EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Keuzeonderwerpen (domein H)
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · HAVO

Keuzeonderwerpen (domein H)

Domein H is keuzestof: de school kiest binnen dit vak verdiepende onderwerpen die in het schoolexamen (SE) worden getoetst, niet in het centraal examen (CE). Deze samenvatting behandelt drie veelgekozen verdiepingen — de verwerking van een niet-commerciële organisatie, de begroting en resultatenanalyse (verschillenanalyse), en duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen — telkens eerlijk gekaderd als keuze- en schoolexamenstof en als toepassing van de eerdere domeinen.

3 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1

T·161616 / 16
Examenprofiel
Verdieping — keuze- en schoolexamenstof (domein H): de school bepaalt de onderwerpen; deze worden in het SE getoetst, niet in het CE.Een niet-commerciële organisatie (vereniging/stichting) financieel verwerken: begroting, exploitatieoverzicht en staat van baten en lasten.Een begroting vergelijken met de realisatie en de verschillen (resultatenanalyse) verklaren.Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen bedrijfseconomisch beoordelen (kosten, baten, langetermijnwaarde).
Operatoren:berekenleg uitverklaarberedeneerbeoordeel

basisniveau

Zorg dat je een begroting met de werkelijke cijfers kunt vergelijken en het verschil kunt benoemen, en dat je de baten en lasten van een vereniging kunt ordenen.

verhoogd niveau

Redeneer over de verschillen tussen begroting en realisatie (prijs- versus hoeveelheidsverschil) en over de bedrijfseconomische afweging bij duurzaam ondernemen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Keuzeonderwerpen (domein H)
    • 01Keuzeonderwerpen: kader en positie in het examen○
    • 02Begroting en resultatenanalyse (verschillenanalyse)●
    • 03Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen◐
§ 01

Keuzeonderwerpen: kader en positie in het examen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Positie van domein H in het examen

Domein H in het examenGraaf, Domeinen A–G → Centraal examen (CE), Domeinen A–G → Schoolexamen (SE), Domein H (keuze) → Schoolexamen (SE)Domeinen A–GDomein H (keuze)Centraal examen(CE)Schoolexamen(SE)
Afb. 1De centraal-examendomeinen worden getoetst in het CE (en deels in het SE); domein H (keuzeonderwerpen) hoort uitsluitend tot het schoolexamen. Welke keuzeonderwerpen meetellen, bepaalt de school in het PTA.

Kernpunten

Domein H bestaat uit keuzeonderwerpen, en het is belangrijk om eerlijk te weten wat dat betekent voor het examen. Het examenprogramma van het CvTE laat de school binnen dit domein een keuze maken uit verdiepende onderwerpen; niet elke school behandelt dezelfde. Deze onderwerpen worden getoetst in het schoolexamen (SE) en horen niet tot de stof van het centraal examen (CE). Voor het CE hoef je domein H dus niet te beheersen, maar voor het SE wél — welke onderwerpen jouw school kiest, staat in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA). Deze samenvatting kadert de behandelde onderwerpen daarom uitdrukkelijk als verdieping en schoolexamenstof, niet als CE-stof.
De keuzeonderwerpen zijn geen losse nieuwe leerstof, maar verdiepingen en toepassingen van de domeinen A tot en met G. Een niet-commerciële organisatie (vereniging, stichting) financieel verwerken bouwt voort op de organisatievormen van domein B4 en de administratie van domein F. Een begroting vergelijken met de realisatie bouwt voort op de begrotingen van domein B2 en de kosten van domein F2. Duurzaam ondernemen bouwt voort op de stakeholders en het maatschappelijk verantwoord ondernemen van domein B4 en op de marketing van domein E3. De keuzeonderwerpen laten dus vooral zien dat je de eerdere begrippen kunt toepassen in een nieuwe of specifiekere context — precies wat het schoolexamen toetst.
Omdat de invulling per school verschilt, richt deze samenvatting zich op drie veelgekozen en representatieve verdiepingen die goed aansluiten bij de kern van het vak: de financiële verwerking van een niet-commerciële organisatie, de begroting en resultatenanalyse (het verklaren van verschillen tussen begroting en werkelijkheid), en het bedrijfseconomisch beoordelen van duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Deze drie zijn gekozen omdat ze de brug slaan tussen de theorie en een concrete toepassing en omdat ze de vaardigheden van domein A (rekenen, redeneren, benaderingswijzen) opnieuw oefenen. Behandelt jouw school andere keuzeonderwerpen, dan blijft de werkwijze — begrippen uit A–G toepassen op een context — dezelfde.
Voor het schoolexamen is het van belang dat je de gekozen onderwerpen niet alleen kent, maar ook kunt toepassen en beredeneren op het niveau dat de eerdere domeinen vragen. Het SE toetst vaak wat dieper of specifieker dan het CE en kan verschillende vraagvormen gebruiken, van berekeningen tot betogen. De honesteitsregel geldt hier extra: presenteer keuzestof nooit als CE-stof, en baseer je voorbereiding op het PTA van je eigen school. Wat volgt zijn drie uitgewerkte verdiepingen die je de denk- en rekenwijze aanreiken; de exacte onderwerpen en de weging in het SE bepaalt jouw school.
Ten slotte verbindt domein H de losse domeinen tot een geheel en laat het zien waartoe je de leerstof kunt gebruiken. Een vereniging runnen, een begroting bewaken, of duurzaam ondernemen zijn geen aparte vakgebieden maar toepassingen waarin je organisatiekennis (B, C), financieringskennis (D), marketingkennis (E) en administratiekennis (F, G) tegelijk inzet. Zo is domein H het onderdeel waarin de bedrijfseconomie het dichtst bij de praktijk komt. De drie volgende onderdelen werken elk één verdieping uit, telkens met de nadruk op de toepassing van eerder geleerde begrippen — en telkens eerlijk gekaderd als keuze- en schoolexamenstof.
Uitgewerkt voorbeeld

De positie van domein H bepalen

Een leerling denkt dat hij domein H moet kennen voor het centraal examen. Leg uit of dat klopt, waar hij vindt welke keuzeonderwerpen voor hem gelden, en hoe domein H wordt getoetst.

  1. 01Stap 1 — Bepaal de status van domein H

    Domein H is keuzestof die niet tot het centraal examen behoort, dus voor het CE hoeft de leerling het niet te kennen.

    domein H∉CE-stof\text{domein H} \notin \text{CE-stof}domein H∈/CE-stof
  2. 02Stap 2 — Vind de geldende onderwerpen

    Welke keuzeonderwerpen meetellen, staat in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) van zijn school.

    keuzeonderwerpen→PTA van de school\text{keuzeonderwerpen} \to \text{PTA van de school}keuzeonderwerpen→PTA van de school
  3. 03Stap 3 — Benoem de toetsing

    Domein H wordt getoetst in het schoolexamen (SE), niet in het CE.

    domein H→SE\text{domein H} \to \text{SE}domein H→SE

Resultaat: Resultaat: de leerling hoeft domein H niet voor het centraal examen te kennen; het is keuzestof die in het schoolexamen wordt getoetst. Welke onderwerpen voor hem gelden, staat in het PTA van zijn school.

Eindexamen-focus

  • Je moet weten dat domein H keuzestof is die de school bepaalt en die in het SE (niet het CE) wordt getoetst; raadpleeg het PTA voor de onderwerpen van je school.
  • Het examen (SE) verwacht dat je de begrippen uit de domeinen A tot en met G kunt toepassen in de gekozen verdiepende context.

Veelgemaakte fouten

  • Keuzestof van domein H als centraal-examenstof beschouwen; deze onderwerpen horen tot het schoolexamen.
  • Aannemen dat elke school dezelfde keuzeonderwerpen behandelt; de keuze staat in het PTA en verschilt per school.
  • De keuzeonderwerpen als volledig nieuwe stof zien in plaats van als toepassing en verdieping van de eerdere domeinen.

Actieve herhaling

Leg uit waarom de onderwerpen van domein H per school kunnen verschillen en waar je terugvindt welke onderwerpen voor jou tot de stof horen. Benoem daarbij het verschil in toetsing tussen domein H en de centraal-examendomeinen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Begroting en resultatenanalyse (verschillenanalyse)#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Omzetverschil opgesplitst

Verschillenanalyse van de omzetTabel met 2 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Verschil · Bedrag; Hoeveelheidsverschil · +5.000 (V); Prijsverschil · −4.200 (N); Totaal omzetverschil · +800 (V), gemarkeerde cel: Totaal omzetverschilVERSCHILBEDRAGHOEVEELHEIDSVERSCHIL+5.000 (V)PRIJSVERSCHIL−4.200 (N)TOTAALOMZETVERSCHIL+800 (V)Omzetverschil opgesplitst (V = voordelig, N = nadelig)
Afb. 2Het totale omzetverschil (+€ 800) ontleed: een voordelig hoeveelheidsverschil van € 5\,000 (meer verkocht) en een nadelig prijsverschil van € 4\,200 (lagere prijs). De ontleding laat zien dat de hogere afzet de lagere prijs net overtrof.

Kernpunten

Een veelgekozen verdieping is de resultatenanalyse: het vergelijken van de begroting met de werkelijke uitkomst en het verklaren van de verschillen. Een begroting (domein B2) is een vooraf gemaakt plan; aan het eind van de periode zet je daar de realisatie naast — wat er werkelijk is gebeurd. Het verschil tussen begroot en werkelijk resultaat heet het totale resultaatverschil, en dat wil je niet alleen kennen maar ook verklaren: kwam het doordat je meer of minder verkocht dan gepland, of doordat de prijzen of kosten anders uitpakten? Deze analyse helpt de onderneming te sturen: zij ziet waar het plan afweek en kan bijsturen. Het is een directe toepassing van het rekenen en redeneren uit domein A.
Het totale verschil in de omzet of de kosten valt uiteen in twee soorten deelverschillen, en dat onderscheid is de kern van de verschillenanalyse. Het hoeveelheidsverschil ontstaat doordat de werkelijke hoeveelheid (afzet of verbruik) afwijkt van de begrote hoeveelheid; het prijsverschil ontstaat doordat de werkelijke prijs (verkoopprijs of inkoopprijs) afwijkt van de begrote prijs. Voor de omzet geldt bijvoorbeeld: het hoeveelheidsverschil is (werkelijke afzet−begrote afzet)×begrote prijs(\text{werkelijke afzet} - \text{begrote afzet}) \times \text{begrote prijs}(werkelijke afzet−begrote afzet)×begrote prijs, en het prijsverschil is (werkelijke prijs−begrote prijs)×werkelijke afzet(\text{werkelijke prijs} - \text{begrote prijs}) \times \text{werkelijke afzet}(werkelijke prijs−begrote prijs)×werkelijke afzet. Samen verklaren deze twee het volledige omzetverschil. Zo weet de onderneming of een tegenvallende omzet aan een lagere afzet of aan een lagere prijs lag — een cruciaal verschil voor de te nemen maatregel.
De verschillen krijgen een teken dat aangeeft of ze gunstig of ongunstig zijn voor het resultaat. Een verschil is voordelig als het de winst verhoogt (meer omzet dan begroot, of lagere kosten dan begroot) en nadelig als het de winst verlaagt (minder omzet, of hogere kosten). Bij de omzet is meer verkopen of een hogere prijs voordelig; bij de kosten is minder verbruiken of een lagere inkoopprijs voordelig. Het is belangrijk het teken zorgvuldig te bepalen: een 'hoger dan begroot' is bij opbrengsten voordelig, maar bij kosten juist nadelig. Op het examen moet je niet alleen het bedrag maar ook het karakter (voordelig/nadelig) van elk verschil aangeven.
De verschillenanalyse werkt hetzelfde voor de kosten, met een hoeveelheids- en een prijsverschil. Het hoeveelheids- of efficiencyverschil bij de variabele kosten ontstaat doordat je per product meer of minder grondstof of tijd verbruikte dan begroot; het prijsverschil doordat de inkoopprijs van de grondstof of het uurtarief afweek. Zo kan een kostenoverschrijding komen doordat je duurder inkocht (prijsverschil) óf doordat je meer verbruikte dan gepland (hoeveelheidsverschil), en die twee vragen om verschillende maatregelen: scherper inkopen versus efficiënter produceren. De analyse maakt dus zichtbaar wáár het misging, niet alleen dát het misging — de reden dat bedrijven hun begroting bewaken met een resultatenanalyse.
De resultatenanalyse sluit de kringloop van het begroten en verantwoorden: je maakt vooraf een begroting (B2), voert het jaar uit, legt de werkelijkheid vast in de administratie (F, G), en verklaart achteraf de verschillen om te leren en bij te sturen. Voor het schoolexamen komt het erop aan dat je het totale resultaatverschil kunt opsplitsen in een hoeveelheids- en een prijsverschil, elk verschil van het juiste teken (voordelig/nadelig) kunt voorzien, en kunt uitleggen wat het betekent en welke maatregel erbij past. Zo is deze verdieping een rijke toepassing van bijna alle eerdere domeinen tegelijk, en oefent zij precies het analytische redeneren dat de bedrijfseconomie kenmerkt.
hoeveelheidsverschil=(werkelijke afzet−begrote afzet)×begrote prijs\text{hoeveelheidsverschil} = (\text{werkelijke afzet} - \text{begrote afzet}) \times \text{begrote prijs}hoeveelheidsverschil=(werkelijke afzet−begrote afzet)×begrote prijs

hoeveelheidsverschil (omzet)

Het deel van het omzetverschil dat door de afwijkende afzet komt, tegen de begrote prijs gewaardeerd.

prijsverschil=(werkelijke prijs−begrote prijs)×werkelijke afzet\text{prijsverschil} = (\text{werkelijke prijs} - \text{begrote prijs}) \times \text{werkelijke afzet}prijsverschil=(werkelijke prijs−begrote prijs)×werkelijke afzet

prijsverschil (omzet)

Het deel van het omzetverschil dat door de afwijkende prijs komt, over de werkelijke afzet.

Uitgewerkt voorbeeld

Het omzetverschil ontleden in hoeveelheid en prijs

Een bedrijf begrootte 4\,000 stuks tegen € 25; werkelijk verkocht het 4\,200 stuks tegen € 24. Bereken de begrote en werkelijke omzet, het totale omzetverschil, en splits dat in een hoeveelheids- en een prijsverschil met vermelding voordelig/nadelig.

  1. 01Stap 1 — Bereken de begrote en werkelijke omzet

    Vermenigvuldig telkens afzet maal prijs.

    begroot=4 000×25=100 000;werkelijk=4 200×24=100 800\text{begroot} = 4\,000 \times 25 = 100\,000; \quad \text{werkelijk} = 4\,200 \times 24 = 100\,800begroot=4000×25=100000;werkelijk=4200×24=100800
  2. 02Stap 2 — Bereken het totale omzetverschil

    Werkelijke omzet min begrote omzet; positief is voordelig.

    100 800−100 000=+800  (voordelig)100\,800 - 100\,000 = +800 \; (\text{voordelig})100800−100000=+800(voordelig)
  3. 03Stap 3 — Bereken het hoeveelheidsverschil

    Het verschil in afzet, gewaardeerd tegen de begrote prijs; meer verkocht is voordelig.

    (4 200−4 000)×25=200×25=+5 000  (V)(4\,200 - 4\,000) \times 25 = 200 \times 25 = +5\,000 \; (\text{V})(4200−4000)×25=200×25=+5000(V)
  4. 04Stap 4 — Bereken het prijsverschil

    Het verschil in prijs, over de werkelijke afzet; een lagere prijs is nadelig.

    (24−25)×4 200=−1×4 200=−4 200  (N)(24 - 25) \times 4\,200 = -1 \times 4\,200 = -4\,200 \; (\text{N})(24−25)×4200=−1×4200=−4200(N)

Resultaat: Resultaat: de omzet steeg met € 800 (voordelig). Dat totaal bestaat uit een voordelig hoeveelheidsverschil van +€ 5\,000 (200 stuks meer verkocht tegen de begrote prijs) en een nadelig prijsverschil van −€ 4\,200 (de prijs lag € 1 lager over 4\,200 stuks). De extra afzet overtrof net de lagere prijs; +5\,000 − 4\,200 = +800, wat klopt met het totale verschil.

Eindexamen-focus

  • Je moet een begroting met de realisatie vergelijken, het totale verschil opsplitsen in een hoeveelheidsverschil en een prijsverschil, en elk verschil als voordelig of nadelig aanduiden.
  • Het schoolexamen verwacht dat je verklaart waar het verschil vandaan komt (afzet versus prijs, verbruik versus inkoopprijs) en welke bijsturing daarbij past.

Veelgemaakte fouten

  • Het teken verkeerd bepalen: bij opbrengsten is 'hoger dan begroot' voordelig, bij kosten juist nadelig.
  • Het hoeveelheids- en het prijsverschil door elkaar halen of niet met de juiste (begrote of werkelijke) waarde vermenigvuldigen.
  • Alleen het totale verschil melden zonder het te ontleden in de oorzaken (afzet versus prijs).

Actieve herhaling

Een bedrijf begrootte een afzet van 4\,000 stuks tegen € 25; werkelijk werden 4\,200 stuks verkocht tegen € 24. Bereken de begrote omzet, de werkelijke omzet, het totale omzetverschil, en splits dat in een hoeveelheidsverschil en een prijsverschil, elk met vermelding of het voordelig of nadelig is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een andere veelgekozen verdieping is het bedrijfseconomisch beoordelen van duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). In domein B4 is mvo geïntroduceerd als de gedachte dat een organisatie naast winst (profit) ook op mensen (people) en milieu (planet) let. Deze verdieping gaat een stap verder: zij vraagt om duurzaamheid ook in geld te doordenken. Een duurzame maatregel — zonnepanelen, minder verpakking, eerlijke arbeid — kost meestal op korte termijn geld, terwijl de baten deels financieel (lagere energiekosten, een hogere prijs of meer klanten) en deels niet-financieel zijn (een beter imago, tevreden werknemers, minder milieuschade). De kunst is die kosten en baten tegen elkaar af te wegen, ook waar niet alles in euro's is uit te drukken.
Voor de financieel meetbare kant kun je de gewone bedrijfseconomische gereedschappen inzetten die je in de domeinen D en F hebt geleerd. Een investering in zonnepanelen bijvoorbeeld beoordeel je met een terugverdientijd of een netto contante waarde (domein D1): het investeringsbedrag afgezet tegen de jaarlijkse besparing op de energiekosten. Levert de investering per saldo een positieve NCW of een aanvaardbare terugverdientijd op, dan is zij ook zuiver financieel aantrekkelijk. Zo laat deze verdieping zien dat duurzaamheid en winstgevendheid geen tegenpolen hoeven te zijn: veel duurzame maatregelen verdienen zichzelf terug, zeker naarmate energie en grondstoffen duurder worden.
Naast de financiële baten zijn er de niet-financiële en indirecte baten, die op langere termijn wel degelijk waarde vertegenwoordigen. Een duurzaam imago trekt klanten en talent aan, versterkt de klantbinding en verkleint het risico op reputatieschade en op strengere regelgeving. Tevreden, gezond werkende medewerkers presteren beter en vertrekken minder snel. En het vermijden van milieuschade voorkomt toekomstige kosten en boetes. Deze baten zijn lastiger te becijferen dan een energiebesparing, maar een organisatie die alleen op de directe kosten let, onderschat de waarde van verantwoord ondernemen. De stakeholderbenadering uit domein B4 helpt hier: elke belanghebbende waardeert de duurzame keuze anders, en op de lange termijn dient zij vaak de continuïteit.
De afweging bij duurzaam ondernemen is daarmee een botsing tussen de korte en de lange termijn, en tussen het financiële en het bredere belang. Op korte termijn drukt de duurzame investering de winst; op lange termijn kan zij die juist beschermen en vergroten. Een organisatie die uitsluitend op de winst van het volgende jaar stuurt, zal duurzaamheid als kostenpost zien; een organisatie die de continuïteit en de belangen van al haar stakeholders meeweegt, ziet er een investering in. Voor het schoolexamen komt het erop aan dat je deze afweging kunt maken: de meetbare kosten en baten becijferen (bijvoorbeeld met een terugverdientijd), de niet-meetbare baten benoemen, en op grond daarvan beredeneren of een duurzame maatregel verstandig is.
Zo brengt deze laatste verdieping de hele bedrijfseconomie samen: de financiële rekengereedschappen (D, F, G), de stakeholderbenadering en het mvo (B4), en de marketing rond duurzaamheid (E3) komen bij elkaar in één beoordeling. Duurzaam ondernemen is daarmee geen apart hoofdstuk maar een toepassing waarin je alles wat je hebt geleerd tegelijk inzet, met oog voor zowel de cijfers als het bredere belang. Dat maakt het een passende afsluiting van het vak — en een herinnering dat de bedrijfseconomie uiteindelijk gaat over verantwoorde keuzes onder schaarste, waarbij winst een middel is en niet altijd het enige doel. Onthoud wel: domein H is en blijft keuze- en schoolexamenstof, geen centraal-examenstof.
Uitgewerkt voorbeeld

Een duurzame investering bedrijfseconomisch beoordelen

Een bedrijf overweegt zonnepanelen van € 24\,000 die € 4\,000 per jaar aan energiekosten besparen. Bereken de terugverdientijd, benoem twee niet-financiële baten en beoordeel de investering op lange termijn.

  1. 01Stap 1 — Bereken de terugverdientijd

    Deel het investeringsbedrag door de jaarlijkse besparing (de jaarlijkse 'cashflow' van de maatregel).

    24 0004 000=6 jaar\frac{24\,000}{4\,000} = 6 \text{ jaar}400024000​=6 jaar
  2. 02Stap 2 — Benoem de niet-financiële baten

    Naast de besparing zijn er baten die niet direct in euro's meetellen, bijvoorbeeld een duurzamer imago (meer klantbinding) en minder milieubelasting (lager risico op strengere regels).

    imago+minder milieuschade\text{imago} + \text{minder milieuschade}imago+minder milieuschade
  3. 03Stap 3 — Beoordeel op lange termijn

    De panelen zijn na 6 jaar terugverdiend en besparen daarna nog jaren geld; samen met de niet-financiële baten en een waarschijnlijk stijgende energieprijs is de investering op lange termijn verstandig.

    terugverdiend+extra baten⇒verstandig\text{terugverdiend} + \text{extra baten} \Rightarrow \text{verstandig}terugverdiend+extra baten⇒verstandig

Resultaat: Resultaat: de terugverdientijd is 6 jaar. Daarna leveren de panelen nog jaren besparing op, en er zijn niet-financiële baten (duurzamer imago, minder milieubelasting, lager reputatie- en regelgevingsrisico). Op lange termijn is de investering daarmee verstandig — het toont dat duurzaamheid en winstgevendheid kunnen samengaan.

Eindexamen-focus

  • Je moet de kosten en baten van een duurzame maatregel afwegen, waar mogelijk met een berekening (terugverdientijd of NCW), en de niet-financiële baten benoemen.
  • Het schoolexamen verwacht dat je de korte- versus langetermijnafweging en de stakeholderbelangen bij duurzaam ondernemen kunt beredeneren.

Veelgemaakte fouten

  • Duurzaam ondernemen uitsluitend als kostenpost zien en de financiële besparingen en de langetermijnbaten (imago, minder risico) negeren.
  • Alleen de niet-financiële baten noemen zonder de meetbare kant (bijvoorbeeld de terugverdientijd) te becijferen waar dat kan.
  • Deze keuzestof als centraal-examenstof presenteren; domein H wordt in het schoolexamen getoetst.

Actieve herhaling

Een bedrijf overweegt zonnepanelen te plaatsen voor € 24\,000, die naar verwachting € 4\,000 per jaar aan energiekosten besparen. Bereken de terugverdientijd, benoem twee niet-financiële baten, en beredeneer of de investering vanuit een langetermijnperspectief verstandig is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Keuzeonderwerpen: kader en positie in het examen○
    • 02Begroting en resultatenanalyse (verschillenanalyse)●
    • 03Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Keuzeonderwerpen (domein H)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO)

Vorig onderwerp

Verslaggeving en jaarrekening

EuraStudy·Samenvattingen T·16·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.