Verklarende (inferentiële) statistiek gebruikt één steekproef om een onderbouwde uitspraak te doen over een hele populatie. Je leert hoe de steekproefverdeling van het gemiddelde ontstaat en hoe groot de standaardfout σ/√n is, hoe je daarmee een 95%-betrouwbaarheidsinterval opstelt voor een gemiddelde of een proportie, en hoe je een hypothese toetst met een nulhypothese H0 en een alternatief H1, een significantieniveau α, de p-waarde en het kritieke gebied. De binomiale toets met een eerlijke conclusie in de context vormt de kern, samen met een kritische blik op wat „significant” wél en niet betekent.
4 Onderdelen~22 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 3 · Verdieping 1
basisniveau
Deze verklarende statistiek (domein E6) is gemeenschappelijke CE-stof voor alle profielen: de standaardfout, het 95%-betrouwbaarheidsinterval en de binomiale toets met een conclusie op een significantieniveau moet je met de grafische rekenmachine kunnen uitvoeren.
verhoogd niveau
De verdieping zit in het scherp verwoorden van de interpretatie: wat „95%-betrouwbaar” precies betekent, waarom een niet-verworpen H0 geen bewijs van H0 is, en waarom „statistisch significant” niet hetzelfde is als „belangrijk”.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Steekproefverdeling van het gemiddelde tegenover de populatie
Standaardfout van het gemiddelde
De spreiding van de steekproefgemiddelden: de populatiespreiding σ gedeeld door de wortel van de steekproefomvang n. Vier keer zoveel waarnemingen halveert de standaardfout.
Van een populatie is de standaardafwijking σ = 20. Bereken de standaardfout van het steekproefgemiddelde bij n = 25 en bij n = 100, en leg uit wat het verschil betekent.
De standaardfout van het gemiddelde is σ/√n, met σ = 20 de populatiespreiding en n de steekproefomvang.
√25 = 5, dus de standaardfout is 20 gedeeld door 5, oftewel 4.
√100 = 10, dus de standaardfout is 20 gedeeld door 10, oftewel 2.
Van n = 25 naar n = 100 is de steekproef vier keer zo groot geworden, en de standaardfout is precies gehalveerd (van 4 naar 2). Vier keer zoveel waarnemingen levert dus een twee keer zo nauwkeurige schatting van het gemiddelde.
Resultaat: Bij n = 25 is de standaardfout 4; bij n = 100 is ze 2. Een viermaal grotere steekproef halveert de standaardfout — de nauwkeurigheid groeit met √n, niet met n.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De lengtes in een grote populatie hebben standaardafwijking σ = 12 cm. (a) Bereken de standaardfout van het steekproefgemiddelde bij n = 36 en bij n = 144. (b) Hoe groot moet n minstens zijn om een standaardfout van hoogstens 1 cm te krijgen? Licht bij (b) je berekening toe.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 2 — Een 95%-betrouwbaarheidsinterval op een getallenlijn
95%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde
Het steekproefgemiddelde x̄ plus en min de foutmarge 1,96 keer de standaardfout σ/√n. De factor 1,96 vangt de middelste 95% van de normale verdeling.
95%-betrouwbaarheidsinterval voor een proportie
De steekproefproportie p̂ plus en min 1,96 keer de standaardfout van de proportie √(p̂(1−p̂)/n).
Een onderzoeker meet bij een aselecte steekproef van n = 64 personen de reactietijd. Het steekproefgemiddelde is x̄ = 420 ms. Neem aan dat de populatiestandaardafwijking bekend is: σ = 48 ms. Bereken het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de gemiddelde reactietijd in de populatie.
√64 = 8, dus de standaardfout is 48 gedeeld door 8, oftewel 6 ms.
Vermenigvuldig de standaardfout met 1,96: 1,96 × 6 = 11,76 ms.
Trek de foutmarge van x̄ af en tel hem erbij op: 420 − 11,76 = 408,24 en 420 + 11,76 = 431,76.
We zijn er 95% zeker van dat de gemiddelde reactietijd in de hele populatie tussen ongeveer 408 ms en 432 ms ligt.
Resultaat: Het 95%-betrouwbaarheidsinterval is [408,24 ; 431,76] ms, oftewel afgerond ongeveer 408 tot 432 ms. Herhaald onderzoek zou in ongeveer 95% van de gevallen een interval opleveren dat het echte gemiddelde bevat.
In een aselecte steekproef van n = 200 kiezers zeggen 110 vóór een voorstel te zijn. Stel het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het populatie-aandeel voorstanders op en beoordeel of er een meerderheid is.
Deel het aantal voorstanders door de steekproefomvang: 110/200 = 0,55.
Vul p̂ = 0,55 in: √(0,55·0,45/200) = √0,0012375 ≈ 0,0352.
1,96 × 0,0352 ≈ 0,069, dus 0,55 ± 0,069 geeft afgerond het interval [0,48 ; 0,62].
De waarde 0,50 ligt binnen het interval [0,48 ; 0,62]. Een meerderheid is dus níet aangetoond: op grond van deze steekproef kun je niet met 95% betrouwbaarheid zeggen dat meer dan de helft vóór is.
Resultaat: Het 95%-betrouwbaarheidsinterval is ongeveer [0,48 ; 0,62]. Omdat 0,50 erbinnen valt, is een meerderheid statistisch niet aangetoond.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een aselecte steekproef van 400 leerlingen blijken er 240 een bijbaan te hebben. (a) Bereken de steekproefproportie p̂. (b) Stel het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het populatie-aandeel op. (c) Mag je concluderen dat meer dan de helft van alle leerlingen een bijbaan heeft? Licht toe.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 3 — Eenzijdig kritiek gebied op de standaardnormale verdeling
Null- en alternatieve hypothese
H0 is de gelijkheid (het toeval / de status-quo); H1 kiest de richting: eenzijdig (> of <) of tweezijdig (≠).
Significantieniveau = kans op een type-I-fout
Het vooraf gekozen risico (meestal 0,05) om H0 ten onrechte te verwerpen. Bij α hoort het kritieke gebied.
Iemand beweert met een zuivere munt te loten (kans op kop = 0,5). Jij vermoedt dat de munt juist vaker kop geeft. Je gooit de munt 20 keer. Stel H0 en H1 op, kies één- of tweezijdig en leg het significantieniveau vast op 5%.
De parameter is p, de kans op kop. De bewering „zuivere munt” legt H0 vast als de gelijkheid p = 0,5.
Je vermoeden is dat kop VAKER valt, dus H1: p > 0,5. Dat is een gerichte bewering, dus je toetst eenzijdig (rechtszijdig): het hele kritieke gebied van 5% ligt in de rechterstaart (veel kop).
Kies vooraf α = 0,05. Je verwerpt H0 straks alleen als het aantal kop zó hoog is dat de kans daarop onder H0 kleiner is dan 0,05.
Resultaat: H0: p = 0,5 tegen H1: p > 0,5, een eenzijdige (rechtszijdige) toets op significantieniveau α = 0,05. In de volgende paragraaf reken je de p-waarde uit en trek je de conclusie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een fabrikant beweert dat 80% van de klanten tevreden is. Een consumentenorganisatie vermoedt dat het werkelijke percentage lager ligt en ondervraagt 50 aselect gekozen klanten. Formuleer H0 en H1, geef aan of je één- of tweezijdig toetst en waarom, en noem het significantieniveau (α = 0,05).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 4 — De p-waarde als staartoppervlak (eenzijdige toets)
Afb. 5 — Tweezijdig kritiek gebied op 5%
Beslisregel
Is de kans op de waargenomen uitkomst (of extremer) onder H0 kleiner dan het significantieniveau, dan verwerp je H0; anders niet.
Binomiale toets — verdeling onder H0
Het aantal successen X is onder H0 binomiaal verdeeld; de p-waarde is een staartkans hiervan, op de GR via binomcdf.
Normale benadering van de binomiale verdeling
Voor grote n benader je Bin(n, p0) door een normale verdeling met dit gemiddelde en deze standaardafwijking (eventueel met een ½-continuïteitscorrectie).
Bij de munt uit de vorige paragraaf gooi je 20 keer en je krijgt 15 keer kop. Toets op significantieniveau α = 0,05 of de munt vaker kop geeft dan een zuivere munt. Gebruik H0: p = 0,5 tegen H1: p > 0,5.
Als H0 waar is (p = 0,5), is het aantal kop X binomiaal verdeeld met verwachting np = 10.
Je waarneming is 15 kop; „extremer” in de richting van H1 betekent 15 of méér. De p-waarde is de rechterstaartkans P(X ≥ 15), op de GR als 1 − binomcdf(20; 0,5; 14).
De p-waarde 0,021 is kleiner dan het significantieniveau 0,05, dus je verwerpt H0.
Het kritieke gebied is het kleinste aantal kop met staartkans ≤ 0,05. Er geldt P(X ≥ 14) ≈ 0,058 (te groot) en P(X ≥ 15) ≈ 0,021 (≤ 0,05), dus de grenswaarde is 15 en het kritieke gebied is {15, 16, …, 20}. De waarneming 15 valt daar precies in — dezelfde conclusie.
Op significantieniveau 5% is er voldoende bewijs dat deze munt vaker kop geeft dan een zuivere munt (p > 0,5). Let op: dit toont niet aan hóé oneerlijk de munt is — alleen dat 15-of-meer kop bij een zuivere munt te onwaarschijnlijk is om aan toeval toe te schrijven.
Resultaat: De p-waarde is P(X ≥ 15) ≈ 0,021 < 0,05, dus H0 wordt verworpen. De waarneming ligt in het kritieke gebied {15, …, 20}. Conclusie: op 5%-niveau is er voldoende bewijs dat de munt vaker kop geeft (H1: p > 0,5).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een dobbelsteen wordt 60 keer geworpen; je telt 16 keer een zes. Onderzoek met een geschikte binomiale toets op significantieniveau α = 0,05 of de dobbelsteen vaker een zes geeft dan een zuivere steen (kans 1/6). Formuleer H0 en H1, bepaal de p-waarde met de GR en trek een onderbouwde conclusie.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen