Kansrekening beschrijft toeval met een getal tussen 0 en 1. In dit onderwerp bepaal je kansen langs twee wegen — empirisch als relatieve frequentie (en geschat met een simulatie) en theoretisch met de regel van Laplace — en combineer je ze met de som-, complement- en productregel. Met kansbomen, wegendiagrammen, Venn-diagrammen en voorwaardelijke kansen reken je aan meertrapsexperimenten en onderzoek je of gebeurtenissen onafhankelijk zijn.
4 Onderdelen~21 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Gemeenschappelijke eindexamenstof (domein E): de regel van Laplace, de som-, complement- en productregel, kansbomen met en zonder terugleggen en de voorwaardelijke kans horen voor elk profiel tot de centraal-examenstof.
verhoogd niveau
Verdieping: combinatoriek koppelen aan kansen, meertrapsexperimenten met afhankelijke stappen doorrekenen en onafhankelijkheid onderzoeken met P(A∩B)=P(A)·P(B) of P(A|B)=P(A).
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De kansenschaal van 0 tot 1
Simulatie: de relatieve frequentie stabiliseert
Regel van Laplace (theoretische kans)
Geldt alleen als alle uitkomsten even waarschijnlijk zijn (een symmetrisch kansmodel).
Empirische kans (relatieve frequentie)
Schatting uit n herhalingen of uit een simulatie; hoe groter n, hoe betrouwbaarder (wet van de grote aantallen).
Kansenschaal
Een kans is nooit kleiner dan 0 (onmogelijk) of groter dan 1 (zeker).
Je gooit tegelijk met twee zuivere dobbelstenen (een rode en een blauwe). Bereken de kans dat de som van de ogen 7 is.
Elke worp is een geordend paar (rode, blauwe). Er zijn 6 × 6 = 36 uitkomsten en die zijn allemaal even waarschijnlijk, dus de regel van Laplace mag.
Som 7 kan op 6 manieren: (1,6), (2,5), (3,4), (4,3), (5,2) en (6,1).
Deel het aantal gunstige door het aantal mogelijke uitkomsten en vereenvoudig.
Ongeveer één op de zes worpen levert som 7 op; dit is de grootste kans van alle sommen. Simuleer je 3600 worpen, dan verwacht je ongeveer 600 keer som 7.
Resultaat: P(som = 7) = 1/6 ≈ 0,17.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een zuivere dobbelsteen wordt twee keer geworpen. (a) Bereken met de regel van Laplace de kans dat de som van de ogen 8 is. (b) Iemand simuleert dit experiment 500 keer en vindt 68 keer som 8. Bereken de relatieve frequentie en vergelijk die met de theoretische kans.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Kansboom van twee onafhankelijke vrije worpen
Complementregel
De kans op 'niet A'. Onmisbaar bij 'minstens één': P = 1 − P(geen).
Somregel (algemeen)
De kans op 'A of B'; de dubbel getelde doorsnede wordt er weer afgetrokken.
Somregel bij elkaar uitsluitende gebeurtenissen
Kunnen A en B niet samen optreden, dan is de overlap 0.
Productregel (onafhankelijk)
De kans op 'A en B' voor onafhankelijke gebeurtenissen; vermenigvuldig de kansen.
In een klas van 30 leerlingen doen er 18 aan sport (S) en spelen er 12 een instrument (M); 7 leerlingen doen allebei. Een vrijeworpspeler scoort daarnaast elke worp onafhankelijk met kans 0,8. (a) Bereken P(S∪M). (b) Bereken de kans dat een leerling geen van beide doet. (c) Bereken de kans dat de speler twee vrije worpen achter elkaar scoort. (d) Bereken de kans dat de speler bij twee worpen minstens één keer scoort.
Tel de kansen op sport en muziek op en trek de dubbel getelde doorsnede (7 leerlingen) er weer af.
'Geen van beide' is het complement van 'sport of muziek'.
De worpen zijn onafhankelijk, dus vermenigvuldig de takkansen langs het pad raak → raak (zie de kansboom in Afb. 1).
'Minstens één keer raak' is 1 min de kans op twee keer mis.
Resultaat: a) 23/30 ≈ 0,77 b) 7/30 ≈ 0,23 c) 0,64 d) 0,96.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een groep van 40 mensen draagt 24 een bril, dragen er 10 lenzen en draagt niemand beide. (a) Bereken de kans dat een willekeurig gekozen persoon een bril óf lenzen draagt. (b) Bereken de kans dat iemand geen van beide draagt. (c) Twee personen worden onafhankelijk (met terugleggen) gekozen; bereken de kans dat ze allebei een bril dragen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Kansboom: trekken zonder terugleggen
Vermenigvuldigen langs een pad
De kans op een hele reeks stappen is het product van de takkansen op dat pad.
Optellen over paden
De kans op een gebeurtenis is de som van de kansen van alle paden die die gebeurtenis opleveren.
Kans via combinaties (ongeordend, zonder terugleggen)
Gunstige combinaties gedeeld door alle mogelijke combinaties; controleert het boomantwoord.
Een zak bevat 3 rode en 2 groene knikkers. Je pakt zonder terugleggen twee knikkers. Gebruik de kansboom van Afb. 1. (a) Bereken de kans op twee rode. (b) Bereken de kans op twee knikkers van dezelfde kleur. (c) Bereken de kans op minstens één rode. (d) Controleer (a) met combinaties.
Bij de eerste trekking is P(rood) = 3/5 en P(groen) = 2/5. Na een rode blijven 2 rode en 2 groene over, dus dan is P(rood) = 2/4; na een groene blijven 3 rode en 1 groene, dus P(rood) = 3/4. Elke knoop telt op tot 1.
Vermenigvuldig de takkansen op het pad rood → rood.
Twee dezelfde kleur = pad (rood, rood) óf pad (groen, groen), met P(groen, groen) = 2/5 · 1/4 = 0,1.
Minstens één rode is 1 min de kans op geen enkele rode, oftewel het pad (groen, groen).
Ongeordend kiezen: 2 uit 3 rode gedeeld door 2 uit 5. Dat geeft hetzelfde antwoord als bij (a).
Resultaat: a) 0,3 b) 0,4 c) 0,9 d) 0,3 (klopt met de boom).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een vaas bevat 4 blauwe en 3 witte knikkers. Je trekt zonder terugleggen twee knikkers. (a) Teken de kansboom met de juiste takkansen. (b) Bereken de kans op twee knikkers van dezelfde kleur. (c) Controleer je antwoord bij (b) met combinaties.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Venn-diagram: sport en bijbaan
Voorwaardelijke kans
De kans op A gegeven dat B is opgetreden; je beperkt de uitkomstenruimte tot B.
Productregel (algemeen)
Geldt altijd, ook bij afhankelijkheid; dit is 'vermenigvuldigen langs een pad' in de kansboom.
Onafhankelijkheid
Drie gelijkwaardige manieren om te controleren of B de kans op A niet verandert.
Somregel via het Venn-diagram
Het diagram laat zien waarom de doorsnede één keer moet worden afgetrokken.
Onder 100 leerlingen doen er 40 aan sport (A) en hebben er 60 een bijbaan (B); 30 leerlingen doen allebei. Gebruik het Venn-diagram van Afb. 1. (a) Bereken P(A), P(B) en P(A∩B). (b) Bereken P(A∪B). (c) Bereken P(A|B) en interpreteer. (d) Onderzoek of A en B onafhankelijk zijn.
Alleen sport = 40 − 30 = 10, alleen bijbaan = 60 − 30 = 30, beide = 30 en geen van beide = 100 − 70 = 30. Samen 100.
Deel elk aantal door het totaal van 100.
Tel P(A) en P(B) op en trek de doorsnede af (of: 1 − 'geen van beide').
Beperk je tot de 60 leerlingen met een bijbaan; daarvan doen er 30 aan sport.
Vergelijk P(A∩B) met P(A)·P(B). Omdat 0,24 ≠ 0,3 zijn A en B afhankelijk: een bijbaan gaat samen met méér kans op sport (50% tegen 40%).
Resultaat: a) 0,4; 0,6; 0,3 b) 0,7 c) P(A|B) = 0,5 (van de leerlingen met een bijbaan sport 50%) d) afhankelijk, want 0,24 ≠ 0,3.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Onder 200 forenzen reist 120 met de trein (T) en 90 in de spits (S); 70 reizen met de trein én in de spits. (a) Maak een Venn-diagram met de aantallen. (b) Bereken P(S|T) en interpreteer de uitkomst. (c) Onderzoek of 'trein' en 'spits' onafhankelijk zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen
CvTE / DUO