Kansrekening maakt onzekerheid meetbaar. Je leert kans opvatten als relatieve frequentie (empirisch) en als theoretische kans volgens Laplace (gunstig gedeeld door mogelijk), en rekenen met de som-, complement- en productregel. Daarna komen kansbomen en wegendiagrammen om samengestelde kansen te berekenen, en de voorwaardelijke kans, mede met Venn-diagrammen. De combinatoriek uit een eerder onderwerp gebruik je om kansen te tellen. Dit onderwerp hoort tot de centraal-examenstof (subdomein E4).
4 Onderdelen~15 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Het kansbegrip en de kansregels (subdomein E4) zijn centraal-examenstof en de basis voor de kansverdelingen.
verhoogd niveau
Verdieping: de voorwaardelijke kans en het redeneren met kansbomen en Venn-diagrammen vragen een zorgvuldige, gestructureerde aanpak.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De kansenschaal van 0 tot 1
Regel van Laplace
De theoretische kans als alle uitkomsten even waarschijnlijk zijn.
Empirische kans
De relatieve frequentie; nadert op de lange duur de echte kans (wet van de grote aantallen).
(a) Bereken de theoretische kans op precies één zes bij het gooien met twee dobbelstenen. (b) Een punaise valt in worpen keer op zijn rug — schat de kans. (c) Waarom mag je bij de punaise Laplace niet gebruiken?
Er zijn mogelijke uitkomsten. Gunstig (precies één zes): zes staat op de eerste én niet op de tweede () óf andersom (), samen .
Relatieve frequentie: .
Een punaise valt niet met gelijke kans op rug of op zij (de uitkomsten zijn niet even waarschijnlijk), dus Laplace geldt niet; je moet de kans schatten uit waarnemingen.
Resultaat: (a) ; (b) ongeveer ; (c) omdat de uitkomsten niet even waarschijnlijk zijn.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bereken de theoretische kans om met één dobbelsteen minstens een te gooien. Een muntstuk wordt keer geworpen en valt keer op kop; schat de kans op kop en leg uit of dit muntstuk zuiver lijkt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 2 — Venn-diagram voor de somregel
Complementregel
De kans dat A niet optreedt; handig bij « minstens één ».
Somregel
Kans op A of B; trek de dubbel getelde overlap af.
Productregel
Kans op A en B bij onafhankelijke gebeurtenissen; anders met P(B|A).
Onder leerlingen doet aan sport (), aan muziek () en aan allebei. Er wordt aselect één leerling gekozen. (a) Bereken . (b) Bereken de kans op geen van beide. (c) Bij twee onafhankelijke muntworpen: bereken de kans op twee keer munt.
, , .
Geen van beide is het complement van : .
Onafhankelijk, elk : .
Resultaat: (a) ; (b) ; (c) .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Uit een kaartspel ( kaarten) wordt één kaart getrokken. Bereken de kans op « een harten óf een aas » met de somregel. Bereken daarna de kans op minstens één zes bij vier worpen met een dobbelsteen via het complement.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 3 — Kansboom weer en te laat komen
Langs een pad vermenigvuldigen
De kans van één afloop is het product van de kansen op de takken van dat pad.
Over paden optellen
Kan een gebeurtenis via meerdere paden optreden, dan tel je hun kansen op.
Gebruik de kansboom: regen (dan te laat ), droog (dan te laat ). (a) Bereken de kans op « regen én te laat ». (b) Bereken de kans om te laat te komen. (c) Controleer dat alle padkansen samen zijn.
.
Te laat via regen () of via droog ().
: klopt.
Resultaat: (a) ; (b) ; (c) de padkansen sommeren tot .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een vaas zitten rode en blauwe knikkers. Je trekt er twee zonder terugleggen. Teken de kansboom met de juiste takkansen en bereken de kans op twee rode knikkers en de kans op één rode en één blauwe.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 4 — Venn-diagram bril en beugel
Voorwaardelijke kans
De kans op A gegeven dat B is opgetreden; je beperkt je tot de gevallen binnen B.
Algemene productregel
Geldt ook voor afhankelijke gebeurtenissen; de tweede factor is een voorwaardelijke kans.
Van leerlingen dragen alleen een bril, alleen een beugel, allebei en geen van beide. Bereken (a) , (b) , (c) leg uit of bril en beugel onafhankelijk zijn.
Beugeldragers: ; daarvan met bril: .
Brildragers: ; daarvan met beugel: .
, maar . Het weten van « beugel » verandert de kans op « bril », dus ze zijn níet onafhankelijk.
Resultaat: (a) ; (b) ; (c) niet onafhankelijk, want .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een groep van mensen sport regelmatig; van hen eet ook gezond. Van de niet-sporters eet gezond. Bereken de kans dat iemand gezond eet gegeven dat hij sport, en de kans dat iemand sport gegeven dat hij gezond eet.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen