Een kegelsnede ontstaat als je een (dubbele) kegel doorsnijdt met een plat vlak. Afhankelijk van de snijhoek krijg je een cirkel, een ellips, een parabool of een hyperbool. Elk van deze krommen heeft ook een brandpuntsdefinitie — de ellips als , de parabool als „even ver van het brandpunt als van de richtlijn”, en de hyperbool als — én een standaardvergelijking met eigen parameters. Deze samenvatting koppelt de meetkundige definitie telkens aan de vergelijking in coördinaten en behandelt de raaklijnen en reflectie-eigenschappen (schotelantenne, fluistergalerij). Wiskunde D heeft geen centraal examen; dit hoort tot de schoolexamen-stof (SE) van domein D.
4 Onderdelen~19 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Wiskunde D heeft geen centraal examen: kegelsneden (domein D) worden in het schoolexamen (SE) getoetst. Beheers minimaal de vier kegelsneden als doorsnede van een kegel, de standaardvergelijkingen van ellips, parabool en hyperbool, en het bepalen van brandpunten, toppen en asymptoten.
verhoogd niveau
Verdieping zit in het afleiden van een standaardvergelijking uit de brandpuntsdefinitie, in het opstellen van raaklijnen, en in het toepassen van de reflectie-eigenschap (parabolische schotel, ellips-fluistergalerij).
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De vier kegelsneden uit één dubbele kegel
Standaardvergelijkingen (ellips en hyperbool)
Beide hebben twee gekwadrateerde variabelen; de ellips heeft een plus, de hyperbool een min tussen de kwadraten.
Standaardvergelijking (parabool)
Bij de parabool is één variabele lineair en de andere gekwadrateerd; dat onderscheidt haar van ellips en hyperbool.
Excentriciteit onderscheidt de kegelsneden
De excentriciteit e meet hoe sterk de kegelsnede van een cirkel afwijkt; ze loopt op van cirkel naar hyperbool.
Van welke kegelsnede is elk van de volgende vergelijkingen de standaardvorm? (a) , (b) , (c) . Geef bij elk de reden.
Beide variabelen zijn gekwadrateerd en er staat een plus tussen; gedeeld door verschillende noemers en gelijk aan 1. Dat is een ellips met a = 4 en b = 3.
y komt lineair voor, x gekwadrateerd. Dat is een parabool; uit 4p = 8 volgt p = 2, dus F(0; 2) en richtlijn y = −2.
Beide gekwadrateerd, maar met een min ertussen. Dat is een hyperbool met a = 4 en b = 3 en asymptoten y = ±¾x.
Resultaat: (a) ellips, (b) parabool, (c) hyperbool — te herkennen aan de plus of min tussen de kwadraten en aan het al dan niet lineair voorkomen van een variabele.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg voor elk uit welk snijvlak door een dubbele kegel je nodig hebt om een cirkel, een ellips, een parabool en een hyperbool te krijgen. Bepaal daarna van en van om welke kegelsnede het gaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Brandpuntsdefinitie: de som van de afstanden is 2a
Ellips met a = 5, b = 3 en de brandpunten
Standaardvergelijking van de ellips
Brandpunten op de x-as; a is de halve lange as, b de halve korte as.
Brandpuntsafstand van de ellips
De brandpunten liggen in (±c, 0); omdat c < a liggen ze binnen de ellips op de lange as.
Brandpuntsdefinitie van de ellips
Voor elk punt P op de ellips is de som van de afstanden tot de twee brandpunten gelijk aan de lengte 2a van de lange as.
Bepaal voor de ellips de halve assen, de brandpunten en de toppen. Controleer de brandpuntsdefinitie voor het punt .
a² = 25 geeft a = 5 (halve lange as); b² = 9 geeft b = 3 (halve korte as).
Gebruik a² = b² + c².
Brandpunten op de lange as, toppen op beide assen.
Bereken de afstanden tot beide brandpunten en tel op.
Resultaat: a = 5, b = 3, c = 4; brandpunten (±4; 0), toppen (±5; 0) en (0; ±3). Voor P geldt |PF₁| + |PF₂| = 7,4 + 2,6 = 10 = 2a.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een ellips heeft brandpunten en gaat door het punt . Bepaal , en de standaardvergelijking. (Tip: bereken eerst als de som van de afstanden van tot de twee brandpunten.)
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Parabool met brandpunt en richtlijn
Standaardvergelijking van de parabool (top in O, opent naar boven)
De parameter p is de afstand van de top tot het brandpunt; de noemer is 4p, dus p is een kwart van de noemer.
Brandpunt en richtlijn
Brandpunt en richtlijn liggen symmetrisch om de top, allebei op afstand p.
Brandpuntsdefinitie van de parabool
Elk punt van de parabool ligt even ver van het brandpunt als van de richtlijn.
Leid de vergelijking af van de parabool waarvan elk punt even ver van het brandpunt als van de richtlijn ligt.
De afstand tot F(0; 1) volgt uit de afstandsformule; de afstand tot de horizontale richtlijn y = −1 is het verticale verschil.
Kwadrateer beide kanten om de wortel en de absolute waarde weg te werken.
Werk beide kwadraten uit; y² en 1 vallen tegen elkaar weg.
Breng de y-termen samen: x² = 4y.
Resultaat: De vergelijking is y = x²/4; hier is 4p = 4, dus p = 1, met brandpunt (0; 1) en richtlijn y = −1 — precies de gegevens.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal het brandpunt en de richtlijn van . Controleer je antwoord met de brandpuntsdefinitie voor het punt op de parabool (bereken de afstand tot het brandpunt en tot de richtlijn en vergelijk).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Hyperbool met twee takken en asymptoten
Standaardvergelijking van de hyperbool
Het minteken tussen de kwadraten onderscheidt de hyperbool van de ellips; toppen in (±a, 0).
Brandpuntsafstand van de hyperbool (let op: plus!)
Anders dan bij de ellips tel je hier a² en b² op; daardoor is c > a en liggen de brandpunten buiten de toppen.
Asymptoten van de hyperbool
Twee lijnen door de oorsprong die de takken op grote afstand benaderen maar nooit raken.
Brandpuntsdefinitie van de hyperbool
Voor elk punt op de hyperbool is het (absolute) verschil van de afstanden tot de brandpunten gelijk aan 2a.
Bepaal voor de hyperbool de toppen, de brandpunten en de asymptoten. Controleer de brandpuntsdefinitie in de top .
a² = 9 geeft a = 3 (de toppen liggen in (±3; 0)); b² = 16 geeft b = 4.
Bij de hyperbool geldt c² = a² + b² (met een plus).
Brandpunten in (±c; 0), asymptoten met richtingscoëfficiënt ±b/a.
Afstanden tot de brandpunten (5; 0) en (−5; 0) zijn 2 en 8; neem het verschil.
Resultaat: Toppen (±3; 0), brandpunten (±5; 0), asymptoten y = ±⁴⁄₃x; de brandpuntsdefinitie klopt: |8 − 2| = 6 = 2a.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal de toppen, brandpunten en asymptoten van . Onderzoek daarna of het punt op deze hyperbool ligt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen