Een toevalsvariabele koppelt aan elke uitkomst van een kansexperiment een getal; met de kansverdeling vat je dat samen. De verwachtingswaarde E(X) is het gemiddelde op de lange duur, de variantie en de standaardafwijking σ meten de spreiding. Met de rekenregels voor E(aX+b), Var(aX+b) en voor sommen E(X+Y) en Var(X+Y) reken je snel aan lineaire combinaties van toevalsvariabelen.
4 Onderdelen~19 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Toevalsvariabelen (domein B) horen tot de schoolexamen-stof (SE) van wiskunde D; er is geen centraal examen. Beheers minimaal: de kansverdeling van een discrete toevalsvariabele opstellen, en E(X), Var(X) en σ(X) uit die verdeling berekenen en interpreteren.
verhoogd niveau
Verdieping: de rekenregels E(aX+b)=aE(X)+b, Var(aX+b)=a²Var(X), E(X+Y)=E(X)+E(Y) en (bij onafhankelijkheid) Var(X+Y)=Var(X)+Var(Y) toepassen, en het onderscheid tussen X+Y (twee onafhankelijke variabelen) en 2X (één variabele verdubbeld) doorzien.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Kansverdeling: aantal keer kop bij 3 worpen
Kansverdeling
De som van alle kansen in een kansverdeling is precies 1.
Elke kans in [0,1]
Elke afzonderlijke kans ligt tussen 0 en 1.
Samengestelde kans
Tel de kansen van de gunstige waarden op; „minstens 2” is X ≥ 2.
Je gooit drie keer met een zuivere munt. Zij X het aantal keer kop. (a) Geef alle mogelijke waarden van X. (b) Stel de kansverdeling van X op. (c) Controleer dat de kansen samen 1 zijn. (d) Bereken P(X ≥ 2).
Bij drie worpen kun je 0, 1, 2 of 3 keer kop gooien, dus X ∈ {0, 1, 2, 3}.
Er zijn even waarschijnlijke uitkomsten. Het aantal volgordes met k keer kop is : 1, 3, 3, 1.
Tel alle kansen op; ze moeten precies 1 opleveren.
„Minstens 2” is X = 2 of X = 3; tel die twee kansen op.
Resultaat: a) X ∈ {0,1,2,3}; b) kansen 1/8, 3/8, 3/8, 1/8; c) samen 1; d) P(X ≥ 2) = 1/2 = 0,5.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een zuivere dobbelsteen wordt twee keer geworpen. Zij X het aantal keer dat je een zes gooit. (a) Geef de mogelijke waarden van X. (b) Stel de kansverdeling van X op (denk aan mét/zonder zes per worp). (c) Controleer dat de kansen samen 1 zijn. (d) Bereken P(X ≥ 1).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — E(X) als zwaartepunt van de kansverdeling
Verwachtingswaarde
Het gewogen gemiddelde van de waarden, elk gewogen met zijn kans.
Lineariteit van E
Schalen met a en verschuiven met b werken rechtstreeks door in de verwachtingswaarde.
Bijzondere gevallen
Alleen schalen, of alleen verschuiven.
Een spel keert een bedrag X uit: P(X=0)=0,6, P(X=10)=0,3 en P(X=20)=0,1. (a) Bereken E(X) en interpreteer. (b) Een lot kost €7. Zij W = X − 7 de nettowinst; bereken E(W) met de regel E(aX+b)=aE(X)+b. (c) De organisator verdubbelt alle prijzen; bereken de nieuwe verwachte uitkering E(2X).
Weeg elke prijs met zijn kans en tel op.
Op de lange duur keert het spel gemiddeld €5 per keer uit; €5 is dus de „eerlijke” inleg.
Hier is en , dus .
Nu is en , dus .
Resultaat: a) E(X) = €5 (gemiddelde uitkering op lange duur); b) E(W) = −€2, dus bij €7 inleg gemiddeld €2 verlies per lot; c) E(2X) = €10.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een rad win je punten X: P(X=0)=0,5, P(X=2)=0,3, P(X=5)=0,2. (a) Bereken E(X). (b) Elke beurt kost 1 punt inleg; zij W = X − 1 de nettowinst. Bereken E(W) met de rekenregel. (c) De punten worden verdrievoudigd; bereken E(3X). Is het spel op de lange duur voordelig bij een inleg van 1 punt?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — Gelijke verwachtingswaarde, verschillende spreiding
Variantie (definitie)
De verwachte gekwadrateerde afwijking van de verwachtingswaarde μ = E(X).
Variantie (rekenformule)
Vaak sneller: het gemiddelde van de kwadraten min het kwadraat van het gemiddelde.
Standaardafwijking
De wortel van de variantie; een spreidingsmaat in dezelfde eenheid als X.
Rekenregel bij aX+b
De verschuiving b heeft geen effect; de schaalfactor komt in het kwadraat (variantie) of als |a| (σ) terug.
Voor spel B geldt P(X=1)=0,25, P(X=4)=0,5, P(X=7)=0,25. (a) Bereken E(X). (b) Bereken Var(X) met de definitie. (c) Controleer met Var(X)=E(X²)−μ². (d) Bereken σ(X). (e) De uitkomsten worden verdrievoudigd (Y=3X); bereken σ(Y).
Weeg elke waarde met zijn kans.
Kwadrateer elke afwijking van en weeg met de kans.
Bereken eerst ; trek dan af.
Neem de wortel van de variantie.
Gebruik met .
Resultaat: a) E(X) = 4; b) Var(X) = 4,5; c) 20,5 − 16 = 4,5 (klopt); d) σ(X) ≈ 2,12; e) σ(3X) ≈ 6,36 (driemaal zo groot).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een toevalsvariabele X heeft P(X=2)=0,4, P(X=5)=0,4, P(X=10)=0,2. (a) Bereken E(X). (b) Bereken Var(X) met de rekenformule E(X²)−μ². (c) Bepaal σ(X). (d) De uitkomsten worden met 2 verhoogd (Y = X + 2); geef E(Y) en σ(Y) zonder de verdeling opnieuw op te stellen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — Kansverdeling van de som van twee dobbelstenen
Som — verwachtingswaarde
Geldt altijd, ook als X en Y afhankelijk zijn.
Som — variantie
Varianties tel je op, maar alléén bij onafhankelijkheid; standaardafwijkingen tel je nooit zomaar op.
Lineaire combinatie — E
De verwachtingswaarde is lineair, zonder voorwaarden.
Lineaire combinatie — Var
Elke coëfficiënt komt gekwadrateerd terug; alleen geldig bij onafhankelijkheid.
X en Y zijn de ogen van twee onafhankelijke zuivere dobbelstenen. Voor één worp geldt E(X)=3,5 en Var(X)=35/12≈2,92. Zij S=X+Y de som (Afb. 1). (a) Bereken E(S). (b) Bereken Var(S) en σ(S). (c) Leg uit waarom je de varianties mag optellen. (d) Bereken E(T) en Var(T) voor T=2X en vergelijk met S.
De verwachtingswaarde is altijd lineair.
Tel de varianties op en neem de wortel voor σ.
De twee dobbelstenen beïnvloeden elkaar niet, dus X en Y zijn onafhankelijk; alleen dan geldt .
Nu schaal je één worp: (gelijk aan ), maar — twee keer zo groot als .
Resultaat: a) E(S) = 7; b) Var(S) ≈ 5,83 en σ(S) ≈ 2,42; c) omdat X en Y onafhankelijk zijn; d) S en T hebben dezelfde verwachting 7, maar T spreidt veel meer (Var 11,67 tegen 5,83): twee worpen optellen is niet hetzelfde als één worp verdubbelen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee onafhankelijke machines vullen elk een zak; het gewicht X (machine 1) heeft E(X)=500 g en σ(X)=8 g, het gewicht Y (machine 2) E(Y)=500 g en σ(Y)=6 g. (a) Bereken E(X+Y) en σ(X+Y) voor het totale gewicht van twee zakken. (b) Bereken E(2X) en σ(2X) voor twee zakken van dezelfde machine. (c) Leg uit waarom (a) en (b) een verschillende spreiding geven, ook al is de verwachtingswaarde gelijk.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen