EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Verslaggeving en jaarrekening
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · HAVO

Verslaggeving en jaarrekening

Domein G brengt de financiële administratie samen in de jaarrekening: de balans (de vermogenspositie op een moment) en de resultatenrekening (de winst over een periode). Je leert de opbouw van beide, de indeling in vaste en vlottende activa en in eigen en vreemd vermogen, en de belangrijkste kengetallen: de liquiditeit (current ratio, quick ratio), de solvabiliteit en de rentabiliteit. Je stelt een balans in evenwicht op, berekent de winst en de kengetallen en interpreteert ze.

3 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1

T·151515 / 16
Examenprofiel
Een balans opstellen en lezen: debet (bezittingen) tegenover credit (eigen en vreemd vermogen), altijd in evenwicht.Een resultatenrekening opstellen en de winst bepalen (opbrengsten − kosten).De liquiditeitskengetallen (current ratio, quick ratio) en de solvabiliteit berekenen en interpreteren.De rentabiliteit van het eigen en het totale vermogen berekenen en beoordelen.
Operatoren:berekenleg uitverklaarberedeneerinterpreteerbeoordeel

basisniveau

Zorg dat je een balans in evenwicht kunt opstellen, de winst uit een resultatenrekening kunt berekenen en de current ratio en solvabiliteit kunt bepalen.

verhoogd niveau

Redeneer over de kengetallen: waarom kijkt een bank vooral naar de solvabiliteit en de leverancier vooral naar de liquiditeit, en wat betekent een current ratio onder 1 of een lage solvabiliteit voor de continuïteit?

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Verslaggeving en jaarrekening
    • 01De balans○
    • 02De resultatenrekening◐
    • 03Kengetallen: liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit●
§ 01

De balans#

●○○BasisLPexamenblad-nl

De balans in evenwicht

De balansTabel met 3 kolommen en 9 rijen, Gegevens: Post · Debet (activa) · Credit (passiva); Gebouw · 200.000 · —; Machines · 80.000 · —; Voorraad · 50.000 · —; Debiteuren · 30.000 · —; Bank · 40.000 · —; Eigen vermogen · — · 160.000; Hypothecaire lening · — · 180.000; Crediteuren · — · 60.000; Balanstotaal · 400.000 · 400.000, gemarkeerde cel: BalanstotaalPOSTDEBET (ACTIVA)CREDIT (PASSIVA)Gebouw200.000—Machines80.000—Voorraad50.000—Debiteuren30.000—Bank40.000—Eigen vermogen—160.000Hypothecaire lening—180.000Crediteuren—60.000Balanstotaal400.000400.000Balans in evenwicht
Afb. 1Een balans in evenwicht. De activa (debet, samen € 400\,000) staan tegenover het eigen en vreemd vermogen (credit, samen € 400\,000). Het eigen vermogen (€ 160\,000) is berekend als sluitpost: bezittingen min vreemd vermogen.

Kernpunten

De balans is een momentopname van de financiële positie van een onderneming: een overzicht van wat zij bezit en hoe dat is gefinancierd, op een bepaald tijdstip. De balans heeft twee kanten die per definitie even groot zijn. Aan de debetkant (links) staan de bezittingen — de activa — die de onderneming gebruikt; aan de creditkant (rechts) staat het vermogen — de passiva — waarmee die bezittingen zijn betaald. De grondvergelijking luidt bezittingen=eigen vermogen+vreemd vermogen\text{bezittingen} = \text{eigen vermogen} + \text{vreemd vermogen}bezittingen=eigen vermogen+vreemd vermogen. Dat de twee kanten altijd gelijk zijn, is geen toeval maar een logische noodzaak: elke bezitting moet met een vermogensbron zijn gefinancierd. Vandaar de term 'balans' — de twee kanten houden elkaar in evenwicht.
De debetkant (de activa) wordt ingedeeld naar de tijd dat een bezitting in de onderneming blijft. Vaste activa zijn duurzame bezittingen die meerdere jaren meegaan: gebouwen, machines, inventaris, vervoermiddelen. Vlottende activa worden binnen een jaar in geld omgezet: de voorraad en de debiteuren (klanten die nog moeten betalen). De liquide middelen — kas en bank — zijn het meest liquide en staan onderaan de activa. De volgorde loopt doorgaans van minst naar meest liquide (van vaste activa boven naar liquide middelen onder). Deze indeling is belangrijk voor de liquiditeitskengetallen verderop, die kijken naar de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden.
De creditkant (de passiva) wordt ingedeeld naar de herkomst en de looptijd van het vermogen. Bovenaan staat het eigen vermogen: het vermogen van de eigenaren, dat blijvend beschikbaar is en het risico draagt. Daaronder het vreemd vermogen, opgesplitst in langlopend vreemd vermogen (leningen, hypotheken — looptijd langer dan een jaar) en kortlopend vreemd vermogen (crediteuren, rekening-courantkrediet, te betalen belastingen — binnen een jaar te voldoen). De volgorde loopt van het meest 'permanente' vermogen (eigen vermogen boven) naar het meest 'urgente' (kortlopende schulden onder). Deze indeling koppelt de balans aan de gouden balansregel (domein B2) en aan de solvabiliteit, die kijkt naar het aandeel eigen vermogen.
De balans en de resultatenrekening hangen samen via het eigen vermogen. Het eigen vermogen op de balans verandert door de winst (of het verlies) van de periode: winst verhoogt het eigen vermogen, verlies verlaagt het, en bij een eenmanszaak spelen ook de privéstortingen (+) en privéopnamen (−) mee. Zo sluit het resultaat uit de resultatenrekening aan op de balans: het eindkapitaal is het beginkapitaal plus de winst plus de stortingen min de opnamen. Dit verband — het eigen vermogen als schakel tussen de vermogenspositie (balans) en het resultaat (resultatenrekening) — is een centraal onderdeel van de verslaggeving en komt op het examen regelmatig terug in mutatieberekeningen van het eigen vermogen.
Het opstellen van een balans in evenwicht is een kernvaardigheid. Je zet alle bezittingen aan de debetkant en telt ze op; je zet het eigen vermogen en alle schulden aan de creditkant en telt die op; en beide totalen — het balanstotaal — moeten gelijk zijn. Is er één onbekende (bijvoorbeeld het eigen vermogen), dan bepaal je die als sluitpost: het verschil tussen de totale bezittingen en het totale vreemd vermogen. Klopt de balans niet, dan is er een post vergeten of verkeerd geplaatst. Op het examen moet je uit gegeven posten een balans kunnen samenstellen, de sluitpost berekenen en controleren dat debet gelijk is aan credit — de basis voor alle kengetallen die volgen.
bezittingen=eigen vermogen+vreemd vermogen\text{bezittingen} = \text{eigen vermogen} + \text{vreemd vermogen}bezittingen=eigen vermogen+vreemd vermogen

balansvergelijking

De debetkant (activa) is altijd gelijk aan de creditkant (passiva); het balanstotaal is aan beide kanten gelijk.

Uitgewerkt voorbeeld

Een balans opstellen met het eigen vermogen als sluitpost

Een onderneming heeft: gebouw € 200\,000, machines € 80\,000, voorraad € 50\,000, debiteuren € 30\,000, bank € 40\,000, een hypothecaire lening € 180\,000 en crediteuren € 60\,000. Bereken het eigen vermogen en controleer het evenwicht van de balans.

  1. 01Stap 1 — Tel de bezittingen (debet) op

    Som alle activa: vaste activa, voorraad, debiteuren en bank.

    200 000+80 000+50 000+30 000+40 000=400 000200\,000 + 80\,000 + 50\,000 + 30\,000 + 40\,000 = 400\,000200000+80000+50000+30000+40000=400000
  2. 02Stap 2 — Tel het vreemd vermogen op

    Som de hypothecaire lening en de crediteuren.

    180 000+60 000=240 000180\,000 + 60\,000 = 240\,000180000+60000=240000
  3. 03Stap 3 — Bereken het eigen vermogen als sluitpost

    Het eigen vermogen is het balanstotaal (bezittingen) min het vreemd vermogen.

    400 000−240 000=160 000400\,000 - 240\,000 = 160\,000400000−240000=160000

Resultaat: Resultaat: het eigen vermogen is € 160\,000. De debetkant (€ 400\,000 bezittingen) is gelijk aan de creditkant (€ 160\,000 eigen vermogen + € 240\,000 vreemd vermogen), dus de balans is in evenwicht.

Eindexamen-focus

  • Je moet een balans in evenwicht opstellen (bezittingen debet = eigen + vreemd vermogen credit) en een ontbrekende post als sluitpost berekenen.
  • Het examen verwacht dat je de activa (vast/vlottend/liquide) en passiva (eigen vermogen, langlopend en kortlopend vreemd vermogen) correct indeelt en het eigen vermogen als schakel met het resultaat kent.

Veelgemaakte fouten

  • De balans niet laten kloppen doordat een post aan de verkeerde kant of in de verkeerde categorie staat.
  • Vaste en vlottende activa of langlopend en kortlopend vreemd vermogen verwisselen, wat de liquiditeitskengetallen bederft.
  • Het eigen vermogen niet als sluitpost berekenen wanneer dat de onbekende is (bezittingen min vreemd vermogen).

Actieve herhaling

Een onderneming heeft: gebouw € 200\,000, machines € 80\,000, voorraad € 50\,000, debiteuren € 30\,000, bank € 40\,000, een hypothecaire lening € 180\,000 en crediteuren € 60\,000. Stel de balans op, bereken het eigen vermogen als sluitpost en controleer dat de balans in evenwicht is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De resultatenrekening#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Getrapte opbouw van de resultatenrekening

ResultatenrekeningTabel met 2 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Post · Bedrag; Netto-omzet · 500.000; Af: inkoopwaarde omzet · 300.000; Brutowinst · 200.000; Af: bedrijfskosten · 140.000; Bedrijfsresultaat · 60.000; Af: rentekosten · 10.000; Nettowinst · 50.000, gemarkeerde cel: NettowinstPOSTBEDRAGNETTO-OMZET500.000AF: INKOOPWAARDEOMZET300.000BRUTOWINST200.000AF: BEDRIJFSKOSTEN140.000BEDRIJFSRESULTAAT60.000AF: RENTEKOSTEN10.000NETTOWINST50.000Opbouw resultatenrekening
Afb. 2De getrapte opbouw van de resultatenrekening: van de netto-omzet naar de brutowinst (na de inkoopwaarde), via het bedrijfsresultaat (na de bedrijfskosten) naar de nettowinst (na de rente). Elke laag toont waar de winst ontstaat of weglekt.

Kernpunten

Waar de balans een momentopname is, toont de resultatenrekening (winst-en-verliesrekening) het resultaat over een héle periode: alle opbrengsten en alle kosten van bijvoorbeeld een jaar, met als saldo de winst of het verlies. De resultatenrekening beantwoordt de vraag 'heeft de onderneming in deze periode winst gemaakt, en waaruit kwam die?', terwijl de balans de vraag 'hoe staat de onderneming er op dit moment voor?' beantwoordt. Samen geven ze een compleet beeld: de balans de positie, de resultatenrekening de prestatie. Het is essentieel dit onderscheid — moment versus periode, positie versus resultaat — scherp te houden.
De kern van de resultatenrekening is eenvoudig: resultaat=opbrengsten−kosten\text{resultaat} = \text{opbrengsten} - \text{kosten}resultaat=opbrengsten−kosten. Zijn de opbrengsten groter dan de kosten, dan is er winst; zijn de kosten groter, dan is er verlies. De belangrijkste opbrengst is de omzet (netto-omzet: de verkopen exclusief btw). De kosten omvatten de inkoopwaarde van de verkopen (de inkoopprijs van wat is verkocht), de bedrijfskosten (huur, lonen, afschrijvingen, energie) en de rentekosten van het vreemd vermogen. Voor een handelsonderneming is een veelgebruikte tussenstap de brutowinst: de omzet min de inkoopwaarde van de omzet. Van die brutowinst gaan vervolgens de overige bedrijfskosten en de rente af om tot de nettowinst te komen.
De resultatenrekening kent een logische opbouw in lagen die op het examen terugkomt. Je begint met de netto-omzet, trekt daar de inkoopwaarde van de omzet van af en krijgt de brutowinst. Van de brutowinst trek je de bedrijfskosten (personeel, huisvesting, afschrijving, verkoopkosten) af en houdt het bedrijfsresultaat over. Daarna volgen de financiële baten en lasten (vooral de rentekosten), wat leidt tot de winst vóór belasting. Bij een bv trek je ten slotte de vennootschapsbelasting af om tot de nettowinst te komen. Deze getrapte opbouw laat zien wáár de winst ontstaat of weglekt, en maakt het mogelijk om per laag te analyseren waarom het resultaat verandert.
De resultatenrekening werkt met het toerekeningsbeginsel: opbrengsten en kosten worden toegerekend aan de periode waarin ze zijn ontstaan, niet aan de periode waarin het geld beweegt. Een verkoop op rekening telt als opbrengst in de maand van levering, ook al betaalt de klant later; de afschrijving telt als kost in het jaar van gebruik, ook al is de machine eerder betaald. Dit is hetzelfde onderscheid als tussen de exploitatiebegroting en de liquiditeitsbegroting uit domein B2: winst is niet hetzelfde als kasgeld. Een onderneming kan winst maken en toch krap bij kas zitten, of verlies lijden en toch geld op de rekening hebben. De resultatenrekening meet de winst, niet de liquiditeit.
Het resultaat uit de resultatenrekening sluit aan op de balans via het eigen vermogen, wat de twee eindstukken tot één geheel verbindt. De nettowinst wordt toegevoegd aan het eigen vermogen (bij een verlies wordt het eigen vermogen kleiner); bij een bv wordt de winst verdeeld over dividend en reserves (domein B3), bij een eenmanszaak spelen de privéopnamen en -stortingen mee. Zo klopt het geheel: het eindkapitaal op de balans is het beginkapitaal plus het resultaat, gecorrigeerd voor uitkeringen en privémutaties. Voor het examen komt het erop aan dat je een resultatenrekening kunt opstellen en lezen, de brutowinst en de nettowinst kunt berekenen, en het resultaat kunt koppelen aan de verandering van het eigen vermogen op de balans.
resultaat=opbrengsten−kosten\text{resultaat} = \text{opbrengsten} - \text{kosten}resultaat=opbrengsten−kosten

resultaat

Opbrengsten groter dan kosten geeft winst; kosten groter dan opbrengsten geeft verlies.

brutowinst=netto-omzet−inkoopwaarde van de omzet\text{brutowinst} = \text{netto-omzet} - \text{inkoopwaarde van de omzet}brutowinst=netto-omzet−inkoopwaarde van de omzet

brutowinst

De marge op de verkopen vóór aftrek van de bedrijfskosten; van de brutowinst gaan de overige kosten af.

Uitgewerkt voorbeeld

Brutowinst en nettowinst berekenen

Een handelsonderneming heeft over een jaar: netto-omzet € 500\,000, inkoopwaarde van de omzet € 300\,000, bedrijfskosten (personeel, huisvesting, afschrijving) samen € 140\,000 en rentekosten € 10\,000. Bereken de brutowinst en de nettowinst, en geef de verandering van het eigen vermogen (geen privémutaties).

  1. 01Stap 1 — Bereken de brutowinst

    Trek de inkoopwaarde van de omzet van de netto-omzet af.

    500 000−300 000=200 000500\,000 - 300\,000 = 200\,000500000−300000=200000
  2. 02Stap 2 — Trek de bedrijfskosten af tot het bedrijfsresultaat

    Van de brutowinst gaan de bedrijfskosten af.

    200 000−140 000=60 000200\,000 - 140\,000 = 60\,000200000−140000=60000
  3. 03Stap 3 — Trek de rente af tot de nettowinst

    Van het bedrijfsresultaat gaan de rentekosten af (een eenmanszaak betaalt geen vennootschapsbelasting op dit resultaat).

    60 000−10 000=50 00060\,000 - 10\,000 = 50\,00060000−10000=50000

Resultaat: Resultaat: de brutowinst is € 200\,000 en de nettowinst € 50\,000. Zonder privémutaties stijgt het eigen vermogen met de nettowinst, dus met € 50\,000 — zo sluit de resultatenrekening aan op de balans.

Eindexamen-focus

  • Je moet de winst berekenen als opbrengsten − kosten, met tussenstappen als brutowinst (omzet − inkoopwaarde) en het aftrekken van bedrijfskosten en rente.
  • Het examen verwacht dat je het toerekeningsbeginsel toepast (winst ≠ kasgeld) en het resultaat koppelt aan de verandering van het eigen vermogen op de balans.

Veelgemaakte fouten

  • De inkoopwaarde van de omzet verwarren met de inkopen van de periode; alleen de inkoopwaarde van wat is verkocht hoort in de resultatenrekening.
  • Winst en kasgeld gelijkstellen; door het toerekeningsbeginsel is de winst niet gelijk aan de geldstroom.
  • De btw als opbrengst of kost meenemen; de resultatenrekening werkt met bedragen exclusief btw.

Actieve herhaling

Een handelsonderneming heeft over een jaar: netto-omzet € 500\,000, inkoopwaarde van de omzet € 300\,000, personeelskosten € 90\,000, huisvestingskosten € 30\,000, afschrijvingen € 20\,000 en rentekosten € 10\,000. Bereken de brutowinst en de nettowinst, en geef de verandering van het eigen vermogen als er geen privémutaties zijn.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Kengetallen: liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kengetallen tegen hun norm

Liquiditeitskengetallen versus normKolomdiagram: ratio naar kengetal, Gegevens: berekend · Current ratio: 1.5; berekend · Quick ratio: 0.75; norm (vuistregel) · Current ratio: 1.5; norm (vuistregel) · Quick ratio: 100.20.40.60.811.21.4Current rat…Quick ratio1.51.50.751ratiokengetalberekendnorm (vuistregel)
Afb. 3De liquiditeitskengetallen naast hun vuistnorm. De current ratio (1,5) haalt de norm, maar de quick ratio (0,75) ligt onder de norm van ongeveer 1: zonder de voorraad zijn de snel liquide middelen krap ten opzichte van de kortlopende schulden.

Kernpunten

Uit de balans en de resultatenrekening berekent men kengetallen: verhoudingsgetallen die de financiële gezondheid van de onderneming samenvatten en vergelijkbaar maken. Drie families zijn belangrijk. De liquiditeit meet of de onderneming haar kortlopende schulden op tijd kan betalen. De solvabiliteit meet of zij op lange termijn aan al haar verplichtingen kan voldoen en hoe groot haar buffer is. De rentabiliteit meet het rendement: hoeveel winst zij haalt op het geïnvesteerde vermogen. Elke belanghebbende kijkt naar een ander kengetal: een leverancier vooral naar de liquiditeit (word ik op tijd betaald?), een bank vooral naar de solvabiliteit (is mijn lening veilig?), en een eigenaar vooral naar de rentabiliteit (wat levert mijn geld op?).
De liquiditeit wordt gemeten met de current ratio en de quick ratio. De current ratio zet de vlottende activa (inclusief voorraad) af tegen de kortlopende schulden: current ratio=vlottende activa+liquide middelenkort vreemd vermogen\text{current ratio} = \frac{\text{vlottende activa} + \text{liquide middelen}}{\text{kort vreemd vermogen}}current ratio=kort vreemd vermogenvlottende activa+liquide middelen​. Een current ratio van 1 betekent dat de vlottende activa precies de kortlopende schulden dekken; als vuistregel wordt vaak een waarde tussen ongeveer 1,5 en 2 als gezond gezien. De quick ratio is strenger: die laat de voorraad weg (omdat voorraad niet altijd snel in geld is om te zetten) en deelt alleen de snel liquide activa (debiteuren en liquide middelen) door de kortlopende schulden. Een quick ratio rond de 1 geldt als gezond. Zakt een ratio onder 1, dan dreigen betalingsproblemen op korte termijn.
De solvabiliteit meet de weerbaarheid op lange termijn en kan op twee gelijkwaardige manieren worden uitgedrukt. De meest gebruikte is het eigen vermogen als deel van het totale vermogen: solvabiliteit=eigen vermogentotaal vermogen×100%\text{solvabiliteit} = \frac{\text{eigen vermogen}}{\text{totaal vermogen}} \times 100\%solvabiliteit=totaal vermogeneigen vermogen​×100%. Een hoog percentage betekent een grote eigen buffer en dus weinig risico voor de schuldeisers: de onderneming kan veel verlies opvangen voordat het vreemd vermogen in gevaar komt. Een lage solvabiliteit betekent veel vreemd vermogen en dus een groter risico, en maakt het moeilijker en duurder om nog te lenen (zie het hefboomeffect, domein D2). Banken hanteren vaak een minimumeis voor de solvabiliteit voordat zij krediet verstrekken, omdat zij daarmee zien hoeveel buffer er is.
De rentabiliteit meet het rendement en kent, zoals bij het hefboomeffect, twee vormen. De rentabiliteit van het eigen vermogen (REV) is de nettowinst als percentage van het eigen vermogen: REV=nettowinsteigen vermogen×100%\text{REV} = \frac{\text{nettowinst}}{\text{eigen vermogen}} \times 100\%REV=eigen vermogennettowinst​×100% — het rendement voor de eigenaren. De rentabiliteit van het totale vermogen (RTV) is de winst vóór rente als percentage van het totale vermogen: RTV=winst voˊoˊr rentetotaal vermogen×100%\text{RTV} = \frac{\text{winst vóór rente}}{\text{totaal vermogen}} \times 100\%RTV=totaal vermogenwinst voˊoˊr rente​×100% — het rendement van al het vermogen. Beide vergelijk je met een norm: de REV met wat de eigenaar minimaal wil verdienen, de RTV met de rente op het vreemd vermogen. Ligt de RTV boven de rente, dan werkt de hefboom positief en ligt de REV boven de RTV.
Kengetallen krijgen pas betekenis in context: je vergelijkt ze met een norm, met voorgaande jaren of met branchegenoten. Een current ratio van 1,8 klinkt goed, maar als de branche gemiddeld 2,5 heeft, staat de onderneming er relatief zwak voor; een dalende reeks over de jaren is een waarschuwingssignaal. Bovendien vullen de kengetallen elkaar aan: een onderneming kan winstgevend zijn (hoge rentabiliteit) maar toch krap bij kas (lage liquiditeit), of solvabel maar weinig rendabel. Voor het examen komt het erop aan dat je de kengetallen correct berekent uit de balans en de resultatenrekening, ze interpreteert vanuit het juiste stakeholderperspectief, en beoordeelt of de onderneming er financieel gezond voor staat — het sluitstuk van de verslaggeving.
current ratio=vlottende activa+liquide middelenkort vreemd vermogen\text{current ratio} = \frac{\text{vlottende activa} + \text{liquide middelen}}{\text{kort vreemd vermogen}}current ratio=kort vreemd vermogenvlottende activa+liquide middelen​

current ratio

Meet of de vlottende activa (incl. voorraad) de kortlopende schulden dekken; gezond vaak 1,5–2.

quick ratio=debiteuren+liquide middelenkort vreemd vermogen\text{quick ratio} = \frac{\text{debiteuren} + \text{liquide middelen}}{\text{kort vreemd vermogen}}quick ratio=kort vreemd vermogendebiteuren+liquide middelen​

quick ratio

Strenger dan de current ratio: zonder voorraad; gezond rond de 1.

solvabiliteit=eigen vermogentotaal vermogen×100%\text{solvabiliteit} = \frac{\text{eigen vermogen}}{\text{totaal vermogen}} \times 100\%solvabiliteit=totaal vermogeneigen vermogen​×100%

solvabiliteit

Het aandeel eigen vermogen; een grote buffer betekent weinig risico voor de schuldeisers.

Uitgewerkt voorbeeld

Liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit berekenen

Een onderneming heeft: voorraad € 60\,000, debiteuren € 40\,000, liquide middelen € 20\,000, kort vreemd vermogen € 80\,000, eigen vermogen € 150\,000, totaal vermogen € 400\,000 en een nettowinst van € 24\,000. Bereken de current ratio, de quick ratio, de solvabiliteit en de REV, en beoordeel de liquiditeit.

  1. 01Stap 1 — Bereken de current ratio

    Tel alle vlottende activa (voorraad, debiteuren, liquide middelen) op en deel door het kort vreemd vermogen.

    60 000+40 000+20 00080 000=120 00080 000=1,5\frac{60\,000 + 40\,000 + 20\,000}{80\,000} = \frac{120\,000}{80\,000} = 1{,}58000060000+40000+20000​=80000120000​=1,5
  2. 02Stap 2 — Bereken de quick ratio

    Laat de voorraad weg: alleen debiteuren en liquide middelen gedeeld door het kort vreemd vermogen.

    40 000+20 00080 000=60 00080 000=0,75\frac{40\,000 + 20\,000}{80\,000} = \frac{60\,000}{80\,000} = 0{,}758000040000+20000​=8000060000​=0,75
  3. 03Stap 3 — Bereken de solvabiliteit en de REV

    Solvabiliteit is eigen vermogen gedeeld door totaal vermogen; de REV is de nettowinst gedeeld door het eigen vermogen.

    solv.=150 000400 000×100%=37,5%;REV=24 000150 000×100%=16%\text{solv.} = \frac{150\,000}{400\,000} \times 100\% = 37{,}5\%; \quad \text{REV} = \frac{24\,000}{150\,000} \times 100\% = 16\%solv.=400000150000​×100%=37,5%;REV=15000024000​×100%=16%
  4. 04Stap 4 — Beoordeel de liquiditeit

    De current ratio (1,5) haalt de vuistnorm, maar de quick ratio (0,75) ligt onder de norm van circa 1: zonder de voorraad kan de onderneming haar kortlopende schulden krap dekken.

    current 1,5  OK,quick 0,75<1  krap\text{current } 1{,}5 \; \text{OK}, \quad \text{quick } 0{,}75 < 1 \; \text{krap}current 1,5OK,quick 0,75<1krap

Resultaat: Resultaat: current ratio 1,5, quick ratio 0,75, solvabiliteit 37,5% en REV 16%. De liquiditeit is wisselend: op basis van de current ratio net gezond, maar de lage quick ratio waarschuwt dat de onderneming sterk op haar voorraad leunt om de kortlopende schulden te dekken.

Eindexamen-focus

  • Je moet de current ratio, de quick ratio, de solvabiliteit (EVTV×100%\frac{EV}{TV} \times 100\%TVEV​×100%) en de rentabiliteit (REV en RTV) uit de balans en de resultatenrekening berekenen.
  • Het examen verwacht dat je de kengetallen interpreteert vanuit het juiste belang (leverancier → liquiditeit, bank → solvabiliteit, eigenaar → rentabiliteit) en met een norm vergelijkt.

Veelgemaakte fouten

  • Bij de quick ratio de voorraad niet weglaten; de quick ratio telt alleen de snel liquide activa (debiteuren en liquide middelen).
  • Liquiditeit en solvabiliteit verwarren: liquiditeit gaat over korte-termijnbetaling, solvabiliteit over de vermogensbuffer op lange termijn.
  • Bij de rentabiliteit van het totale vermogen de winst ná rente gebruiken; de RTV werkt met de winst vóór rente.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft: voorraad € 60\,000, debiteuren € 40\,000, liquide middelen € 20\,000, kort vreemd vermogen € 80\,000, eigen vermogen € 150\,000 en een totaal vermogen van € 400\,000. De nettowinst is € 24\,000. Bereken de current ratio, de quick ratio, de solvabiliteit en de rentabiliteit van het eigen vermogen, en beoordeel de liquiditeit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01De balans○
    • 02De resultatenrekening◐
    • 03Kengetallen: liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Verslaggeving en jaarrekening

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO)

Vorig onderwerp

Kosten- en winstvraagstukken

Volgend onderwerp

Keuzeonderwerpen (domein H)

EuraStudy·Samenvattingen T·15·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.