EuraStudy
Samenvattingen/Aardrijkskunde/Gebieden op de grens van arm en rijk
Samenvattingen · AardrijkskundeNL · HAVO

Gebieden op de grens van arm en rijk

Dit onderwerp gaat over de verschillen in ontwikkeling tussen en binnen landen: hoe je ontwikkeling meet (bnp per hoofd, HDI, sociale indicatoren), hoe de bevolking van arme en rijke landen zich anders ontwikkelt (het demografisch transitiemodel en de bevolkingspiramide), hoe verstedelijking en migratie samenhangen met push- en pull-factoren, en hoe ongelijkheid via centrum en periferie zowel binnen als tussen landen doorwerkt. Je leert modellen, piramides en indicatoren aflezen en de mondiale spreiding van arm en rijk verklaren.

5 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 4 · Verdieping 1

T·0333 / 12
Examenprofiel
Ontwikkeling meten met economische en sociale indicatoren (bnp/bbp per hoofd, HDI, kindersterfte, alfabetisme) en welvaart onderscheiden van welzijnHet demografisch transitiemodel toepassen: de vijf fasen, geboorte- en sterftecijfer en de natuurlijke bevolkingsgroei berekenenBevolkingsgroei en -structuur analyseren met een bevolkingspiramide van een jong/arm en een vergrijzend/rijk landVerstedelijking, migratie (push- en pull-factoren) en ongelijkheid (centrum-periferie) verklaren en de mondiale spreiding van arm en rijk beschrijven
Operatoren:beschrijfleg uitverklaarberedeneerberekeninterpreteer

basisniveau

Voor het CE moet je ontwikkelingsindicatoren, het demografisch transitiemodel en bevolkingspiramides kunnen aflezen en verschillen tussen arm en rijk verklaren.

verhoogd niveau

Verdieping (SE): de samenhang tussen demografie, verstedelijking en ongelijkheid op verschillende schaalniveaus, van mondiaal tot binnen één land.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Gebieden op de grens van arm en rijk
    • 01Ontwikkeling meten: indicatoren◐
    • 02Het demografisch transitiemodel (DTM)◐
    • 03Bevolkingsgroei en -structuur: de piramide◐
    • 04Verstedelijking en migratie◐
    • 05Ongelijkheid en ontwikkeling: centrum en periferie●
§ 01

Ontwikkeling meten: indicatoren#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Om te bepalen hoe ontwikkeld een land is, gebruiken geografen indicatoren: meetbare kenmerken die iets zeggen over de welvaart en het welzijn van de bevolking (Afb. 1). De bekendste economische indicator is het bruto binnenlands product (bbp) of bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking: de totale productie of het totale inkomen van een land, gedeeld door het aantal inwoners. Hoe hoger het bnp per hoofd, hoe rijker het land gemiddeld is. Om landen eerlijk te vergelijken, druk je dit vaak uit in koopkracht (koopkrachtpariteit): dan corrigeer je voor het feit dat je met hetzelfde bedrag in het ene land veel meer kunt kopen dan in het andere. Zo voorkom je dat een laag prijspeil een arm land rijker doet lijken dan het is.

Ontwikkelingsindicatoren

Ontwikkeling metenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Indicator · Meet · Welvaart/welzijn; Bnp per hoofd · Gem. inkomen · Welvaart; HDI · Gezondh./onderw./ink. · Beide; Levensverwachting · Gezondheid · Welzijn; Kindersterfte · Zorg en voeding · Welzijn; Alfabetisme · Onderwijs · Welzijn, gemarkeerde cel: Gezondh./onderw./ink.INDICATORMEETWELVAART/WELZIJNBnp per hoofdGem. inkomenWelvaartHDIGezondh./onderw./ink.BeideLevensverwachtingGezondheidWelzijnKindersterfteZorg en voedingWelzijnAlfabetismeOnderwijsWelzijnIndicatoren van ontwikkeling
Afb. 1Afb. 1 — Ontwikkelingsindicatoren: economische indicatoren meten welvaart, sociale indicatoren en de HDI meten (ook) welzijn.
Het bnp per hoofd heeft echter een groot bezwaar: het is een gemiddelde en zegt niets over de verdeling. In een land met enkele zeer rijke mensen en veel armen kan het gemiddelde inkomen redelijk lijken, terwijl de meeste inwoners arm zijn. Bovendien meet geld alleen welvaart (materiële rijkdom) en niet welzijn (hoe goed mensen echt leven: gezondheid, onderwijs, veiligheid, geluk). Daarom gebruiken geografen naast het bnp ook bredere maatstaven. Het onderscheid tussen welvaart en welzijn is examenstof: een land kan economisch groeien (meer welvaart) zonder dat het welzijn van iedereen meestijgt.
De belangrijkste bredere maatstaf is de Human Development Index (HDI), een samengestelde index die drie dingen combineert: de levensverwachting (gezondheid), het opleidingsniveau (onderwijs) en het inkomen (bnp per hoofd). De HDI ligt tussen 0 en 1: hoe dichter bij 1, hoe hoger ontwikkeld. Door gezondheid en onderwijs mee te wegen, geeft de HDI een vollediger beeld van ontwikkeling dan geld alleen. Een land met een hoog inkomen maar een lage levensverwachting of veel analfabetisme scoort op de HDI lager dan het bnp alleen zou doen vermoeden — precies het verschil tussen welvaart en welzijn dat de HDI probeert te vangen.
Naast de HDI zijn er losse sociale indicatoren die scherp laten zien hoe het met een bevolking gaat (Afb. 1). De kindersterfte (het aantal kinderen dat vóór het eerste of vijfde jaar overlijdt, per 1000 geboorten) is een gevoelige graadmeter: ze daalt sterk zodra gezondheidszorg, schoon water en voeding verbeteren, en is in arme landen veel hoger dan in rijke. Het alfabetisme (het percentage volwassenen dat kan lezen en schrijven) meet de toegang tot onderwijs. Ook het percentage mensen met schoon drinkwater, de toegang tot sanitair en de gemiddelde levensverwachting zijn veelgebruikte indicatoren. Samen schetsen deze indicatoren een genuanceerder beeld dan één cijfer: een land kan op de ene indicator vooruitgaan en op de andere achterblijven.
Uitgewerkt voorbeeld

Hoog bnp maar lage HDI

Land A heeft een hoger bnp per hoofd dan land B, maar toch een lagere HDI. Leg uit hoe dat kan.

  1. 01Wat de HDI meet

    De HDI combineert inkomen met levensverwachting en onderwijs; inkomen is dus maar één van de drie onderdelen.

  2. 02Waar A op verliest

    Land A kan een hoog gemiddeld inkomen hebben (bijvoorbeeld uit olie), maar tegelijk een lage levensverwachting en veel analfabetisme — dan scoort het op twee van de drie HDI-onderdelen laag.

  3. 03Waar B op wint

    Land B heeft een lager inkomen, maar goede gezondheidszorg en onderwijs, waardoor het op levensverwachting en alfabetisme juist hoog scoort.

  4. 04Het gemiddelde-effect

    Bovendien kan A's hoge bnp een gemiddelde zijn dat een grote ongelijkheid verbergt: veel armen naast enkele zeer rijken.

Resultaat: Doordat de HDI ook gezondheid en onderwijs meeweegt, kan land B met een lager inkomen maar beter welzijn een hogere HDI hebben dan het rijkere land A — het verschil tussen welvaart en welzijn in één voorbeeld.

Eindexamen-focus

  • Het bnp/bbp per hoofd (in koopkracht) uitleggen als economische ontwikkelingsindicator en het bezwaar ervan noemen (gemiddelde, zegt niets over verdeling).
  • Het onderscheid welvaart (materiële rijkdom) versus welzijn (kwaliteit van leven) toepassen.
  • De HDI beschrijven als combinatie van levensverwachting, onderwijs en inkomen, en sociale indicatoren (kindersterfte, alfabetisme) kunnen duiden.

Veelgemaakte fouten

  • Welvaart en welzijn gelijkstellen: economische groei (welvaart) betekent niet automatisch een beter leven voor iedereen (welzijn).
  • Het bnp per hoofd als volledig beeld nemen en vergeten dat het een gemiddelde is dat de ongelijke verdeling verbergt.
  • Denken dat de HDI alleen inkomen meet; de HDI combineert juist gezondheid, onderwijs én inkomen.

Actieve herhaling

Land A heeft een hoger bnp per hoofd dan land B, maar een lagere HDI. Leg uit hoe dat mogelijk is en welke indicatoren het verschil kunnen verklaren.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — ontwikkelingsindicatoren, welvaart en welzijn (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het demografisch transitiemodel (DTM)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De bevolkingsontwikkeling van een land verloopt vaak volgens een vast patroon dat het demografisch transitiemodel (DTM) beschrijft: de overgang van een situatie met hoge geboorte- én sterftecijfers naar een situatie met lage geboorte- én sterftecijfers, in vijf fasen (Afb. 2). Om het model te lezen moet je twee begrippen kennen. Het geboortecijfer is het aantal levendgeborenen per 1000 inwoners per jaar; het sterftecijfer is het aantal overledenen per 1000 inwoners per jaar. Het verschil tussen die twee bepaalt of de bevolking groeit of krimpt. De waarden in het model zijn schematisch (een model, geen exacte cijfers van een bepaald land) en dienen om het patroon te laten zien.

Het demografisch transitiemodel

Demografisch transitiemodel (schematisch)Lijndiagram: per 1000 per jaar, Gegevens: Geboortecijfer · Fase 1: 35; Geboortecijfer · Fase 2: 40; Geboortecijfer · Fase 3: 30; Geboortecijfer · Fase 4: 14; Geboortecijfer · Fase 5: 10; Sterftecijfer · Fase 1: 33; Sterftecijfer · Fase 2: 22; Sterftecijfer · Fase 3: 14; Sterftecijfer · Fase 4: 10; Sterftecijfer · Fase 5: 110510152025303540Fase 1Fase 2Fase 3Fase 4Fase 5per 1000 per jaarGeboortecijferSterftecijfer
Afb. 2Afb. 2 — Het demografisch transitiemodel (schematisch): het verschil tussen geboorte- en sterftecijfer per 1000 per jaar bepaalt de bevolkingsgroei per fase.
De vijf fasen beschrijven het proces. In fase 1 (prekoloniaal/traditioneel) zijn geboorte- en sterftecijfer allebei hoog; door hongersnood en ziekten sterven veel mensen, en de bevolking groeit nauwelijks. In fase 2 daalt het sterftecijfer sterk — betere voeding, hygiëne en gezondheidszorg — terwijl het geboortecijfer nog hoog blijft; het verschil wordt groot en de bevolking groeit snel (bevolkingsexplosie). In fase 3 gaat ook het geboortecijfer dalen (kinderen worden minder een economische noodzaak, meer onderwijs en voorbehoedmiddelen); de groei blijft positief maar zwakt af. Dit zijn de fasen die veel arme en snelgroeiende landen nu doormaken.
In fase 4 zijn geboorte- en sterftecijfer allebei laag en liggen ze dicht bij elkaar; de bevolking groeit nog maar langzaam of stabiliseert. Veel rijke landen bevinden zich in deze fase. In fase 5, die aan het model is toegevoegd voor de meest ontwikkelde landen, kan het geboortecijfer onder het sterftecijfer zakken; dan is er een natuurlijke krimp en vergrijst de bevolking sterk. Nederland en veel andere Europese landen bewegen richting deze fase. Het DTM koppelt zo demografie aan ontwikkeling: naarmate een land zich ontwikkelt (betere zorg, onderwijs, welvaart), schuift het door de fasen — een mooie toepassing van het denken in samenhangen.
De motor achter de bevolkingsgroei is het verschil tussen geboorte- en sterftecijfer, en dat kun je berekenen. De natuurlijke bevolkingsgroei is het geboortecijfer min het sterftecijfer, uitgedrukt in promille (per 1000 per jaar) of, gedeeld door tien, in procenten per jaar (zie het uitgewerkte voorbeeld). Let op het woord natuurlijke: dit is de groei door geboorte en sterfte alléén. De werkelijke (totale) bevolkingsgroei van een gebied hangt ook af van migratie — het migratiesaldo (immigratie min emigratie) telt er nog bij op of gaat eraf. Op mondiaal niveau valt migratie weg (mensen verhuizen binnen de aarde), maar voor één land kan migratie de bevolkingsgroei sterk beïnvloeden.
Uitgewerkt voorbeeld

Natuurlijke bevolkingsgroei berekenen

In een land is het geboortecijfer 34 per 1000 en het sterftecijfer 9 per 1000 per jaar. Bereken de natuurlijke bevolkingsgroei in promille en in procenten, en bepaal de waarschijnlijke DTM-fase.

  1. 01De formule

    Natuurlijke bevolkingsgroei = geboortecijfer − sterftecijfer, in promille (per 1000 per jaar).

  2. 02Invullen

    34 − 9 = 25 per 1000 per jaar, dus een natuurlijke groei van 25 promille.

  3. 03Naar procenten

    Deel door 10: 25 promille = 2,5 procent per jaar (25 per 1000 = 2,5 per 100).

  4. 04De fase bepalen

    Een hoog geboortecijfer (34) met een al sterk gedaald sterftecijfer (9) en een grote groei past bij fase 2 of het begin van fase 3 — kenmerkend voor een snelgroeiend, zich ontwikkelend land.

Resultaat: De natuurlijke bevolkingsgroei is 25 promille, oftewel 2,5 procent per jaar; het grote verschil tussen een hoog geboorte- en een laag sterftecijfer wijst op fase 2 (begin fase 3) van het DTM.

Eindexamen-focus

  • De vijf fasen van het DTM beschrijven aan de hand van het verloop van geboorte- en sterftecijfer.
  • De natuurlijke bevolkingsgroei berekenen als geboortecijfer min sterftecijfer (in promille en in procenten per jaar).
  • Het onderscheid tussen natuurlijke bevolkingsgroei en werkelijke groei (inclusief migratiesaldo) toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • De schematische DTM-cijfers voor exacte gegevens van een bepaald land aanzien; het is een model dat het patroon toont.
  • De natuurlijke bevolkingsgroei verwarren met de werkelijke groei: migratie wordt bij de natuurlijke groei niet meegerekend.
  • Vergeten dat de grootste groei optreedt in fase 2, wanneer het sterftecijfer al daalt maar het geboortecijfer nog hoog is.

Actieve herhaling

In een land is het geboortecijfer 34 per 1000 en het sterftecijfer 9 per 1000. Bereken de natuurlijke bevolkingsgroei in promille en in procenten per jaar, en geef aan in welke DTM-fase dit land waarschijnlijk zit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — demografisch transitiemodel en bevolkingsgroei (CvTE / Examenblad)

§ 03

Bevolkingsgroei en -structuur: de piramide#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De leeftijdsopbouw van een bevolking geef je weer in een bevolkingspiramide (leeftijdsdiagram). Dat is een dubbel staafdiagram: horizontaal staan de aantallen of percentages (mannen links, vrouwen rechts), verticaal de leeftijdsgroepen van jong (onderaan) tot oud (bovenaan). De vorm van de piramide verraadt in één oogopslag of een land jong of oud is en of het snel of langzaam groeit. Je leest de piramide dus van onder naar boven (van baby's naar ouderen) en van het midden naar buiten (hoe langer de balk, hoe groter die leeftijdsgroep). Voor het examen moet je zo'n piramide kunnen aflezen én de vorm kunnen verklaren.
Een jong, arm land met snelle groei heeft een echte piramidevorm: een zeer brede basis die naar boven snel smaller wordt (Afb. 3). De brede basis komt door een hoog geboortecijfer: er worden veel kinderen geboren. Dat de piramide naar boven snel smaller wordt, komt door een hoge(re) sterfte op elke leeftijd en een korte levensverwachting: relatief weinig mensen worden oud. Zo'n land zit in fase 2 of 3 van het DTM. De piramide in Afb. 3 is een schematisch model van zo'n jong land: let op de brede onderkant en de smalle top. Kenmerkend is dat er veel jongeren zijn, wat een grote toekomstige groei belooft (die jongeren krijgen straks zelf kinderen).

Bevolkingspiramide van een jong land (schematisch)

Jong land (schematisch model)bevolkingspiramide, Gegevens: Mannen · 0-9: 15; Mannen · 10-19: 13; Mannen · 20-29: 10; Mannen · 30-39: 8; Mannen · 40-49: 6; Mannen · 50-59: 4; Mannen · 60-69: 2; Mannen · 70+: 1; Vrouwen · 0-9: 14; Vrouwen · 10-19: 12; Vrouwen · 20-29: 10; Vrouwen · 30-39: 8; Vrouwen · 40-49: 6; Vrouwen · 50-59: 4; Vrouwen · 60-69: 3; Vrouwen · 70+: 20-910-1920-2930-3940-4950-5960-6970+22446688101012121414MannenVrouwen
Afb. 3Afb. 3 — Schematische bevolkingspiramide van een jong, arm land: een brede basis (hoog geboortecijfer) die naar boven snel smaller wordt (korte levensverwachting). De waarden zijn model-percentages, geen exacte data.
Een rijk, vergrijzend land heeft juist géén piramidevorm meer, maar lijkt eerder op een ton of een urn: een smalle basis en een brede(re) top. De smalle basis komt door een laag geboortecijfer (weinig kinderen); de brede top komt doordat mensen dankzij goede zorg en voeding oud worden (hoge levensverwachting). Zo'n land zit in fase 4 of 5 van het DTM en kent vergrijzing: een groeiend aandeel ouderen. Dat brengt eigen vraagstukken mee — meer zorgkosten, meer pensioenen en een krimpende beroepsbevolking die dat moet opbrengen. Nederland beweegt in deze richting. Door de piramide van een jong en een oud land naast elkaar te leggen, zie je het verschil in ontwikkeling direct terug in de leeftijdsopbouw.
Uit de vorm van een piramide leidt een geograaf conclusies af over verleden, heden en toekomst. Een inkeping (een smallere balk bij een bepaalde leeftijd) kan wijzen op een gebeurtenis in het verleden, zoals een oorlog of een sterftegolf, of op een geboortedip. Een uitstulping (een bredere balk) kan een geboortegolf verraden, zoals de babyboom na de Tweede Wereldoorlog. De verhouding tussen de leeftijdsgroepen bepaalt bovendien de zogeheten groene druk (het aandeel jongeren dat onderhouden moet worden) en grijze druk (het aandeel ouderen). Zo vertelt de vorm van een piramide een heel demografisch verhaal — daarom is het correct aflezen ervan een terugkerende examenvaardigheid.
Uitgewerkt voorbeeld

Een bevolkingspiramide aflezen

Beschrijf een piramide met een zeer brede basis en een smalle top: om wat voor land gaat het, welke DTM-fase, en welk vraagstuk speelt er?

  1. 01De basis aflezen

    De zeer brede basis betekent veel jonge kinderen, dus een hoog geboortecijfer.

  2. 02De top aflezen

    De smalle top betekent weinig ouderen, dus een korte levensverwachting en/of hoge sterfte op oudere leeftijd.

  3. 03Type land en fase

    Dit is een jong, arm land met snelle groei — passend bij fase 2 of 3 van het demografisch transitiemodel.

  4. 04Toekomstig vraagstuk

    De grote groep jongeren zorgt voor verdere snelle groei en vraagt veel onderwijs, werk en voedsel — een hoge 'groene druk'.

Resultaat: De brede basis en smalle top wijzen op een jong, arm en snelgroeiend land in DTM-fase 2 of 3; het grote aandeel jongeren belooft verdere groei en legt druk op onderwijs en werkgelegenheid.

Eindexamen-focus

  • Een bevolkingspiramide correct aflezen (leeftijd van onder naar boven, mannen links/vrouwen rechts, balklengte = omvang leeftijdsgroep).
  • De vorm van de piramide verklaren: brede basis (hoog geboortecijfer, jong/arm land) versus smalle basis en brede top (laag geboortecijfer, vergrijzend/rijk land).
  • Uit de piramide de mate van bevolkingsgroei, vergrijzing en verwachte toekomst afleiden, en de vorm koppelen aan de DTM-fase.

Veelgemaakte fouten

  • De piramide verkeerd om lezen: de jongste leeftijdsgroepen staan onderaan, de oudste bovenaan.
  • Een schematische modelpiramide als exacte data van een bepaald land opvatten; de vorm illustreert het type land.
  • Een brede top van een vergrijzend land verwarren met bevolkingsgroei; groei zit juist in een brede basis (veel jongeren).

Actieve herhaling

Je krijgt twee bevolkingspiramides: één met een zeer brede basis en smalle top, en één met een smalle basis en brede top. Beschrijf per piramide om wat voor land het gaat, in welke DTM-fase het zit en welk toekomstig vraagstuk het te wachten staat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — bevolkingsstructuur en bevolkingspiramide (CvTE / Examenblad)

§ 04

Verstedelijking en migratie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

In veel ontwikkelingslanden trekken grote aantallen mensen van het platteland naar de stad; dit proces heet verstedelijking (het groeiende aandeel van de bevolking dat in steden woont). De verklaring ligt in push- en pull-factoren (Afb. 4). Push-factoren zijn de omstandigheden op het platteland die mensen wegduwen: armoede, gebrek aan werk, weinig grond, misoogsten, droogte en het ontbreken van voorzieningen als onderwijs en zorg. Pull-factoren zijn de aantrekkingskrachten van de stad: de hoop op werk, een hoger inkomen, betere voorzieningen, onderwijs en de aanwezigheid van familie of kennissen. De trek naar de stad is dus het gevolg van duwen én trekken tegelijk.

Push- en pull-factoren en verstedelijking

Naar de stadGraaf, Push: platteland → Verstedelijking, Pull: stad → Verstedelijking, Verstedelijking → Informele sector, Verstedelijking → SloppenwijkenPush: plattelandPull: stadVerstedelijkingInformele sectorSloppenwijken
Afb. 4Afb. 4 — Push-factoren (platteland) en pull-factoren (stad) drijven samen de verstedelijking, met de informele sector en sloppenwijken als gevolg.
Vaak wijkt de werkelijkheid in de stad af van de verwachting, en dat heeft grote ruimtelijke gevolgen. Lang niet alle nieuwkomers vinden een baan in de formele economie (met een vast contract en zekerheid). Velen belanden in de informele sector: kleinschalig, ongeregistreerd werk zonder vast inkomen of bescherming, zoals straathandel, klusjes of afvalverzameling. Deze informele sector is in veel steden van ontwikkelingslanden enorm en vangt de mensen op die de formele economie niet kan opnemen. Zo verklaart de mismatch tussen de grote toestroom en het beperkte aantal echte banen waarom de stad de migranten niet altijd de beloofde welvaart biedt.
Doordat de steden sneller groeien dan er fatsoenlijke woningen en voorzieningen bij komen, ontstaan aan de randen en op onbebouwde plekken krottenwijken of sloppenwijken (informele woonwijken). Daar bouwen mensen zelf onderkomens van goedkope materialen, vaak zonder eigendomsrecht op de grond en zonder aansluiting op schoon water, riolering of elektriciteit. In Brazilië heten zulke wijken favela's; ze liggen soms pal naast rijke buurten, wat de grote inkomensongelijkheid in het oog springend maakt. Deze wijken zijn een direct gevolg van de snelle, ongeplande verstedelijking en horen bij het beeld van veel groeisteden in ontwikkelingslanden.
Migratie is niet alleen trek naar de stad; het is elk verplaatsen van mensen om ergens anders te gaan wonen, en het speelt op verschillende schaalniveaus. Binnenlandse migratie (van platteland naar stad, of van arme naar rijke regio's binnen één land) verklaart de groei van de grote steden. Internationale migratie (van arme naar rijke landen) verklaart een deel van de bevolkingsontwikkeling van landen: voor het ontvangende land een positief migratiesaldo, voor het vertrekland een negatief saldo. Ook hier gelden push- en pull-factoren, aangevuld met belemmeringen zoals grenzen, afstand, kosten en regelgeving. Migratie is zo een sleutel om zowel de groei van steden als de bevolkingsontwikkeling van landen te begrijpen.
Uitgewerkt voorbeeld

De trek naar de stad verklaren

Verklaar met push- en pull-factoren waarom mensen uit het arme noordoosten van Brazilië naar het zuidoosten trekken, en noem een gevolg voor de steden.

  1. 01Push-factoren (noordoosten)

    Armoede, gebrek aan werk op het platteland, droogte (de sertão) en weinig voorzieningen duwen mensen weg.

  2. 02Pull-factoren (zuidoosten)

    In het economische kerngebied met São Paulo en Rio hopen migranten op werk, een hoger inkomen, onderwijs en betere voorzieningen.

  3. 03De trek

    De combinatie van duwen en trekken leidt tot een grote binnenlandse migratie van noordoost naar zuidoost.

  4. 04Gevolg voor de steden

    De steden groeien sneller dan er werk en woningen bij komen; veel migranten belanden in de informele sector en in favela's aan de rand van de stad.

Resultaat: Push-factoren in het arme noordoosten en pull-factoren in het welvarende zuidoosten verklaren de binnenlandse migratie; het gevolg is een snelle, ongeplande verstedelijking met een grote informele sector en favela's.

Eindexamen-focus

  • Push- en pull-factoren onderscheiden en toepassen om de trek van platteland naar stad (verstedelijking) te verklaren.
  • De begrippen informele sector en krottenwijk/sloppenwijk (favela) uitleggen als gevolg van snelle, ongeplande verstedelijking.
  • Binnenlandse en internationale migratie onderscheiden en het verband met het migratiesaldo van een land leggen.

Veelgemaakte fouten

  • Push- en pull-factoren verwisselen: push duwt mensen wég van het platteland, pull trekt hen náár de stad.
  • Denken dat alle migranten in de stad werk en welvaart vinden; velen belanden in de informele sector en in sloppenwijken.
  • Verstedelijking en (natuurlijke) bevolkingsgroei door elkaar halen: verstedelijking gaat over het aandeel dat in steden woont, niet over het totale aantal inwoners.

Actieve herhaling

Leg met minstens twee push- en twee pull-factoren uit waarom veel mensen in Brazilië van het arme noordoosten naar de grote steden in het zuidoosten trekken. Beschrijf ook een gevolg van die trek voor de steden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — verstedelijking, migratie en push- en pull-factoren (CvTE / Examenblad)

§ 05

Ongelijkheid en ontwikkeling: centrum en periferie#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Oorzaken van blijvende ongelijkheid

Waarom ongelijkheid blijftTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Oorzaak · Soort · Toelichting; Kolonialisme · Historisch · Eenzijdige economie; Ruilvoet · Actueel · Ongunstige handel; Zwak bestuur · Actueel · Weinig stabiliteit; Weinig onderwijs · Actueel · Lage scholing, gemarkeerde cel: Ongunstige handelOORZAAKSOORTTOELICHTINGKolonialismeHistorischEenzijdige economieRuilvoetActueelOngunstige handelZwak bestuurActueelWeinig stabiliteitWeinig onderwijsActueelLage scholingOorzaken van ongelijkheid
Afb. 6Afb. 6 — Ongelijkheid ontstaat en blijft door een samenspel van historische en actuele oorzaken.

Kernpunten

Ontwikkeling is zelden gelijk verdeeld: bijna overal zijn er rijke kerngebieden naast arme randgebieden. Geografen vatten dit in het model van centrum en periferie (Afb. 5). Het centrum (de kern) is het gebied met de meeste economische bedrijvigheid, welvaart, werkgelegenheid en macht; de periferie (de rand) is het achtergebleven gebied met minder werk, minder voorzieningen en vaak een economie gericht op grondstoffen of landbouw. Belangrijk is dat het centrum en de periferie samenhangen: het centrum trekt kapitaal, bedrijven en de meest geschoolde mensen aan, vaak ten koste van de periferie, waar juist mensen en middelen wegtrekken. Zo kan de ongelijkheid zichzelf versterken.

Centrum en periferie op twee schaalniveaus

Centrum en periferieGraaf, Centrum (kern) → Ongelijkheid, Periferie (rand) → Ongelijkheid, Binnen een land → Ongelijkheid, Tussen landen → OngelijkheidCentrum (kern)Periferie (rand)Binnen een landTussen landenOngelijkheid
Afb. 5Afb. 5 — Het centrum-periferiepatroon herhaalt zich op meerdere schaalniveaus: binnen een land én tussen landen, met opkomende economieën als tussengroep.
Dit centrum-periferiepatroon werkt op verschillende schaalniveaus tegelijk, en dat is een kernpunt voor het examen. Binnen één land zie je het terug als het verschil tussen een welvarend kerngebied en armere regio's — in Brazilië bijvoorbeeld het rijke zuidoosten (Sudeste, met São Paulo) tegenover het arme noordoosten (Nordeste), en het dunbevolkte Amazonegebied als perifere rand. Tussen landen zie je hetzelfde op mondiale schaal: rijke landen (het mondiale centrum) tegenover arme landen (de mondiale periferie), met opkomende economieën ertussenin. Door in en uit te zoomen herken je dus hetzelfde patroon op meerdere niveaus — opnieuw het schakelen tussen schaalniveaus.
De oorzaken van deze ongelijkheid zijn deels historisch en deels actueel. Historisch speelt het kolonialisme een rol: kolonies werden ingericht als leveranciers van grondstoffen voor het moederland, met een eenzijdige economie die na de onafhankelijkheid vaak bleef bestaan. Actueel speelt de positie in de wereldeconomie: landen die vooral goedkope grondstoffen exporteren en dure eindproducten importeren, houden een ongunstige ruilvoet en blijven afhankelijk. Ook natuurlijke factoren (ligging, klimaat, rampen), een zwak of instabiel bestuur en een gebrekkig onderwijs kunnen de achterstand in stand houden. Meestal is het een samenspel van meerdere oorzaken — het denken in samenhangen — dat verklaart waarom ongelijkheid zo hardnekkig is.
De mondiale spreiding van arm en rijk is dan ook geen toevallig patroon, maar het resultaat van deze processen. Grofweg concentreert de rijkdom zich in delen van Noord-Amerika, West-Europa en Oost-Azië, terwijl de armste landen (vaak minst ontwikkelde landen, MOL genoemd) zich concentreren in delen van Afrika bezuiden de Sahara en Zuid-Azië. Daartussen liggen de opkomende economieën die snel groeien en de kloof deels dichten. Voor het examen moet je deze spreiding niet alleen kunnen beschrijven, maar ook verklaren: koppel de armoede of rijkdom van een gebied aan zijn ligging, geschiedenis, positie in de wereldeconomie en bestuur. Zo breng je alle draden van dit onderwerp — indicatoren, demografie, verstedelijking en ongelijkheid — samen tot één geografisch verhaal over de wereld van arm en rijk.
Uitgewerkt voorbeeld

Centrum en periferie op twee niveaus

Leg uit hoe het centrum-periferiepatroon zowel binnen Brazilië als mondiaal terugkomt, en noem bij elk niveau een oorzaak van de ongelijkheid.

  1. 01Binnen Brazilië

    Het centrum is het rijke, geïndustrialiseerde zuidoosten (Sudeste, met São Paulo en Rio); de periferie is het armere noordoosten (Nordeste) en het dunbevolkte Amazonegebied.

  2. 02Oorzaak binnen het land

    Kapitaal, bedrijven en geschoolde mensen trekken naar het zuidoosten, terwijl het noordoosten met een zwakkere economie en droogte achterblijft — de ongelijkheid versterkt zichzelf.

  3. 03Tussen landen (mondiaal)

    Het mondiale centrum zijn de rijke landen (delen van Noord-Amerika, West-Europa, Oost-Azië); de periferie zijn de armste landen (o.a. delen van Afrika bezuiden de Sahara).

  4. 04Oorzaak mondiaal

    Historisch het kolonialisme (eenzijdige grondstoffeneconomie) en actueel de ongunstige positie in de wereldeconomie (goedkope grondstoffen uit, dure producten in).

Resultaat: Het centrum-periferiepatroon herhaalt zich op twee niveaus: binnen Brazilië (zuidoosten tegenover noordoosten) en mondiaal (rijke tegenover arme landen); op beide niveaus houdt een samenspel van historische en economische oorzaken de ongelijkheid in stand.

Eindexamen-focus

  • Het centrum-periferiemodel toepassen op verschillende schaalniveaus (binnen een land én tussen landen).
  • Oorzaken van (blijvende) ongelijkheid noemen en ordenen (historisch: kolonialisme; actueel: positie in de wereldeconomie, bestuur, onderwijs).
  • De mondiale spreiding van arm en rijk beschrijven én verklaren, met de begrippen MOL en opkomende economieën.

Veelgemaakte fouten

  • Het centrum-periferiemodel alleen op mondiale schaal toepassen en vergeten dat het ook binnen één land geldt (bijvoorbeeld in Brazilië).
  • Ongelijkheid uit één oorzaak verklaren; meestal is het een samenspel van historische en actuele factoren.
  • De begrippen door elkaar halen: het centrum is het welvarende kerngebied, de periferie het achtergebleven randgebied.

Actieve herhaling

Leg uit hoe het centrum-periferiepatroon zowel binnen Brazilië als op mondiale schaal terug te vinden is. Noem bij beide schaalniveaus het centrum en de periferie en geef één oorzaak van de ongelijkheid.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — centrum en periferie, ongelijkheid en mondiale spreiding van arm en rijk (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Ontwikkeling meten: indicatoren◐
    • 02Het demografisch transitiemodel (DTM)◐
    • 03Bevolkingsgroei en -structuur: de piramide◐
    • 04Verstedelijking en migratie◐
    • 05Ongelijkheid en ontwikkeling: centrum en periferie●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gebieden op de grens van arm en rijk

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma aardrijkskunde havo — ontwikkelingsindicatoren, welvaart en welzijn

Vorig onderwerp

Geografisch onderzoek

Volgend onderwerp

Samenhangen en verschillen in de wereld

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.