Kansrekening beschrijft toeval met een getal tussen 0 en 1. Je bepaalt kansen theoretisch met de regel van Laplace en empirisch als relatieve frequentie, en combineert ze met de complement-, som- en productregel. Met kansbomen, Venn-diagrammen, de voorwaardelijke kans en de regel van Bayes reken je aan meertrapsexperimenten, aan onafhankelijkheid en aan omgekeerde kansen.
4 Onderdelen~20 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 2
basisniveau
Kansrekening (domein B) hoort tot de schoolexamen-stof (SE) van wiskunde D; er is geen centraal examen. Beheers minimaal: het kansbegrip (Laplace en empirisch), de kansaxioma's, de complement-, som- en productregel, het rekenen met kansbomen en de voorwaardelijke kans P(A|B).
verhoogd niveau
Verdieping: onafhankelijkheid onderzoeken met P(A∩B)=P(A)·P(B), meertrapsexperimenten met afhankelijke stappen (zonder terugleggen) doorrekenen en de regel van Bayes toepassen op medische tests en kwaliteitscontrole — vaak in samenhang met de combinatoriek.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De kansenschaal van 0 tot 1
Regel van Laplace (klassieke kans)
Geldt alleen als alle uitkomsten even waarschijnlijk zijn (een symmetrisch kansmodel).
Empirische kans (relatieve frequentie)
Schatting uit n herhalingen; hoe groter n, hoe betrouwbaarder (wet van de grote aantallen).
Kansaxioma's (Kolmogorov)
Elke kans ligt tussen 0 en 1; de zekere gebeurtenis heeft kans 1.
Somregel voor disjuncte gebeurtenissen
Het derde axioma: sluiten A en B elkaar uit, dan tel je de kansen gewoon op.
Uit een goed geschud kaartspel van 52 kaarten trek je één kaart. (a) Bereken P(harten). (b) Bereken de kans op een plaatje (boer, dame of heer). (c) Laat met een kansaxioma zien dat de kansen op de vier kleuren samen 1 zijn.
Er zijn 13 hartenkaarten onder de 52 even waarschijnlijke kaarten, dus deel 13 door 52.
Per kleur zijn er 3 plaatjes (boer, dame, heer), dus in totaal.
Elke kleur telt 13 kaarten en heeft dus kans . De vier kleuren sluiten elkaar uit, dus hun kansen tellen op via de disjuncte somregel.
Resultaat: a) P(harten) = 1/4 = 0,25; b) P(plaatje) = 3/13 ≈ 0,23; c) elke kleur heeft kans 1/4 en samen 1, precies zoals het axioma P(U)=1 eist.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een vaas zitten 5 rode, 3 groene en 2 gele knikkers. Je pakt willekeurig één knikker. (a) Bereken P(rood) en P(niet geel) met de regel van Laplace. (b) Iemand pakt met terugleggen 200 keer een knikker en vindt 84 keer rood; bereken de relatieve frequentie en vergelijk die met de theoretische kans. (c) Controleer met een kansaxioma dat de kansen op de drie kleuren samen 1 zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — Venn-diagram: lezen en podcasts
Complementregel
De kans op „niet A”. Onmisbaar bij „minstens één”: P = 1 − P(geen).
Somregel (algemeen)
De kans op „A of B”; de dubbel getelde doorsnede wordt er weer afgetrokken.
Somregel bij elkaar uitsluitende gebeurtenissen
Kunnen A en B niet samen optreden, dan is de overlap 0.
Productregel (onafhankelijk)
De kans op „A en B” voor onafhankelijke gebeurtenissen; vermenigvuldig de kansen.
Onder 50 leerlingen lezen er 30 boeken (A), luisteren er 20 podcasts (B) en doen 12 allebei. Los daarvan gooi je twee keer met een zuivere dobbelsteen. (a) Bereken P(A∪B). (b) Bereken de kans dat een leerling geen van beide doet. (c) Bereken de kans op twee keer zes. (d) Bereken de kans op minstens één zes.
Tel de kansen op lezen en podcasts op en trek de dubbel getelde doorsnede (12 leerlingen) er weer af.
„Geen van beide” is het complement van „lezen of podcasts”.
De twee worpen beïnvloeden elkaar niet, dus vermenigvuldig de kansen.
„Minstens één zes” is 1 min de kans op twee keer géén zes.
Resultaat: a) 0,76; b) 0,24; c) 1/36 ≈ 0,03; d) 11/36 ≈ 0,31.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Van 80 klanten bestelt 50 koffie (A), 32 gebak (B) en 20 allebei. (a) Bereken P(A∪B) en de kans op geen van beide. (b) Twee klanten worden onafhankelijk (met terugleggen) gekozen; bereken de kans dat ze allebei koffie bestellen. (c) Bereken de kans dat minstens één van de twee koffie bestelt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — Kansboom: twee knikkers zonder terugleggen
Voorwaardelijke kans
De kans op A gegeven dat B is opgetreden; je beperkt de uitkomstenruimte tot B.
Productregel (algemeen)
Geldt altijd, ook bij afhankelijkheid; dit is „vermenigvuldigen langs een pad” in de kansboom.
Onafhankelijkheid
De doorsnede is dan het product van de losse kansen.
Onafhankelijkheid (gelijkwaardig)
Het weten van de ene gebeurtenis verandert de kans op de andere niet.
Een vaas bevat 6 rode en 4 blauwe knikkers. Je trekt zónder terugleggen twee knikkers (zie Afb. 1). (a) Bereken P(eerste rood en tweede blauw). (b) Bereken P(tweede rood). (c) Bereken P(eerste rood | tweede rood). (d) Onderzoek of „eerste rood” en „tweede rood” onafhankelijk zijn.
Vermenigvuldig de takkansen op het pad rood → blauw.
„Tweede rood” bereik je via (rood, rood) óf via (blauw, rood); tel die padkansen op.
Deel de kans dat beide rood zijn door de kans dat de tweede rood is.
Vergelijk met . Omdat de voorwaarde de kans wél verandert (), zijn de trekkingen afhankelijk — logisch, want zónder terugleggen.
Resultaat: a) 4/15 ≈ 0,27; b) 0,6; c) 5/9 ≈ 0,56; d) afhankelijk, want P(eerste rood | tweede rood) = 5/9 ≠ 0,6 = P(eerste rood).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Onder 200 forenzen reist 120 met de trein (T) en 90 in de spits (S); 70 reizen met de trein én in de spits. (a) Bereken P(S|T) en interpreteer de uitkomst. (b) Bereken P(T|S) en leg uit waarom dit iets anders is dan (a). (c) Onderzoek of „trein” en „spits” onafhankelijk zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — Kansboom van de ziektetest
Wet van de totale kans
De kans op B, uitgesplitst over de oorzaak A en haar complement; dit is de noemer bij Bayes.
Regel van Bayes
Draait de voorwaardelijke kans om: van P(B|A) naar P(A|B).
Bayes volledig uitgeschreven
De teller is het pad langs A, de noemer de totale kans op B (som van de paden).
Afb. 2 — Wie test positief? (per 10.000 mensen)
Een ziekte komt bij 2% van de bevolking voor. De test geeft bij een zieke met kans 0,90 een positieve uitslag en bij een gezonde met kans 0,05 een vals-positieve uitslag. Iemand test positief (zie Afb. 1). (a) Bereken P(positief). (b) Bereken P(ziek | positief) met de regel van Bayes. (c) Interpreteer de uitkomst.
Tel de twee paden op die op „positief” uitkomen: via ziek en via gezond.
Deel het pad langs „ziek en positief” door de totale kans op een positieve test.
Ook al is de test op zich vrij betrouwbaar, na een positieve uitslag is er maar ongeveer kans op de ziekte. Omdat de ziekte zeldzaam is, komen de meeste positieve uitslagen van de grote groep gezonden: per mensen zijn dat vals-positieven tegen terecht-positieven.
Resultaat: a) P(positief) = 0,067; b) P(ziek | positief) ≈ 0,27; c) een positieve test geeft hier nog geen zekerheid — door de lage prevalentie is de meerderheid van de positieven vals alarm.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een fabriek heeft twee machines: machine I maakt 70% van de producten met 2% uitval, machine II de overige 30% met 6% uitval. Een willekeurig product blijkt defect. (a) Bereken de kans dat een product defect is (wet van de totale kans). (b) Bereken met de regel van Bayes de kans dat het defecte product van machine II komt. (c) Interpreteer je antwoord.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen