De Spaanse werkwoordstijden vormen geen apart examendomein: ze zijn een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid die vooral binnen de schrijfvaardigheid (schoolexamen, domein D) als onderdeel van de taalverzorging wordt beoordeeld, en die daarnaast het tekstbegrip in het centraal examen ondersteunt. Een groot deel van de vervoegingen is (herhaling van) onderbouwstof; in de bovenbouw ligt de nadruk op het juist kiezen van de tijd — met als kern het onderscheid tussen pretérito indefinido en imperfecto — en op de wijzen en de perífrasis verbales die op B2-niveau het verschil maken. Dit onderwerp ordent de tijden op een tijdas, oefent hun vorming en gebruik, en wijst de contrastieve valkuilen aan tussen het Nederlands en het Spaans.
4 Onderdelen~22 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Correct tijdgebruik helpt je bij het lezen in het CE en is een voorwaarde voor het schrijven in het SE, waar taalverzorging als apart aspect meetelt; richt je eerst op de kern: presente, het onderscheid indefinido/imperfecto, de perfecto en de futuro.
verhoogd niveau
Wie naar C1 reikt, beheerst niet alleen de vormen maar ook de fijnere betekenisverschillen (indefinido versus imperfecto, de condicional voor beleefdheid en hypothese, de perífrasis verbales) en past ze bewust en foutloos toe in de eigen productie.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De Spaanse werkwoordstijden op een tijdas
Vervoeg „hablar” voor „yo” in de presente, de pretérito perfecto, de pretérito indefinido, de imperfecto, de pluscuamperfecto en de futuro, en zet elke vorm op de juiste plaats van de tijdas.
De presente is „hablo” (nu, op nul); de futuro bouw je op de infinitief: „hablar” + „-é” = „hablaré” (rechts, in de toekomst).
De indefinido (afgeronde handeling) is „hablé”, de imperfecto (achtergrond/gewoonte) is „hablaba”. Beide liggen in het gewone verleden, links van „nu”.
De perfecto is de presente van „haber” + participio: „he hablado” (recent verleden, vlak vóór nu). De pluscuamperfecto is de imperfecto van „haber” + participio: „había hablado” (het verst terug, vóór een ander verleden moment).
Let op „hablé” (indefinido) met accent tegenover „hablo” (presente) en „hable” (subjuntivo): de klemtoon bepaalt hier de tijd én de persoon.
Resultaat: Voor „yo”: presente „hablo” · perfecto „he hablado” · indefinido „hablé” · imperfecto „hablaba” · pluscuamperfecto „había hablado” · futuro „hablaré”. Van de pluscuamperfecto (het verst terug) via de gewone verledentijden en de perfecto naar de presente op nul, en de futuro rechts in de toekomst.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vervoeg „trabajar” (regelmatig) voor „yo” in de zes tijden: presente, pretérito perfecto, pretérito indefinido, imperfecto, pluscuamperfecto en futuro. Vervoeg daarna „hacer” voor „yo” in dezelfde zes tijden en let op de onregelmatige vormen (participio, indefinido-stam, futuro-stam). Zet ten slotte de juiste accenten en benoem welke vorm zonder accent een andere tijd of persoon zou worden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)
Afb. 2 — Pretérito indefinido of imperfecto?
Kies de juiste tijd en licht toe: „Cuando ___ (ser) niño, ___ (vivir, nosotros) en Madrid, pero un día mi padre ___ (encontrar) trabajo en Sevilla.”
„Cuando era niño” beschrijft een toestand in het verleden zonder eindpunt: imperfecto. Dus „era niño” (de onregelmatige imperfecto van „ser”).
In Madrid wonen was een langdurige, voortdurende situatie: opnieuw imperfecto. Dus „vivíamos en Madrid”.
„un día” wijst op één afgerond moment dat het verhaal vooruithelpt: indefinido. Dus „mi padre encontró trabajo”.
Resultaat: „Cuando era niño, vivíamos en Madrid, pero un día mi padre encontró trabajo en Sevilla.” Twee imperfectos (toestand en duur/gewoonte) tegenover één indefinido (de afgeronde gebeurtenis bij „un día”).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vul de juiste verledentijd in (indefinido of imperfecto) en verantwoord je keuze: (1) „Cuando ___ (ser) niño, nosotros ___ (vivir) en Valencia.” (2) „De repente, ___ (empezar) a llover y los turistas ___ (volver) al hotel.” (3) „Ella ___ (leer) tranquilamente cuando alguien ___ (llamar) a la puerta.” Benoem per gat of het om achtergrond/gewoonte of om een afgeronde handeling gaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)
Zet in de indirecte rede vanuit het verleden: Pablo dice: „Estudiaré medicina y viviré en Madrid.” → „Pablo dijo que…”
„dice” (zegt) wordt „dijo” (zei): de mededeling wordt nu vanuit een verleden moment weergegeven.
Een toekomst bezien vanuit het verleden is de condicional. „Estudiaré” (ik zal studeren) wordt „estudiaría”; „viviré” (ik zal wonen) wordt „viviría”.
Pablo spreekt over zichzelf („yo”); in de weergave wordt dat de derde persoon: „que estudiaría… y viviría”.
Resultaat: „Pablo dijo que estudiaría medicina y (que) viviría en Madrid.” De futuro uit de directe rede wordt in de indirecte rede vanuit het verleden de condicional — de condicional als „toekomst-in-het-verleden”.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies de juiste tijd (perfecto, indefinido, pluscuamperfecto, futuro of condicional): (1) „Esta semana ___ (yo, tener) mucho trabajo, pero ayer ___ (terminar) el informe.” (2) „Cuando llegamos, la reunión ya ___ (empezar).” (3) „Me ___ (gustar) visitarte, pero no tengo tiempo.” (4) „No contesta el teléfono: ___ (estar, él) durmiendo.” Verantwoord bij (1) waarom het ene gat perfecto en het andere indefinido is, en benoem bij (4) dat de futuro een vermoeden uitdrukt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)
Afb. 3 — De perífrasis verbales
Zet het bevel „Dímelo” (zeg het me) om in een verbod, en verklaar wat er met de vorm en het voornaamwoord gebeurt.
Een bevestigend bevel gebruikt de imperativo („di”, van „decir”); een verbod gebruikt de subjuntivo. „di” wordt dus „digas” (subjuntivo, tú).
Bij een verbod staan de voornaamwoorden vóór de werkwoordsvorm, niet erachter. „me” (aan mij) en „lo” (het) komen samen vóór „digas”, in de vaste volgorde OI vóór OD: „me lo”.
Het geschreven accent op „Dímelo” was nodig omdat de aangehechte voornaamwoorden de klemtoon verlegden. Nu de voornaamwoorden losstaan, is dat accent niet meer nodig: „No me lo digas”.
Resultaat: „Dímelo” (bevel) wordt „No me lo digas” (verbod). Bij de ontkenning wisselt de imperativo naar de subjuntivo („digas”), verhuizen de voornaamwoorden naar vóór het werkwoord („me lo”) en vervalt het accent.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
(a) Vorm van „hacer” en „venir” de bevestigende én de ontkennende „tú”-imperatief. (b) Zet „Dame el libro” in de ontkennende vorm. (c) Vul de juiste perífrasis in: „—¿Dónde está Ana? —___ (acabar de) salir.” en „Esta tarde ___ (ir a) estudiar.” (d) Herschrijf „Como ahora” met „estar” + gerundio. Let bij (a) en (b) op de vorm én de plaats van het voornaamwoord.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Spaans VWO — taalverzorging binnen domein D (voorwaardelijke vaardigheid) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen