouten

  • Habitatverlies en versnippering door elkaar halen. Bij habitatverlies verdwijnt het leefgebied; bij versnippering blijft het over maar wordt het opgedeeld in geïsoleerde stukken.
  • Een exoot automatisch invasief noemen. Een exoot is een uitheemse soort; pas als die zich sterk uitbreidt ten koste van inheemse soorten heet hij invasief.
  • Klimaatverandering alleen aan temperatuur koppelen. Ook verschuivende seizoenen en leefgebieden bedreigen soorten, bijvoorbeeld via een mismatch tussen bloei en bestuiver.

Actieve herhaling

Een natuurgebied wordt doorsneden door een nieuwe snelweg. Leg uit waarom dit niet vooral habitatverlies maar vooral versnippering is, en beredeneer welk gevolg dit op de lange termijn heeft voor de genetische diversiteit van een dierpopulatie in dat gebied.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Behoud en duurzaam beheer#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Bedreiging en passende maatregel

Bedreiging en maatregelTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Bedreiging · Maatregel; habitatverlies · natuurgebieden; versnippering · verbindingszones; overexploitatie · vangstquota; invasieve exoten · exoten bestrijdenBEDREIGINGMAATREGELHABITATVERLIESnatuurgebiedenVERSNIPPERINGverbindingszonesOVEREXPLOITATIEvangstquotaINVASIEVE EXOTENexoten bestrijden
Afb. 4Elke maatregel voor behoud is gericht op het tegengaan van een bepaalde bedreiging.

Kernpunten

Biodiversiteit behouden vraagt om twee dingen tegelijk: bestaande natuur beschermen en herstellen, én de natuur zó gebruiken dat ze niet uitgeput raakt. Voor het examen is de rode draad dat elke maatregel een antwoord is op een bepaalde bedreiging uit de vorige paragraaf. De figuur hiernaast zet die koppeling op een rij: tegenover habitatverlies staan natuurgebieden, tegenover versnippering verbindingszones, tegenover overexploitatie vangstquota, en tegenover invasieve exoten het bestrijden ervan. Wie een maatregel beoordeelt, kijkt dus altijd eerst welke onderliggende oorzaak hij aanpakt — een goede maatregel grijpt aan bij de oorzaak, niet alleen bij het symptoom. In deze paragraaf lopen we de belangrijkste vormen van behoud en duurzaam beheer langs: beschermde natuurgebieden, verbindingszones, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, monitoring met indicatorsoorten en internationale afspraken.
De meest directe maatregel tegen habitatverlies is het instellen van natuurgebieden: gebieden waar de natuur voorrang krijgt en bebouwing, landbouw of jacht beperkt of verboden zijn. Voorbeelden zijn natuurreservaten en de Europese Natura 2000-gebieden. Maar een verzameling losse natuurgebieden is niet genoeg, want de versnippering blijft dan bestaan. Daarom legt men verbindingszones aan — stroken natuur die geïsoleerde gebieden met elkaar verbinden, zodat dieren en planten zich tussen de gebieden kunnen verplaatsen. Een ecoduct of faunapassage over of onder een snelweg is hiervan een bekend voorbeeld. Het belang is precies het tegenovergestelde van het probleem uit de vorige paragraaf: door gebieden te verbinden, kunnen populaties weer individuen en dus genen uitwisselen, waardoor de genetische diversiteit op peil blijft en de kans op uitsterven daalt. Natuurgebieden beschermen dus het leefgebied; verbindingszones halen de schadelijke isolatie van versnippering weer weg.
Naast het beschermen van gebieden is duurzaam beheer onmisbaar, want de mens blijft de natuur gebruiken. Duurzaam betekent dat je natuurlijke hulpbronnen zó gebruikt dat ze ook in de toekomst beschikbaar blijven: je neemt niet meer weg dan er aangroeit. Bij duurzame visserij gebeurt dat met vangstquota — afspraken over hoeveel er maximaal gevangen mag worden, zodat de visstand zich kan herstellen. Bij duurzame bosbouw plant men nieuwe bomen terug, en in de kringlooplandbouw probeert men de bodem gezond te houden en het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest terug te dringen. De kern is steeds een balans: de mens mag oogsten, maar binnen de grenzen van wat het ecosysteem aankan. Daarmee is duurzaam beheer iets anders dan een gebied volledig met rust laten — het is verstandig gebruiken in plaats van uitputten, en juist die middenweg maakt het op grote schaal haalbaar.
Om te weten of het met de biodiversiteit beter of slechter gaat — en of maatregelen werken — is monitoring nodig: het systematisch volgen van de natuur in de tijd. Omdat je onmogelijk elke soort kunt tellen, maken biologen gebruik van indicatorsoorten. Een indicatorsoort is een soort die door zijn gevoeligheid iets verraadt over de toestand van een heel ecosysteem: als zo'n soort verdwijnt of juist terugkeert, zegt dat iets over de kwaliteit van het gebied. Korstmossen op boomstammen zijn bijvoorbeeld gevoelig voor luchtvervuiling, en bepaalde waterdiertjes geven de kwaliteit van slootwater aan. Door zulke soorten te tellen — of door een diversiteitsindex te berekenen — krijg je een eerlijk en herhaalbaar beeld van de trend, zonder alles te hoeven inventariseren. Stijgt de index na een maatregel, dan is dat een aanwijzing dat het de goede kant op gaat; daalt hij, dan moet het beheer worden bijgesteld. Monitoring sluit zo de cirkel: het controleert of het behoud daadwerkelijk effect heeft.
Biodiversiteit stopt niet bij de landsgrens: trekvogels, vissen en rivieren overschrijden grenzen, en bedreigingen als klimaatverandering en de handel in bedreigde dieren zijn mondiaal. Daarom zijn internationale afspraken nodig. Zo regelt het CITES-verdrag de handel in bedreigde planten en dieren, en hebben landen in internationale biodiversiteitsafspraken doelen vastgelegd om het verlies te stoppen. Het idee is dat alleen gezamenlijke afspraken grensoverschrijdende problemen kunnen aanpakken — één land dat zijn natuur beschermt, helpt weinig als de soort elders alsnog verdwijnt. Hiermee is de cirkel van dit onderwerp rond: je weet nu wat biodiversiteit is (drie niveaus), waarom ze belangrijk is (stabiliteit en ecosysteemdiensten), waardoor ze bedreigd wordt (de bedreigingen op een rij) en hoe je haar kunt behouden (van natuurgebieden tot internationale afspraken). De kern voor het examen is steeds verbanden leggen: koppel een voorbeeld aan het juiste niveau, een gevolg aan zijn oorzaak en een maatregel aan de bedreiging die hij tegengaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Een monitoringtrend met een indicatorsoort beoordelen

In een gebied wordt na het aanleggen van bloemrijke akkerranden het aantal soorten wilde bijen gevolgd als indicatorsoort. In drie opeenvolgende jaren worden achtereenvolgens 8, 14 en 19 soorten geteld. Interpreteer deze trend en beoordeel of de maatregel lijkt te werken.

  1. 01Stap 1 — Lees de trend af

    Het getelde aantal bijensoorten loopt op van 8 naar 14 naar 19 in drie jaar. Er is dus een duidelijk stijgende trend in de soortenrijkdom van de indicatorsoort.

  2. 02Stap 2 — Koppel de indicatorsoort aan de gebiedskwaliteit

    Wilde bijen zijn als indicatorsoort gekozen omdat hun aantal iets zegt over de kwaliteit van het leefgebied. Een toename van het aantal bijensoorten wijst op een verbetering van die kwaliteit, bijvoorbeeld door het grotere voedselaanbod uit de bloemrijke randen.

  3. 03Stap 3 — Beoordeel de maatregel

    Omdat de stijging samenvalt met het aanleggen van de akkerranden, is dit een aanwijzing dat de maatregel werkt. Zekerheid geeft het niet — er kunnen andere oorzaken meespelen — dus langere monitoring en een vergelijking met een gebied zonder randen blijven nodig.

Resultaat: Resultaat: de soortenrijkdom van de indicatorsoort stijgt van 8 naar 19 soorten, wat wijst op een verbeterende gebiedskwaliteit en erop duidt dat de bloemrijke akkerranden werken. Het voorbeeld laat zien hoe monitoring met een indicatorsoort controleert of een behoudmaatregel effect heeft — al blijft voorzichtigheid met de conclusie geboden.

Eindexamen-focus

  • Je moet maatregelen kunnen koppelen aan de bedreiging die ze tegengaan, bijvoorbeeld verbindingszones tegen versnippering en vangstquota tegen overexploitatie.
  • Het examen toetst het begrip indicatorsoort en de vraag waarom je met monitoring van indicatorsoorten de toestand van een ecosysteem kunt beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • Natuurgebieden en verbindingszones verwarren. Een natuurgebied beschermt leefgebied; een verbindingszone verbindt gescheiden gebieden zodat populaties kunnen uitwisselen.
  • Een indicatorsoort zien als 'de belangrijkste soort'. Het is een soort die door zijn gevoeligheid iets aangeeft over de toestand van het hele ecosysteem.
  • Denken dat duurzaam beheer betekent dat je een gebied helemaal met rust laat. Het betekent gebruiken zonder uit te putten — niet meer wegnemen dan er aangroeit.

Actieve herhaling

Een provincie wil twee gescheiden bosgebieden weer met elkaar verbinden. Leg uit welke maatregel hiervoor geschikt is en welke bedreiging die tegengaat. Leg daarna uit hoe de provincie met een indicatorsoort kan controleren of de maatregel werkt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat is biodiversiteit: drie niveaus○
    • 02Het belang van biodiversiteit◐
    • 03Bedreigingen voor de biodiversiteit◐
    • 04Behoud en duurzaam beheer◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Biodiversiteit: niveaus, belang en behoud

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~25
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma biologie (HAVO)

Vorig onderwerp

Soortvorming: populatie, variatie, selectie en het ontstaan van soorten

EuraStudy·Samenvattingen T·20·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.