Statistiek met ICT gaat over het doelmatig inzetten van de grafische rekenmachine (en de spreadsheet) bij statistiek en kansrekening. Het is geen apart examendomein, maar een gereedschapsvaardigheid uit domein A (ICT-gebruik) die het hele centraal examen doorsnijdt: je voert data in lijsten in en bepaalt met 1-Var Stats de kengetallen, berekent binomiale en normale kansen met binompdf/binomcdf en normalcdf/invNorm, bepaalt een regressielijn en de correlatie r met LinReg, en voert met toevalsgetallen een simulatie uit. Steeds staat interpreteren en correct afronden centraal: de machine rekent, jij kiest de juiste opdracht en legt de uitkomst in de context uit.
4 Onderdelen~31 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 3 · Verdieping 1
basisniveau
Deze GR-vaardigheden — data invoeren, 1-Var Stats, binompdf/binomcdf, normalcdf/invNorm en LinReg — horen tot de gemeenschappelijke eindexamenstof en worden bij vrijwel elke statistiek- en kansopgave op het centraal examen verondersteld.
verhoogd niveau
Verdieping zit in het kritisch interpreteren: het verschil tussen σx en Sx, tussen r en r², de gevaren van extrapolatie, en het onderscheid tussen een simulatieschatting en een exacte kans.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Histogram van de toetsscores zoals de GR die tekent
Afb. 2 — Boxplot bij de vijf-getallensamenvatting
Gemiddelde
De som van alle waarden gedeeld door het aantal; de GR toont dit onder 1-Var Stats als x̄.
Standaardafwijking (populatie)
De GR toont deze als σx (delen door n). Sx deelt door n−1 en hoort bij een steekproefschatting.
Kwartielafstand
De spreiding van de middelste 50% van de data; het bereik is maxX − minX.
Van 20 leerlingen is de toetsscore genoteerd: 12, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 34, 38. Bepaal met de GR het gemiddelde, de standaardafwijking, de mediaan en de kwartielafstand, en beoordeel of het gemiddelde of de mediaan hier de beste centrummaat is.
Open STAT ▸ EDIT en typ de 20 scores onder elkaar in lijst L1. Controleer dat je er precies 20 hebt staan (de GR toont n straks als controle).
Kies STAT ▸ CALC ▸ 1:1-Var Stats, geef L1 op en bevestig. De GR toont onder meer x̄ = 23,65, σx ≈ 6,81, n = 20, minX = 12, Q1 = 18,5, Med = 23,5, Q3 = 28,5 en maxX = 38.
Gemiddelde
De kwartielafstand is IQR = Q3 − Q1 = 28,5 − 18,5 = 10; het bereik is maxX − minX = 38 − 12 = 26.
Kwartielafstand
Het gemiddelde (23,65) en de mediaan (23,5) liggen dicht bij elkaar, wat wijst op een vrijwel symmetrische verdeling zonder sterke uitschieters (zie het histogram, Afb. 1). Beide centrummaten zijn hier goed bruikbaar; pas als er een duidelijke uitschieter was geweest, zou de mediaan te verkiezen zijn.
Resultaat: De GR geeft x̄ = 23,65, σx ≈ 6,81, mediaan = 23,5 en IQR = 10. Omdat het gemiddelde en de mediaan bijna gelijk zijn, is de verdeling ongeveer symmetrisch en is het gemiddelde hier een prima centrummaat.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Oefenopgave: voer de dagelijkse reistijden (in minuten) van 15 leerlingen in — 8, 10, 12, 12, 15, 16, 18, 20, 22, 25, 25, 28, 30, 35, 45 — in lijst L1 en bepaal met 1-Var Stats het gemiddelde, de mediaan, σx, Q1, Q3 en de kwartielafstand. Leg met een berekening uit welke centrummaat het meest geschikt is en waarom.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO): domein A (ICT-gebruik) en domein E (statistiek en kansrekening) (College voor Toetsen en Examens (CvTE) / DUO)
Afb. 3 — Normale verdeling met de kans als oppervlakte
Afb. 4 — Binomiale kansverdeling voor n = 20 en p = 0,25
Binomiale kans
GR: binompdf(n, p, k) geeft P(X=k); binomcdf(n, p, k) geeft de cumulatieve kans P(X≤k).
Verwachting en spreiding (binomiaal)
Met n = 20 en p = 0,25: E(X) = 5 en σ ≈ 1,94.
z-score (normale verdeling)
Het aantal standaardafwijkingen dat x van het gemiddelde μ af ligt; normalcdf(a, b, μ, σ) geeft de kans tussen a en b, invNorm(opp, μ, σ) het omgekeerde.
Interaktive Grafik lädt…
Een meerkeuzetoets heeft 20 vragen met elk 4 antwoordopties. Een leerling gokt alle antwoorden, zodat het aantal goede antwoorden X binomiaal verdeeld is met n = 20 en p = 0,25. Bereken met de GR: (a) de kans op precies 8 goed, (b) de kans op hoogstens 8 goed, en (c) de kans op minstens 6 goed.
X is binomiaal met n = 20 en p = 0,25 (elke vraag lukt met kans 1/4). De verwachtingswaarde is E(X) = np = 5.
Binomiale kans
P(X = 8) = binompdf(20, 0,25, 8) ≈ 0,0609. Er is dus ongeveer 6% kans op precies 8 goed.
P(X ≤ 8) = binomcdf(20, 0,25, 8) ≈ 0,9591. Ruim 95% van de gokkers haalt 8 goed of minder.
P(X ≥ 6) = 1 − P(X ≤ 5) = 1 − binomcdf(20, 0,25, 5) ≈ 1 − 0,6172 = 0,3828.
Complementregel
Resultaat: (a) P(X = 8) ≈ 0,061; (b) P(X ≤ 8) ≈ 0,959; (c) P(X ≥ 6) ≈ 0,383. De sleutel is het vertalen van 'precies/hoogstens/minstens' naar binompdf, binomcdf en het complement.
De scores op een IQ-test zijn normaal verdeeld met μ = 100 en σ = 15. Bereken met de GR: (a) de kans dat een willekeurige persoon een score tussen 90 en 120 heeft, en (b) de grensscore waarboven de 10% hoogst scorende personen liggen.
P(90 < X < 120) = normalcdf(90, 120, 100, 15) ≈ 0,656. De GR geeft direct de oppervlakte onder de klok tussen 90 en 120 (Afb. 3).
Normale kans
De z-score bij 90 is (90 − 100)/15 ≈ −0,67 en bij 120 is (120 − 100)/15 ≈ 1,33. De grenzen liggen dus tussen −0,67σ en +1,33σ; een oppervlakte van ongeveer 0,66 is daarbij plausibel.
z-score bij x = 120
De bovenste 10% betekent P(X > x) = 0,10, dus P(X < x) = 0,90. De grens is x = invNorm(0,90, 100, 15) ≈ 119,2.
Van z-score naar grenswaarde
Wie tot de 10% hoogst scorende hoort, heeft dus een IQ van ongeveer 119 of hoger. Merk op dat invNorm standaard de linker-oppervlakte gebruikt; daarom vul je 0,90 in en niet 0,10.
Resultaat: (a) P(90 < X < 120) ≈ 0,656; (b) de grensscore is invNorm(0,90, 100, 15) ≈ 119,2, dus een IQ van ongeveer 119. normalcdf gaat van grenzen naar kans, invNorm van kans naar grens.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Oefenopgave: (a) van een productielijn is 5% van de producten defect. In een doos zitten 40 producten; bereken met de GR de kans op precies 2 defecte en de kans op hoogstens 2 defecte producten. (b) De levensduur van een lamp is normaal verdeeld met μ = 1200 uur en σ = 150 uur; bereken de kans dat een lamp langer dan 1400 uur brandt en bepaal met invNorm de levensduur die door minstens 90% van de lampen wordt gehaald.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO): domein A (ICT-gebruik) en domein E (statistiek en kansrekening) (College voor Toetsen en Examens (CvTE) / DUO)
Afb. 5 — Spreidingsdiagram met regressielijn
Afb. 6 — De correlatieschaal van −1 tot +1
Regressielijn (kleinste kwadraten)
GR: LinReg(ax+b). a is de richtingscoëfficiënt, b het snijpunt met de y-as.
Richtingscoëfficiënt
De kleinste-kwadratenlijn minimaliseert de som van de kwadraten van de verticale afstanden (residuen) tot de lijn.
Correlatiecoëfficiënt
r meet de sterkte en richting van het lineaire verband; r² (de determinatiecoëfficiënt) is de verklaarde variantie.
Van acht leerlingen zijn het aantal studie-uren per week (x) en het examencijfer (y) genoteerd: (1; 3,0), (2; 4,5), (3; 5,0), (4; 5,5), (5; 6,5), (6; 7,0), (7; 8,0), (8; 8,5). Bepaal met de GR de regressielijn en de correlatiecoëfficiënt, voorspel het cijfer bij 9 studie-uren en beoordeel de betrouwbaarheid van die voorspelling.
Zet de studie-uren in L1 (1, 2, …, 8) en de bijbehorende cijfers in L2 (3,0; 4,5; …; 8,5). Elk paar staat op dezelfde rij.
Kies STAT ▸ CALC ▸ 4:LinReg(ax+b) met L1, L2. De GR geeft a = 0,75, b = 2,625, r ≈ 0,992 en r² ≈ 0,984.
Regressielijn
r ≈ 0,99 ligt heel dicht bij 1: een sterk positief lineair verband (Afb. 6). r² ≈ 0,984 betekent dat ongeveer 98% van de verschillen in cijfer samenhangt met de verschillen in studie-uren.
Vul x = 9 in de lijnformule in: y = 0,75 · 9 + 2,625 = 9,375 ≈ 9,4.
Voorspelling bij 9 uur
9 uur ligt net buiten het databereik (1 tot 8 uur), dus dit is lichte extrapolatie; de voorspelling is nog redelijk. Bij veel meer uren zou het model een cijfer boven 10 geven en dus onbruikbaar worden — het lineaire verband geldt maar op een beperkt gebied.
Resultaat: Regressielijn y = 0,75x + 2,625 met r ≈ 0,99 (sterk positief lineair verband). Voorspeld cijfer bij 9 uur: 9,4. Betrouwbaar binnen het databereik; ver daarbuiten geldt het lineaire model niet meer.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Oefenopgave: in zeven weken zijn de gemiddelde temperatuur (x, in °C) en de omzet ijs (y, in honderden euro's) gemeten: (16; 2,1), (18; 2,6), (20; 3,0), (22; 3,7), (25; 4,2), (28; 5,0), (30; 5,3). Bepaal met de GR de regressielijn en r, voorspel de ijsomzet bij 24 °C, en leg uit waarom je met een voorspelling bij 40 °C voorzichtig moet zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO): domein A (ICT-gebruik) en domein E (statistiek en kansrekening) (College voor Toetsen en Examens (CvTE) / DUO)
Afb. 7 — De wet van de grote aantallen
Afb. 8 — Frequentie per uitkomst bij 600 gesimuleerde worpen
Relatieve frequentie
De empirische schatting van een kans uit een simulatie of experiment.
Wet van de grote aantallen
Hoe meer herhalingen, hoe dichter de relatieve frequentie bij de theoretische kans komt.
Een kans simuleren met rand
rand levert een toevalsgetal in [0, 1); een gebeurtenis met kans p simuleer je door te kijken of rand < p.
Je simuleert 60 worpen met een eerlijke dobbelsteen met randInt(1, 6, 60) en telt 8 keer een zes. (a) Bereken de relatieve frequentie van 'zes'. (b) Vergelijk die met de theoretische kans. (c) Leg uit wat er met de relatieve frequentie gebeurt als je het aantal worpen sterk vergroot.
De relatieve frequentie is het aantal zessen gedeeld door het aantal worpen: 8/60 = 0,1333… ≈ 0,13.
Relatieve frequentie
De theoretische kans op 'zes' bij een eerlijke dobbelsteen is 1/6 ≈ 0,167. De geschatte 0,13 ligt daar wat onder; zo'n afwijking is normaal bij een klein aantal worpen.
Bij veel meer worpen nadert de relatieve frequentie de theoretische kans (Afb. 7). Bij 600 worpen vind je bijvoorbeeld 99/600 = 0,165, al dicht bij 1/6.
Resultaat: (a) 8/60 ≈ 0,13; (b) de theoretische kans is 1/6 ≈ 0,167, dus de simulatie zit er door toeval iets onder; (c) hoe meer worpen, hoe dichter de relatieve frequentie bij 0,167 komt — de wet van de grote aantallen.
Bepaal de kans op minstens één zes bij vier worpen met een dobbelsteen, en beschrijf hoe je die kans met een simulatie zou schatten.
'Minstens één zes' is lastig direct te tellen; gebruik het complement 'geen enkele zes'. Per worp is de kans op géén zes 5/6.
P(geen zes bij 4 worpen) = (5/6)⁴ = 625/1296 ≈ 0,482, dus P(minstens één zes) = 1 − 0,482 = 0,518.
Via het complement
Simuleer met randInt(1, 6, 4) één ronde van vier worpen, kijk of er een 6 bij zit, en herhaal dit bijvoorbeeld 100 keer. Deel het aantal rondes met minstens één zes door 100; je vindt een relatieve frequentie rond 0,52.
De simulatieschatting (≈ 0,52) bevestigt de exacte kans (0,518). Waar een exacte berekening kan, is die nauwkeuriger; de simulatie dient hier als controle.
Resultaat: Exact: P(minstens één zes) = 1 − (5/6)⁴ ≈ 0,518. Een simulatie met randInt(1, 6, 4) over 100 rondes geeft een relatieve frequentie in de buurt van 0,52 — een bevestiging van de exacte waarde.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Oefenopgave: een spel is 'gewonnen' als je met twee dobbelstenen samen 7 ogen gooit. (a) Bereken de theoretische kans op 7 ogen. (b) Beschrijf hoe je deze kans met randInt(1, 6, …) kunt simuleren en welke relatieve frequentie je bij veel herhalingen ongeveer verwacht. (c) Leg uit waarom je bij 20 potjes een relatieve frequentie kunt vinden die sterk afwijkt van je antwoord bij (a).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde A (VWO): domein A (ICT-gebruik) en domein E (statistiek en kansrekening) (College voor Toetsen en Examens (CvTE) / DUO)
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE) / DUO