Deze samenvatting laat zien hoe je ruwe data ordent in frequentietabellen — met relatieve en cumulatieve frequenties, ook bij klassen — en hoe je die data weergeeft in staaf-, cirkel- en lijndiagrammen, histogrammen en boxplots. Je leert grafieken lezen én tekenen, de vorm van een verdeling en uitschieters herkennen, en beoordelen of een grafiek een eerlijk beeld geeft.
4 Onderdelen~27 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Gemeenschappelijke eindexamenstof (domein E2): frequentietabellen met relatieve en cumulatieve frequenties, en het lezen en tekenen van staaf-, cirkel- en lijndiagrammen, histogrammen en boxplots.
verhoogd niveau
Verdieping: verdelingen vergelijken met boxplots, uitschieters opsporen met de 1,5 × IQR-regel en grafieken in bronnen kritisch beoordelen op vertekening.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Staafdiagram van een frequentietabel
Cumulatieve frequenties
Relatieve frequentie
De frequentie van een waarde gedeeld door het totale aantal waarnemingen n, als deel van het geheel; maal 100% voor een percentage. Alle relatieve frequenties samen zijn 100%.
Relatieve cumulatieve frequentie
De lopende som van de frequenties, gedeeld door n. De laatste cumulatieve frequentie is altijd gelijk aan n (100%).
Aan 20 leerlingen is gevraagd hoeveel broers en zussen zij hebben. De antwoorden zijn: 1, 2, 0, 3, 1, 2, 1, 0, 2, 4, 1, 1, 3, 2, 0, 1, 2, 1, 2, 1. Maak een frequentietabel met de frequentie, de relatieve frequentie (in %) en de cumulatieve frequentie.
De kleinste waarde is 0, de grootste is 4. De mogelijke waarden zijn dus 0, 1, 2, 3 en 4.
Loop de rij één keer door en turf per waarde. Je vindt: 0 komt 3 keer voor, 1 komt 8 keer voor, 2 komt 6 keer voor, 3 komt 2 keer voor en 4 komt 1 keer voor.
3 + 8 + 6 + 2 + 1 = 20. Dat klopt met het aantal leerlingen, dus er is niet verkeerd geteld.
Deel elke frequentie door 20 en maak er een percentage van: 3/20 = 15%, 8/20 = 40%, 6/20 = 30%, 2/20 = 10%, 1/20 = 5%. Samen 100%.
Tel de frequenties op tot en met elke waarde: t/m 0 → 3, t/m 1 → 3 + 8 = 11, t/m 2 → 11 + 6 = 17, t/m 3 → 17 + 2 = 19, t/m 4 → 19 + 1 = 20. De laatste is n = 20.
Resultaat: De frequentietabel: waarde 0 (frequentie 3; 15%; cumulatief 3), 1 (8; 40%; 11), 2 (6; 30%; 17), 3 (2; 10%; 19), 4 (1; 5%; 20). Zo lees je bijvoorbeeld af dat 17 van de 20 leerlingen (85%) hoogstens 2 broers en zussen hebben.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een klas van 30 leerlingen is het aantal huisdieren geteld: 0 huisdieren (7 leerlingen), 1 (11), 2 (8), 3 (3) en 4 (1). Maak een frequentietabel met relatieve frequenties (in %) en cumulatieve frequenties, en bepaal welk percentage van de leerlingen minstens 2 huisdieren heeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Lijndiagram: verkoop van e-bikes
Staafdiagram: vervoer naar school
Cirkeldiagram: vervoer naar school
Sectorhoek in een cirkeldiagram
De hoek van een taartpunt is de relatieve frequentie maal 360°. Alle sectorhoeken samen vormen 360°.
Spreidingsdiagram: studeren en cijfer
Aan 50 mensen is gevraagd naar hun favoriete ijssmaak: vanille 15, chocola 20, aardbei 10 en overig 5. Bereken voor elke smaak de relatieve frequentie (in %) en de sectorhoek voor een cirkeldiagram.
15 + 20 + 10 + 5 = 50, gelijk aan het aantal ondervraagden. De data zijn compleet.
Deel elke frequentie door 50: vanille 15/50 = 30%, chocola 20/50 = 40%, aardbei 10/50 = 20%, overig 5/50 = 10%. Samen 100%.
Vermenigvuldig elke relatieve frequentie met 360°. Vanille: 0,30 × 360° = 108°. Chocola: 0,40 × 360° = 144°. Aardbei: 0,20 × 360° = 72°. Overig: 0,10 × 360° = 36°.
108° + 144° + 72° + 36° = 360°. De sectorhoeken vullen samen precies de hele cirkel, dus de berekening klopt.
Resultaat: Vanille 30% (108°), chocola 40% (144°), aardbei 20% (72°), overig 10% (36°). Teken met een geodriehoek vanaf een startstraal telkens de volgende hoek af; het grootste stuk (chocola, 144°) valt meteen op.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een enquête onder 400 mensen koos 140 voor thee, 180 voor koffie, 60 voor water en 20 voor iets anders. Bereken de relatieve frequenties (in %) en de sectorhoeken voor een cirkeldiagram, en leg uit waarom een cirkeldiagram hier passender is dan een lijndiagram.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Histogram: lichaamslengte
Klassenmidden
Het midden van een klasse, gebruikt als representatieve waarde van die klasse (bijvoorbeeld om een gemiddelde te schatten).
Frequentiedichtheid
De staafhoogte waarmee de oppervlakte evenredig met de frequentie blijft; nodig bij ongelijke klassenbreedtes.
Histogram: wachttijd bij de kassa
De wachttijd (in seconden) van 20 klanten is: 12, 35, 48, 22, 67, 51, 29, 44, 73, 58, 31, 19, 42, 66, 55, 38, 27, 39, 61, 24. Deel de data in klassen van 20 seconden breed in ([0,20), [20,40), [40,60), [60,80)), maak de frequentietabel en beschrijf de vorm van het histogram.
De kleinste waarde is 12, de grootste is 73. Klassen van 20 breed die dit bereik dekken: [0,20), [20,40), [40,60) en [60,80). De grens 20 hoort bij [20,40), niet bij [0,20).
[0,20): 12 en 19 → 2. [20,40): 35, 22, 29, 31, 38, 27, 39, 24 → 8. [40,60): 48, 51, 44, 58, 42, 55 → 6. [60,80): 67, 73, 66, 61 → 4.
2 + 8 + 6 + 4 = 20, gelijk aan het aantal klanten. De indeling is compleet.
Relatief: 2/20 = 10%, 8/20 = 40%, 6/20 = 30%, 4/20 = 20% (samen 100%). Cumulatief: 2, 10, 16, 20. Zo wacht 80% van de klanten korter dan 60 seconden (16 van de 20).
De modale klasse (met de hoogste frequentie) is [20,40). De frequenties lopen na de piek af naar rechts, met een staart richting de hogere wachttijden: de verdeling is scheef naar rechts.
Resultaat: Frequentietabel: [0,20) → 2 (10%), [20,40) → 8 (40%), [40,60) → 6 (30%), [60,80) → 4 (20%). Het histogram (Afb. 2) heeft aaneengesloten staven van hoogte 2, 8, 6 en 4 en is scheef naar rechts; de modale klasse is [20,40).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven de rapportcijfers van 25 leerlingen: 5, 6, 7, 8, 6, 4, 7, 9, 6, 5, 8, 7, 6, 3, 7, 8, 6, 5, 7, 9, 6, 7, 8, 5, 6. Deel de data in de klassen [3,5), [5,7), [7,9) en [9,11) in, maak de frequentietabel en teken het histogram. Is de verdeling symmetrisch of scheef?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Boxplots vergelijken: klas A en klas B
Bereik (spreidingsbreedte)
Het verschil tussen de grootste en de kleinste waarneming; gevoelig voor uitschieters.
Kwartielafstand (IQR)
De breedte van de doos: de spreiding van de middelste 50% van de data; robuust tegen uitschieters.
Grenzen voor uitschieters
Een waarneming buiten deze twee grenzen geldt als uitschieter en wordt in de boxplot als los punt getekend.
Boxplot met een uitschieter: reistijd
Bepaal de vijf-getallensamenvatting van deze 15 scores: 14, 9, 20, 12, 7, 18, 11, 16, 9, 22, 13, 8, 17, 15, 10. Bereken ook het bereik en de kwartielafstand.
Gesorteerd: 7, 8, 9, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20, 22. Het minimum is 7, het maximum is 22.
Er zijn 15 waarnemingen (oneven), dus de mediaan is de middelste: de 8e waarde. Dat is 13.
De onderste helft (de 7 waarden vóór de mediaan) is 7, 8, 9, 9, 10, 11, 12; de middelste daarvan is 9, dus Q1 = 9. De bovenste helft is 14, 15, 16, 17, 18, 20, 22; de middelste is 17, dus Q3 = 17.
Bereik = max − min = 22 − 7 = 15. Kwartielafstand = Q3 − Q1 = 17 − 9 = 8.
Resultaat: Vijf-getallensamenvatting: minimum 7, Q1 9, mediaan 13, Q3 17, maximum 22. Het bereik is 15 en de kwartielafstand is 8. Hiermee teken je meteen de boxplot: een doos van 9 tot 17 met een streep bij 13 en snorren naar 7 en 22.
Gebruik de boxplots van klas A en klas B uit Afb. 1. a) Lees de vijf-getallensamenvatting van beide klassen af. b) Bereken voor elke klas het bereik en de kwartielafstand. c) Welke klas scoorde hoger en welke klas was gelijkmatiger? Licht toe.
Klas A: minimum 3, Q1 5, mediaan 6, Q3 8, maximum 10. Klas B: minimum 5, Q1 6, mediaan 7, Q3 8, maximum 9.
Bereik A = 10 − 3 = 7. Kwartielafstand A = 8 − 5 = 3.
Bereik B = 9 − 5 = 4. Kwartielafstand B = 8 − 6 = 2.
De mediaan van klas B (7) is hoger dan die van klas A (6), en de hele doos van B ligt hoger. Dus klas B scoorde gemiddeld hoger.
Klas B heeft een kleinere kwartielafstand (2 tegen 3) en een kleiner bereik (4 tegen 7). De cijfers van klas B liggen dus dichter bij elkaar: klas B was gelijkmatiger.
Resultaat: Klas B scoorde zowel hoger (mediaan 7 tegen 6) als gelijkmatiger (kwartielafstand 2 en bereik 4, tegen 3 en 7 bij klas A). Klas A kende meer spreiding, met zowel het laagste (3) als het hoogste (10) cijfer.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Van twee webshops is de bezorgtijd (in dagen) gemeten. Webshop P: 1, 2, 2, 3, 3, 4, 4, 5, 5, 6, 7. Webshop Q: 1, 2, 2, 3, 3, 3, 4, 4, 4, 5, 5. Bepaal voor beide de vijf-getallensamenvatting, teken de boxplots boven elkaar op dezelfde as en beoordeel welke webshop sneller en betrouwbaarder bezorgt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen
CvTE / DUO