Keuzeonderwerpen zijn schoolexamenstof: verdieping die je school in het PTA vastlegt, géén centraal-examenstof. Deze samenvatting laat zien hoe je zo'n onderwerp aanpakt met de modelleercyclus, uitgewerkt aan het voorbeeld van verzadigde (logistische) groei. Je leert een model opstellen en verantwoorden, de uitkomsten interpreteren en bekritiseren, en een onderbouwde conclusie presenteren.
4 Onderdelen~23 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Dit is schoolexamenstof (SE/PTA), geen centraal-examenstof — de precieze invulling verschilt per school en staat in je PTA.
verhoogd niveau
Verdiep een samenhangend thema (bijvoorbeeld verzadigde/logistische groei) met de modelleercyclus en verantwoord elke modelkeuze.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Centraal examen versus schoolexamen
Een leerling heeft vier onderwerpen op een rijtje: (1) de normale verdeling en de z-score, (2) differentiëren met de kettingregel, (3) logistische groei als verdiepingsproject met een verslag, (4) het oplossen van kwadratische vergelijkingen. Bepaal welke onderwerpen tot de vaste centraal-examenstof horen en welk onderwerp een typisch keuzeonderwerp (SE) is. Licht je antwoord toe.
De normale verdeling en de z-score horen bij domein E (statistiek en kansrekening), differentiëren bij domein D (verandering) en kwadratische vergelijkingen bij domein B (algebra en functies). Deze drie staan in de landelijke eindtermen en kunnen op het centraal examen worden gevraagd.
Onderwerp (3), logistische groei als verdiepingsproject met een verslag, is geen vaste CE-eindterm. Het is een verdieping van modelleren, wordt per school in het PTA vastgelegd en met een onderzoeks- of verslagvorm getoetst — kenmerken van een schoolexamen-keuzeonderwerp.
Onderwerpen (1), (2) en (4) zijn centraal-examenstof; onderwerp (3) is het keuzeonderwerp dat alleen in het schoolexamen (SE/PTA) wordt beoordeeld.
Resultaat: Centraal examen: normale verdeling/z-score, kettingregel en kwadratische vergelijkingen. Keuzeonderwerp (SE): logistische groei als verdiepingsproject — beoordeeld in het schoolexamen, niet op het CE.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zoek in het PTA van je school het keuzeonderwerp voor wiskunde A op. Beschrijf in enkele zinnen: welk onderwerp het is, welke bekende wiskundige technieken je erin verdiept, met welke toetsvorm het wordt afgesloten en hoe zwaar het meetelt. Leg vervolgens uit waarom deze stof wél voor je SE-cijfer, maar niet voor het centraal examen telt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 2 — Een ongeremd exponentieel beginmodel
Afb. 1 — De modelleercyclus
Exponentieel groeimodel
is de beginwaarde en de groeifactor per tijdstap; het aantal wordt elke stap met dezelfde factor vermenigvuldigd.
Groeifactor bij p\% verandering
Een toename van per tijdstap hoort bij groeifactor ; bij afname is negatief.
Continue schrijfwijze
Met het getal schrijf je hetzelfde model als ; de groeifactor per tijdstap is dan . In het voorbeeld hoort bij .
In een vijver groeit het aantal waterlelies. Op t = 0 (weken) zijn er 10 planten; in de beginweken neemt het aantal met ongeveer 65% per week toe. (a) Stel met deze gegevens een exponentieel beginmodel op. (b) Bereken het voorspelde aantal na 4 en na 6 weken. (c) De vijver biedt plaats aan hooguit ongeveer 100 planten. Toets het model hieraan en beschrijf welke stap in de modelleercyclus je nu zet.
Een vaste procentuele toename van 65% per week hoort bij groeifactor . Met beginwaarde wordt het model . In continue vorm is met , dus .
, dus ongeveer 74 planten. , dus ongeveer 202 planten.
Het model voorspelt na 6 weken ruim 200 planten, terwijl de vijver plaats biedt aan hooguit ongeveer 100. De uitkomst is dus onrealistisch: een ongeremd exponentieel model kent geen bovengrens, maar de werkelijkheid wél. De toetsing faalt voor grote .
Dit is geen rekenfout maar een modelfout. Via de terugkoppelpijl ga je terug naar de modelkeuze: je hebt een model nodig dat in het begin (bijna) exponentieel groeit maar afvlakt naar een draagkracht. Dat is precies de logistische groei uit de volgende paragraaf.
Resultaat: geeft en planten. Omdat 202 de capaciteit van ongeveer 100 planten ver overschrijdt, is het ongeremde model op termijn onhoudbaar; de cyclus stuurt je naar een verzadigd (logistisch) model.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een groeisituatie uit je eigen omgeving (bijvoorbeeld het aantal volgers van een account, de verspreiding van een gerucht of de groei van een spaarbedrag). Doorloop de modelleercyclus: beschrijf de situatie, kies een beginmodel met expliciete aannames, reken twee functiewaarden uit, interpreteer die in de context en toets of het model op langere termijn realistisch blijft. Geef aan welke bijstelling je zou doen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — Logistische groei met draagkracht
Logistisch (verzadigd) groeimodel
is de draagkracht (bovengrens), de groeisnelheid en regelt de beginwaarde. De grafiek is een S-kromme.
Beginwaarde en de constante a
Bij is ; uit de beginwaarde bereken je de constante .
Draagkracht als horizontale asymptoot
Voor grote gaat , zodat de draagkracht nadert maar nooit precies bereikt.
Buigpunt: snelste groei bij de halve draagkracht
De toename is maximaal bij de halve draagkracht; daar ligt het buigpunt van de S-kromme.
Model in het voorbeeld (L=100,\ a=9,\ k=0,8)
Met en volgt ; de groeisnelheid is per week.
Afb. 2 — Verzadigd versus ongeremd model
Een vijver biedt plaats aan hooguit 100 waterlelies (draagkracht L = 100). Op t = 0 zijn er 10 planten en de groeisnelheid is k = 0,8 per week. (a) Stel het logistische model op. (b) Bereken het aantal planten na 3 en na 6 weken. (c) Na hoeveel weken is de halve draagkracht bereikt? (d) Leg uit wat de draagkracht betekent en of het aantal die ooit precies bereikt.
Uit de beginwaarde volgt . Met , en is het model .
planten. planten.
De halve draagkracht is . Los op: weken. Dit is het buigpunt, waar de groei het snelst is.
De draagkracht is het maximale aantal planten dat de vijver duurzaam kan dragen. Voor grote nadert deze waarde: , dus . Het aantal komt willekeurig dicht bij 100 maar bereikt het nooit precies — 100 is een horizontale asymptoot.
Resultaat: Model: . Na 3 weken ongeveer 55 planten, na 6 weken ongeveer 93. De halve draagkracht (50 planten) is na weken bereikt; dat is het buigpunt. De draagkracht 100 wordt benaderd maar nooit precies bereikt (horizontale asymptoot).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een nieuw sociaal netwerk heeft een verzadigingsgrens van 5000 gebruikers in een stad (draagkracht L = 5000). Bij de start (t = 0, in maanden) zijn er 250 gebruikers en de groeisnelheid is k = 0,9 per maand. Stel het logistische model op, bereken het aantal gebruikers na 3 en na 8 maanden, bepaal wanneer de helft van de draagkracht is bereikt, en leg uit waarom een ongeremd exponentieel model hier op termijn ongeschikt is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 1 — Model naast waargenomen gegevens
Residu (afwijking meting − model)
is de waargenomen waarde op tijdstip en de modelwaarde; het residu meet hoe ver het model ernaast zit.
Relatieve afwijking ten opzichte van de draagkracht
Door de afwijking te delen door de draagkracht krijg je een percentage dat aangeeft hoe groot de fout is op de schaal van het probleem.
In een experiment worden de aantallen waterlelies geteld (fictieve meetreeks): t = 0: 12, t = 2: 38, t = 4: 70, t = 6: 95, t = 8: 97 planten. Vergelijk deze met het logistische model N(t) = 100 / (1 + 9·e^(−0,8t)). (a) Bereken de modelwaarden voor t = 2, 4, 6 en 8. (b) Bepaal de grootste afwijking tussen meting en model. (c) Formuleer een onderbouwde conclusie en noem één kritiekpunt of verbetering.
; ; ; .
Neem per tijdstip meting min model: bij is ; bij is ; bij is ; bij is (en bij is ). De grootste afwijking in absolute waarde is planten bij .
Het logistische model beschrijft de gegevens goed: alle afwijkingen zijn kleiner dan ongeveer planten, dat is ruim onder 4% van de draagkracht (100). De S-vorm en de afvlakking naar 100 komen overeen met de metingen. Kritiekpunt en verbetering: de meetreeks is klein (vijf punten) en berust op de aanname van een constante draagkracht en een gesloten systeem; met meer metingen en een controle op seizoensinvloed zou de conclusie sterker worden.
Resultaat: De modelwaarden zijn , , en . De grootste afwijking is planten bij (ongeveer 3% van de draagkracht). Conclusie: het logistische model past goed bij de gegevens; kanttekening is de kleine meetreeks en de aanname van een constante draagkracht — meer metingen zouden de conclusie versterken.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je hebt in de vorige paragraaf een logistisch model opgesteld voor een sociaal netwerk (draagkracht 5000). Stel dat je vijf maandmetingen hebt verzameld die dicht bij het model liggen. Schrijf de kern van een onderzoeksverslag: formuleer de onderzoeksvraag, benoem je aannames en modelkeuze, presenteer de vergelijking model–meting in een tabel of grafiek, bereken de grootste afwijking, en sluit af met een onderbouwde conclusie inclusief minstens twee kanttekeningen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen
CvTE / DUO