EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Kosten- en winstvraagstukken
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · HAVO

Kosten- en winstvraagstukken

Domein F2 gaat over kosten, kostprijs en winst. Je leert de kostensoorten (constante en variabele kosten), de totale-kosten- en totale-opbrengstenlijn, de break-evenanalyse (de afzet waarbij TO = TK), de dekkingsbijdrage per product en de kostprijsberekening. Je berekent een break-evenafzet en -omzet, een dekkingsbijdrage, een winst bij een gegeven afzet en een verkoopprijs, en je leest de CVP-grafiek af.

3 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1

T·141414 / 16
Examenprofiel
Constante en variabele kosten onderscheiden en de totale kosten TK = TCK + variabele kosten berekenen.De break-evenafzet en -omzet berekenen met Q = TCK / (p − vk) en interpreteren.De dekkingsbijdrage per product en de totale dekkingsbijdrage berekenen en toepassen.De winst bij een gegeven afzet bepalen en de CVP-grafiek (TO- en TK-lijn) aflezen.
Operatoren:berekenleg uitverklaarberedeneertoon aaninterpreteer

basisniveau

Zorg dat je constante en variabele kosten kunt onderscheiden, de break-evenafzet met de formule kunt berekenen en de dekkingsbijdrage per product kunt bepalen.

verhoogd niveau

Redeneer over de break-evenanalyse: waarom stijgt de break-evenafzet als de constante kosten stijgen of de dekkingsbijdrage daalt, en hoe gebruik je de dekkingsbijdrage om te beslissen of een order lonend is?

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Kosten- en winstvraagstukken
    • 01Constante en variabele kosten○
    • 02Break-evenanalyse●
    • 03Dekkingsbijdrage en prijsstelling◐
§ 01

Constante en variabele kosten#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kostenverloop: constante, variabele en totale kosten

KostenverloopSchaubild von TCK, y-Achsenabschnitt bei y = 12000, im Bereich x von 0 bis 4000, Schaubild von variabele kosten, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 4000, Schaubild von TK, y-Achsenabschnitt bei y = 12000, steigend, im Bereich x von 0 bis 40005001000150020002500300035004000500010000150002000025000300003500040000TCKvariabele kostenTKkosten (euro)productie q (stuks)
Afb. 1Het kostenverloop: de constante kosten (TCK) zijn een horizontale lijn op € 12\,000, de variabele kosten lopen vanuit de oorsprong met € 5 per stuk op, en de totale kosten (TK = TCK + variabele kosten) beginnen bij € 12\,000 en lopen evenwijdig aan de variabele kosten omhoog.

Kernpunten

Om winst te kunnen berekenen, moet je eerst de kosten kunnen ontleden, en de belangrijkste tweedeling is die tussen constante en variabele kosten. Constante kosten (ook vaste kosten, TCKTCKTCK) veranderen op korte termijn niet met de productieomvang: of je nu 0 of 10\,000 stuks maakt, ze blijven gelijk. Voorbeelden zijn de huur van het pand, de afschrijving op machines, de verzekering en het vaste salaris van de leiding. Variabele kosten (TVKTVKTVK) stijgen juist met de productie, omdat je voor elke extra eenheid grondstoffen, energie en direct materiaal nodig hebt. De totale kosten zijn de som: TK=TCK+TVKTK = TCK + TVKTK=TCK+TVK. Dit onderscheid is de basis van alle winst- en break-evenberekeningen in dit domein.
De variabele kosten worden meestal beschreven met de variabele kosten per stuk, vkvkvk: de kosten die elke extra eenheid met zich meebrengt. Bij evenredig variabele kosten (het standaardgeval op het HAVO) zijn de totale variabele kosten simpelweg TVK=vk×qTVK = vk \times qTVK=vk×q, waarbij qqq de productie is. Zijn de variabele kosten per stuk bijvoorbeeld € 6 en produceer je 500 stuks, dan is TVK=6×500=3 000TVK = 6 \times 500 = 3\,000TVK=6×500=3000 euro. De totale kosten worden dan TK=TCK+vk×qTK = TCK + vk \times qTK=TCK+vk×q: een rechte lijn die begint bij de constante kosten (bij q=0q = 0q=0) en met vkvkvk per stuk oploopt. Deze lineaire kostenfunctie is het werkpaard van de break-evenanalyse.
Het gedrag van de kosten per stuk verschilt sterk tussen de twee soorten, en dat verklaart waarom grotere productie vaak goedkoper per stuk uitpakt. De constante kosten per stuk (TCKq\frac{TCK}{q}qTCK​) dalen naarmate je meer produceert, want een vast bedrag wordt over meer eenheden verdeeld — dit heet het degressieve verloop. De variabele kosten per stuk blijven bij evenredige kosten gelijk. De totale kosten per stuk (de kostprijs) dalen daardoor bij toenemende productie, vooral door het uitsmeren van de vaste kosten. Dit is de bedrijfseconomische reden achter schaalvoordelen: hoe meer je maakt, hoe lager de vaste kosten per stuk en dus de kostprijs.
De kostprijs — de totale kosten per product — is het scharnierpunt tussen de kosten en de prijs. De kostprijs bereken je door de totale kosten te delen door de (verwachte) productie: kostprijs=TCK+TVKq=TCKq+vk\text{kostprijs} = \frac{TCK + TVK}{q} = \frac{TCK}{q} + vkkostprijs=qTCK+TVK​=qTCK​+vk. Zij bestaat dus uit een constant-kostendeel per stuk (dat daalt met de productie) en een variabel-kostendeel per stuk (dat gelijk blijft). Omdat de kostprijs afhangt van de verwachte productie, hanteren bedrijven vaak een normale bezetting (de gemiddeld verwachte productie) om de constante kosten per stuk mee te berekenen. De kostprijs is de ondergrens voor de verkoopprijs: verkoop je onder de kostprijs, dan lijd je verlies per product.
Deze kostenbegrippen vormen samen het fundament voor de winstberekening en de break-evenanalyse. De winst is de totale opbrengst min de totale kosten, winst=TO−TK\text{winst} = TO - TKwinst=TO−TK, waarbij TO=p×qTO = p \times qTO=p×q (verkoopprijs maal afzet). Zolang de opbrengsten de kosten overtreffen is er winst, anders verlies. De vraag bij welke afzet de winst precies nul is — waar TO=TKTO = TKTO=TK — is de break-evenvraag, en die staat centraal in het volgende onderdeel. Wie de constante en variabele kosten, de kostprijs en de opbrengst goed uit elkaar houdt, heeft alle bouwstenen om de winst bij elke afzet te bepalen en de break-evenafzet te berekenen.
TK=TCK+vk×qTK = TCK + vk \times qTK=TCK+vk×q

totale kosten

De vaste kosten plus de variabele kosten per stuk maal de productie qqq.

kostprijs=TCKq+vk\text{kostprijs} = \frac{TCK}{q} + vkkostprijs=qTCK​+vk

kostprijs per product

De constante kosten per stuk (dalen met qqq) plus de variabele kosten per stuk.

Uitgewerkt voorbeeld

Totale kosten en kostprijs bij twee productieniveaus

Een bedrijf heeft € 12\,000 constante kosten en € 5 variabele kosten per stuk. Bereken de totale kosten en de kostprijs bij 2\,000 en bij 4\,000 stuks, en verklaar het verschil in kostprijs.

  1. 01Stap 1 — Bereken de totale kosten bij beide niveaus

    Gebruik TK=TCK+vk×qTK = TCK + vk \times qTK=TCK+vk×q.

    TK2000=12 000+5⋅2 000=22 000;TK4000=12 000+5⋅4 000=32 000TK_{2000} = 12\,000 + 5 \cdot 2\,000 = 22\,000; \quad TK_{4000} = 12\,000 + 5 \cdot 4\,000 = 32\,000TK2000​=12000+5⋅2000=22000;TK4000​=12000+5⋅4000=32000
  2. 02Stap 2 — Bereken de kostprijs bij beide niveaus

    Deel de totale kosten door de productie.

    22 0002 000=11;32 0004 000=8\frac{22\,000}{2\,000} = 11; \quad \frac{32\,000}{4\,000} = 8200022000​=11;400032000​=8
  3. 03Stap 3 — Verklaar het verschil

    De variabele kosten per stuk blijven € 5, maar de constante kosten per stuk dalen van € 6 (12\,000/2\,000) naar € 3 (12\,000/4\,000). Daardoor daalt de kostprijs van € 11 naar € 8.

    constante kosten per stuk:6→3\text{constante kosten per stuk}: 6 \to 3constante kosten per stuk:6→3

Resultaat: Resultaat: bij 2\,000 stuks is de kostprijs € 11, bij 4\,000 stuks € 8. Het verschil komt volledig door de constante kosten per stuk, die van € 6 naar € 3 dalen doordat het vaste bedrag over meer eenheden wordt verdeeld.

Eindexamen-focus

  • Je moet constante en variabele kosten onderscheiden en de totale kosten TK=TCK+vk×qTK = TCK + vk \times qTK=TCK+vk×q en de kostprijs TKq\frac{TK}{q}qTK​ berekenen.
  • Het examen toetst het inzicht dat de constante kosten per stuk dalen bij hogere productie (degressief) en dat de kostprijs de ondergrens voor de prijs is.

Veelgemaakte fouten

  • Constante kosten per stuk als vast beschouwen; de tótale constante kosten zijn vast, maar per stuk dalen ze bij meer productie.
  • Variabele kosten per stuk verwarren met de totale variabele kosten (vkvkvk maal qqq).
  • De kostprijs alleen uit de variabele kosten berekenen en de constante kosten per stuk vergeten.

Actieve herhaling

Een bedrijf heeft constante kosten van € 12\,000 en variabele kosten van € 5 per stuk. Bereken de totale kosten en de kostprijs bij een productie van 2\,000 stuks en bij 4\,000 stuks, en verklaar waarom de kostprijs bij 4\,000 stuks lager is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Break-evenanalyse#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

CVP-grafiek: het break-evenpunt

CVP-grafiek met break-evenpuntSchaubild von TO, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 4000, Schaubild von TK, y-Achsenabschnitt bei y = 30000, steigend, im Bereich x von 0 bis 4000500100015002000250030003500400020000400006000080000100000break-even (2000,50000)TOTKeuroafzet q (stuks)
Afb. 2De CVP-grafiek. De totale opbrengst TO = 25q vertrekt uit de oorsprong; de totale kosten TK = 30\,000 + 10q starten bij de constante kosten van € 30\,000. Hun snijpunt is het break-evenpunt (2\,000, 50\,000): links verlies, rechts winst.

Kernpunten

De centrale vraag van dit domein is: hoeveel moet een bedrijf verkopen om uit de kosten te komen? Het antwoord is de break-evenafzet: de afzet waarbij de totale opbrengst precies de totale kosten dekt, zodat de winst nul is. In formulevorm is dat de afzet qqq waarvoor TO=TKTO = TKTO=TK, oftewel p×q=TCK+vk×qp \times q = TCK + vk \times qp×q=TCK+vk×q. Onder de break-evenafzet lijdt het bedrijf verlies (de kosten overtreffen de opbrengsten), erboven maakt het winst. De break-evenafzet is voor een ondernemer een sleutelgetal: het vertelt hoeveel hij minimaal moet verkopen voordat de zaak begint te renderen, en dus hoe risicovol het plan is.
Door de vergelijking p×q=TCK+vk×qp \times q = TCK + vk \times qp×q=TCK+vk×q op te lossen naar qqq krijg je de kernformule van de break-evenanalyse. Breng de term met qqq naar één kant: p×q−vk×q=TCKp \times q - vk \times q = TCKp×q−vk×q=TCK, dus q×(p−vk)=TCKq \times (p - vk) = TCKq×(p−vk)=TCK, en daarmee q=TCKp−vkq = \frac{TCK}{p - vk}q=p−vkTCK​. De break-evenafzet is dus de constante kosten gedeeld door het verschil tussen de verkoopprijs en de variabele kosten per stuk. Dat verschil (p−vk)(p - vk)(p−vk) heeft een eigen naam — de dekkingsbijdrage per stuk — en is het bedrag dat elke verkochte eenheid overhoudt om de vaste kosten mee te dekken. De formule zegt in gewone taal: deel de vaste kosten door wat elk product bijdraagt aan het dekken ervan, en je weet hoeveel stuks je nodig hebt.
De break-evenformule maakt meteen zichtbaar hoe de break-evenafzet reageert op veranderingen, wat op het examen vaak wordt getoetst. Stijgen de constante kosten (de teller), dan stijgt de break-evenafzet: je moet meer verkopen om de hogere vaste lasten te dekken. Stijgt de verkoopprijs of dalen de variabele kosten per stuk (de noemer, de dekkingsbijdrage wordt groter), dan dáált de break-evenafzet: elk product draagt meer bij, dus je hebt er minder nodig. Omgekeerd verhoogt een lagere prijs of hogere variabele kosten de break-evenafzet. Dit inzicht helpt beslissingen te beoordelen: een investering die de vaste kosten verhoogt, is alleen verstandig als de afzet ruim boven de nieuwe break-even blijft.
Naast de break-evenafzet (in stuks) bestaat de break-evenomzet (in euro's): de omzet waarbij de winst nul is. Die vind je door de break-evenafzet met de verkoopprijs te vermenigvuldigen: break-evenomzet=qbreak-even×p\text{break-evenomzet} = q_{\text{break-even}} \times pbreak-evenomzet=qbreak-even​×p. Een bedrijf met een break-evenafzet van 3\,000 stuks bij een prijs van € 20 heeft dus een break-evenomzet van 3 000×20=60 0003\,000 \times 20 = 60\,0003000×20=60000 euro. De break-evenomzet is handig wanneer een bedrijf veel verschillende producten verkoopt en niet in stuks maar in euro's denkt. Ook kun je de afstand tussen de verwachte afzet en de break-evenafzet berekenen — de veiligheidsmarge — die aangeeft hoeveel de afzet mag dalen voordat het bedrijf in de rode cijfers komt.
De break-evenanalyse wordt het duidelijkst in de CVP-grafiek (cost-volume-profit), waarin de totale opbrengst en de totale kosten tegen de afzet worden uitgezet. De TO-lijn TO=p×qTO = p \times qTO=p×q vertrekt uit de oorsprong en loopt recht omhoog; de TK-lijn TK=TCK+vk×qTK = TCK + vk \times qTK=TCK+vk×q begint bij de constante kosten op de verticale as en loopt minder steil (of steiler, afhankelijk van vkvkvk versus ppp) omhoog. Hun snijpunt is het break-evenpunt: links ervan ligt de TK-lijn boven de TO-lijn (verlies), rechts ervan eronder (winst), en de verticale afstand tussen beide lijnen is de winst of het verlies bij die afzet. Op het examen moet je zowel de break-evenafzet kunnen berekenen als het break-evenpunt in de CVP-grafiek kunnen aanwijzen en aflezen.
qbreak-even=TCKp−vkq_{\text{break-even}} = \frac{TCK}{p - vk}qbreak-even​=p−vkTCK​

break-evenafzet

De constante kosten gedeeld door de dekkingsbijdrage per stuk (p−vkp - vkp−vk).

break-evenomzet=qbreak-even×p\text{break-evenomzet} = q_{\text{break-even}} \times pbreak-evenomzet=qbreak-even​×p

break-evenomzet

De break-evenafzet maal de verkoopprijs; de omzet waarbij de winst nul is.

Uitgewerkt voorbeeld

Break-evenafzet, break-evenomzet en winst berekenen

Een bedrijf heeft € 30\,000 constante kosten, een verkoopprijs van € 25 per stuk en variabele kosten van € 10 per stuk. Bereken de dekkingsbijdrage per stuk, de break-evenafzet, de break-evenomzet, en de winst bij 3\,000 stuks.

  1. 01Stap 1 — Bereken de dekkingsbijdrage per stuk

    De dekkingsbijdrage is de verkoopprijs min de variabele kosten per stuk.

    p−vk=25−10=15p - vk = 25 - 10 = 15p−vk=25−10=15
  2. 02Stap 2 — Bereken de break-evenafzet

    Deel de constante kosten door de dekkingsbijdrage per stuk.

    qbe=30 00015=2 000 stuksq_{be} = \frac{30\,000}{15} = 2\,000 \text{ stuks}qbe​=1530000​=2000 stuks
  3. 03Stap 3 — Bereken de break-evenomzet

    Vermenigvuldig de break-evenafzet met de verkoopprijs.

    2 000×25=50 0002\,000 \times 25 = 50\,0002000×25=50000
  4. 04Stap 4 — Bereken de winst bij 3 000 stuks

    Boven de break-even levert elke extra eenheid de dekkingsbijdrage als winst op; er zijn 1\,000 stuks boven de break-even.

    winst=(3 000−2 000)×15=15 000\text{winst} = (3\,000 - 2\,000) \times 15 = 15\,000winst=(3000−2000)×15=15000

Resultaat: Resultaat: de dekkingsbijdrage is € 15 per stuk, de break-evenafzet 2\,000 stuks en de break-evenomzet € 50\,000. Bij 3\,000 stuks is de winst € 15\,000, want de 1\,000 stuks boven de break-even dragen elk € 15 winst bij. De veiligheidsmarge is 1\,000 stuks (33% boven break-even).

Eindexamen-focus

  • Je moet de break-evenafzet berekenen met q=TCKp−vkq = \frac{TCK}{p - vk}q=p−vkTCK​ en de break-evenomzet als qbe×pq_{be} \times pqbe​×p, en de veiligheidsmarge bepalen.
  • Het examen verwacht dat je de CVP-grafiek (TO- en TK-lijn) kunt tekenen/aflezen, het break-evenpunt aanwijst en beredeneert hoe het verschuift bij een andere prijs, TCK of vkvkvk.

Veelgemaakte fouten

  • In de noemer de verkoopprijs of de variabele kosten per stuk verwarren; de dekkingsbijdrage is p−vkp - vkp−vk (prijs min variabele kosten).
  • De break-evenafzet en de break-evenomzet door elkaar halen; de omzet is de afzet maal de prijs.
  • De totale variabele kosten in de formule gebruiken in plaats van de variabele kosten per stuk.

Actieve herhaling

Een bedrijf heeft constante kosten van € 30\,000, een verkoopprijs van € 25 per stuk en variabele kosten van € 10 per stuk. Bereken de dekkingsbijdrage per stuk, de break-evenafzet en de break-evenomzet. Bepaal de winst bij een afzet van 3\,000 stuks en de veiligheidsmarge ten opzichte van de break-even.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Dekkingsbijdrage en prijsstelling#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De dekkingsbijdrage per stuk — de verkoopprijs min de variabele kosten per stuk, p−vkp - vkp−vk — is een van de nuttigste begrippen uit de kostencalculatie, en zij verdient een eigen onderdeel. De dekkingsbijdrage is het bedrag dat elke verkochte eenheid overhoudt nádat de variabele kosten zijn gedekt, en dat beschikbaar is om eerst de constante kosten te dekken en daarna winst te vormen. Zolang de opgetelde dekkingsbijdragen kleiner zijn dan de constante kosten, is er verlies; zodra ze de constante kosten precies dekken, is de break-even bereikt; daarboven is elke dekkingsbijdrage pure winst. Zo verbindt de dekkingsbijdrage de kosten met de winst en met de break-evenanalyse.
De totale dekkingsbijdrage is de dekkingsbijdrage per stuk maal de afzet, TDB=(p−vk)×q\text{TDB} = (p - vk) \times qTDB=(p−vk)×q, en met haar kun je de winst rechtstreeks uitrekenen. De winst is namelijk de totale dekkingsbijdrage min de constante kosten: winst=(p−vk)×q−TCK\text{winst} = (p - vk) \times q - TCKwinst=(p−vk)×q−TCK. Deze formule is gelijkwaardig aan TO−TKTO - TKTO−TK, maar vaak handiger, omdat zij direct laat zien hoe de winst opbouwt: eerst dekken de dekkingsbijdragen de vaste kosten (tot de break-even), en elke eenheid daarboven voegt haar volle dekkingsbijdrage aan de winst toe. Bij een afzet van 500 stuks boven de break-even en een dekkingsbijdrage van € 15 is de winst dus 500×15=7 500500 \times 15 = 7\,500500×15=7500 euro.
De dekkingsbijdrage is ook een krachtig hulpmiddel bij beslissingen over losse orders en het accepteren van werk tegen een lagere prijs. De vuistregel luidt: een extra order loont zolang de prijs de variabele kosten per stuk overtreft, dus zolang de dekkingsbijdrage positief is — óók als die prijs onder de volledige kostprijs ligt. De reden is dat de constante kosten er toch al zijn; elke order die méér opbrengt dan zijn variabele kosten, draagt bij aan het dekken van die vaste kosten en verkleint dus het verlies of vergroot de winst. Dit verklaart waarom een bedrijf soms een grote order tegen een scherpe prijs aanneemt: niet omdat die de volledige kostprijs dekt, maar omdat de dekkingsbijdrage positief is en de vaste kosten toch al lopen.
Deze redenering geldt echter alleen onder voorwaarden, en het examen toetst of je die grens kent. De order tegen lage prijs is alleen lonend als er vrije capaciteit is (de order verdringt geen normaal geprijsde verkoop) en als de lage prijs de reguliere markt niet bederft (klanten die de gewone prijs betalen, mogen niet gaan afdingen). Zakt de prijs onder de variabele kosten per stuk, dan is de dekkingsbijdrage negatief en verlies je op elke eenheid — dan moet je de order weigeren. De ondergrens voor een incidentele order op korte termijn is dus niet de kostprijs maar de variabele kosten per stuk; op lange termijn moet de prijs wel de volledige kostprijs dekken, anders verdien je de vaste kosten nooit terug.
De prijsstelling brengt de kosten en de dekkingsbijdrage samen met de marktkant uit domein E2. Op lange termijn moet de verkoopprijs ten minste de kostprijs (variabele plus constante kosten per stuk) dekken plus een winstopslag; op korte termijn volstaat een prijs boven de variabele kosten per stuk. De uiteindelijke prijs hangt daarnaast af van wat de markt toelaat (de vraag, de concurrentie, de positionering). Zo grijpen de kostencalculatie van domein F2 en het marketingbeleid van domein E2 in elkaar: de kosten bepalen de ondergrens, de markt de bovengrens, en tussen die twee kiest de ondernemer de prijs. Voor het examen komt het erop aan dat je de dekkingsbijdrage kunt berekenen en toepassen, de winst via de dekkingsbijdrage kunt bepalen, en een order- of prijsbeslissing kunt beoordelen aan de hand van de dekkingsbijdrage.
DB per stuk=p−vk\text{DB per stuk} = p - vkDB per stuk=p−vk

dekkingsbijdrage per stuk

Wat elke eenheid overhoudt na de variabele kosten, beschikbaar voor de vaste kosten en de winst.

winst=(p−vk)×q−TCK\text{winst} = (p - vk) \times q - TCKwinst=(p−vk)×q−TCK

winst via de dekkingsbijdrage

De totale dekkingsbijdrage min de constante kosten; gelijkwaardig aan TO−TKTO - TKTO−TK.

Uitgewerkt voorbeeld

Een order onder de kostprijs beoordelen met de dekkingsbijdrage

Een bedrijf verkoopt normaal voor € 40; de variabele kosten zijn € 22 per stuk en de constante kosten € 90\,000. Een klant vraagt een eenmalige order van 1\,000 stuks tegen € 30 per stuk; er is vrije capaciteit. Bereken de dekkingsbijdrage van de order en beoordeel of het bedrijf haar moet aannemen.

  1. 01Stap 1 — Bereken de dekkingsbijdrage per stuk van de order

    De aangeboden prijs min de variabele kosten per stuk.

    30−22=830 - 22 = 830−22=8
  2. 02Stap 2 — Bereken de totale dekkingsbijdrage van de order

    De dekkingsbijdrage per stuk maal het aantal stuks in de order.

    8×1 000=8 0008 \times 1\,000 = 8\,0008×1000=8000
  3. 03Stap 3 — Beoordeel de beslissing

    De prijs (€ 30) ligt boven de variabele kosten (€ 22), dus de dekkingsbijdrage is positief (€ 8 per stuk). Omdat er vrije capaciteit is en de order de gewone markt niet verdringt, dragen de € 8\,000 bij aan het dekken van de vaste kosten (of aan de winst). De order is dus lonend en kan worden aangenomen.

    30>22⇒DB>0⇒aannemen30 > 22 \Rightarrow \text{DB} > 0 \Rightarrow \text{aannemen}30>22⇒DB>0⇒aannemen

Resultaat: Resultaat: de order levert € 8 dekkingsbijdrage per stuk op, samen € 8\,000. Hoewel € 30 onder de volledige kostprijs kan liggen, is de prijs hoger dan de variabele kosten (€ 22) en is er vrije capaciteit, dus de order is lonend: de € 8\,000 draagt bij aan de vaste kosten. Het bedrijf kan de order aannemen — mits de reguliere markt niet wordt bedorven.

Eindexamen-focus

  • Je moet de dekkingsbijdrage per stuk (p−vkp - vkp−vk) en de totale dekkingsbijdrage berekenen en de winst bepalen als TDB−TCK\text{TDB} - TCKTDB−TCK.
  • Het examen verwacht dat je beoordeelt of een extra order tegen een lage prijs lonend is (dekkingsbijdrage positief, vrije capaciteit) en de korte- versus langetermijnondergrens voor de prijs kent.

Veelgemaakte fouten

  • Een order tegen een prijs onder de kostprijs meteen afwijzen; op korte termijn is de ondergrens de variabele kosten per stuk, niet de kostprijs.
  • De totale dekkingsbijdrage verwarren met de winst; de winst is de totale dekkingsbijdrage mín de constante kosten.
  • Een order met een positieve dekkingsbijdrage accepteren zonder te controleren of er vrije capaciteit is en of de gewone markt niet wordt bedorven.

Actieve herhaling

Een bedrijf verkoopt normaal voor € 40 per stuk; de variabele kosten zijn € 22 per stuk en de constante kosten € 90\,000. Er komt een eenmalige order van 1\,000 stuks tegen € 30 per stuk, terwijl er vrije capaciteit is. Bereken de dekkingsbijdrage van deze order en beoordeel gemotiveerd of het bedrijf de order moet aannemen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Constante en variabele kosten○
    • 02Break-evenanalyse●
    • 03Dekkingsbijdrage en prijsstelling◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kosten- en winstvraagstukken

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO)

Vorig onderwerp

Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

Volgend onderwerp

Verslaggeving en jaarrekening

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.