Signaalwoorden en verwijswoorden zijn de cohesiemiddelen die een tekst hoorbaar samenhangend maken: signaalwoorden markeren de verbanden tussen tekstdelen, verwijswoorden koppelen woorden aan wat eerder is genoemd. Dit onderwerp leert je van een signaalwoord het verband af te lezen en van een verwijswoord het antecedent te bepalen. Beide horen bij domein A (Leesvaardigheid) en leveren in het centraal examen vragen naar verband en verwijzing.
4 Onderdelen~15 min leestijd3 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Signaal- en verwijswoorden herkennen is basisleesvaardigheid voor het CE, gelijk voor alle profielen.
verhoogd niveau
Bij schrijfvaardigheid zet je dezelfde middelen actief in: goede signaal- en verwijswoorden maken je eigen tekst samenhangend en helder.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Tekstverbanden en hun signaalwoorden
Bepaal het verband in elk van deze zinnen: (1) „De brug werd afgesloten, doordat het water te hoog stond.” (2) „De brug werd afgesloten, omdat de gemeente de veiligheid niet kon garanderen.”
Het hoge water leidt vanzelf, feitelijk, tot de afsluiting — er is geen menselijke afweging in het verband zelf; „doordat” markeert hier oorzaak-gevolg.
Hier is de afsluiting een beslissing die op een grond berust (de veiligheid niet kunnen garanderen). „Omdat” geeft de reden voor een handeling/oordeel.
Het verschil zit in de aard: een natuurlijk gevolg (zin 1) tegenover een menselijke beweegreden (zin 2).
Resultaat: Zin 1 = oorzaak-gevolg (natuurlijk proces, „doordat”); zin 2 = reden (grond voor een besluit, „omdat”).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zoek in een examentekst tien signaalwoorden. Benoem per signaalwoord het verband dat het aanduidt, en let bij „want/omdat/doordat” goed op het onderscheid tussen reden en oorzaak-gevolg.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Vul het passende signaalwoord in: „De maatregel klinkt streng. [...] blijkt uit de cijfers dat het aantal overtredingen nauwelijks daalt.” Keuze uit: bovendien / toch / namelijk.
De eerste zin wekt de verwachting dat de strenge maatregel werkt; de tweede zin ontkracht die verwachting (nauwelijks daling). Dat is een tegenstelling ondanks verwachting.
„Bovendien” markeert een opsomming (fout); „namelijk” een toelichting (fout); „toch” markeert juist een tegenstelling die ingaat tegen de verwachting.
„Toch” past: het contrast tussen de verwachte werking en de tegenvallende cijfers vraagt om een tegenstellend signaalwoord.
Resultaat: Het juiste signaalwoord is „toch”: het drukt de tegenstelling uit tussen de verwachte strengheid en de tegenvallende cijfers.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Neem een alinea en verwijder er drie signaalwoorden uit. Laat een medeleerling de open plekken invullen en vergelijk de keuzes: bepaal per plek eerst het verband en beoordeel welk signaalwoord het het zuiverst uitdrukt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Afb. 2 — Een verwijswoord wijst terug naar zijn antecedent
„De onderzoekers presenteerden hun rapport aan de minister. Zij noemde het onvolledig.” Naar wie of wat verwijzen „zij”, „het” en „hun”?
„hun” is meervoud en bezittelijk; het past bij het enige meervoudige begrip: de onderzoekers. „hun rapport” = het rapport van de onderzoekers.
„Zij” is hier enkelvoud (persoonsvorm „noemde”). Het meervoudige „de onderzoekers” valt af; het enkelvoudige, vrouwelijk behandelde „de minister” past — zij is degene die oordeelt.
„het” is onzijdig enkelvoud en verwijst naar het onzijdige „rapport”, dat de minister onvolledig noemt.
Resultaat: „hun” verwijst naar de onderzoekers, „zij” naar de minister (enkelvoud, blijkens „noemde”), en „het” naar het rapport.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Markeer in een examentekst vijf verwijswoorden. Bepaal per verwijswoord het antecedent, geef aan of dat een woord, een woordgroep of een hele zin is, en controleer je keuze met de congruentie in getal en geslacht.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Een alinea eindigt: „Steden vergroenen hun daken en pleinen. Daardoor koelen zij tijdens hittegolven merkbaar af.” Vraag: welk verband legt „daardoor”, en naar welk woord verwijst „zij”?
„Daardoor” koppelt een gevolg aan de voorgaande handeling: de vergroening (oorzaak) leidt tot afkoeling (gevolg). Het verband is oorzaak-gevolg.
„Zij” is meervoud en past bij het enige meervoudige begrip in de vorige zin: „steden”. De congruentie bevestigt dat.
Beide ketens lopen naar de vorige zin: het gevolg koppelt terug aan de vergroening, „zij” aan de steden.
Resultaat: „Daardoor” legt een oorzaak-gevolgverband (vergroening → afkoeling); „zij” verwijst naar „steden” (meervoud, congruent).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Formuleer bij een examentekst zelf drie vragen: één verwijsvraag (met citaatantwoord), één verbandvraag (met verbandnaam) en één gecombineerde vraag waarin je een signaalwoord én een verwijswoord uit dezelfde zin moet duiden. Beantwoord ze volgens de eisen van een correctievoorschrift.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad