Authentiek Latijn bestaat zelden uit losse hoofdzinnen: het bouwt informatie samen in participia en verkorte constructies die het Nederlands met een bijzin weergeeft. Dit onderwerp behandelt de vier participia, het participium coniunctum, de ablativus absolutus en de accusativus cum infinitivo (AcI) — de constructies die in vrijwel elke examentekst voorkomen. Het herkennen en correct ontrafelen ervan is misschien wel de belangrijkste vertaalvaardigheid van het hele vak.
4 Onderdelen~15 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 1 · Verdieping 3
basisniveau
Deze constructies zijn de brug tussen woordkennis en tekstbegrip: pas als je een participium coniunctum of een AcI herkent, valt de structuur van een lange zin op zijn plaats.
verhoogd niveau
Bij complexe auteurs stapelen constructies zich op — een ablativus absolutus binnen een AcI, een participium bij het onderwerp van een bijzin. Wie de bouwstenen los beheerst, ontwart ook zulke gelaagde perioden.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De vier participia
Determineer „scrīpta” in „Epistula scrīpta ā mīlite missa est” en vertaal de zin.
„scrīpta” is PPP van „scrībere” (schrijven): voortijdig en passief, hier nominativus enkelvoud vrouwelijk.
„scrīpta” congrueert met „epistula” (de brief, nominativus enkelvoud vrouwelijk): de geschreven brief / de brief nadat hij was geschreven.
„ā mīlite” (ablativus auctoris: door een soldaat), „missa est” (perfectum passief: werd verstuurd). Het PPP „scrīpta” is voortijdig ten opzichte van „missa est”.
Resultaat: „scrīpta” is PPP (voortijdig, passief), congruerend met „epistula”. Vertaling: „De brief werd, nadat hij geschreven was, door een soldaat verstuurd” — of bijvoeglijk: „De geschreven brief werd door een soldaat verstuurd.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Determineer elk participium (soort, tijd, genus) en geef het woord waarmee het congrueert: (1) „mīlitēs pugnantēs”, (2) „epistula scrīpta”, (3) „urbs dēlenda”, (4) „hostēs ventūrī”. Vertaal daarna (1) en (2).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)
Afb. 2 — Eén participium coniunctum, vier bijzinnen
Ontleed en vertaal het participium coniunctum in „Caesar hostēs victōs in fugam dedit.”
„victōs” is PPP van „vincere” (overwinnen): voortijdig en passief, accusativus meervoud mannelijk.
„victōs” congrueert met „hostēs” (de vijanden, accusativus meervoud): het lijdend voorwerp van „in fugam dedit” (op de vlucht joeg). De vijanden zijn dus verslagen (passief).
Voortijdig + passief → „nadat zij verslagen waren” of relatief „die verslagen waren”. De handeling van het verslaan gaat vooraf aan het op de vlucht jagen.
Resultaat: „victōs” is een participium coniunctum (PPP, voortijdig, passief) bij „hostēs”. Vertaling: „Caesar joeg de vijanden, nadat hij hen had verslagen, op de vlucht” (of: „de vijanden, die verslagen waren, …”).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vertaal het participium coniunctum in „Rōmulus, urbem condēns, dē nōmine cōgitāvit” op twee passende manieren (temporeel en causaal) en verklaar welke tijdverhouding het participium aangeeft. Doe daarna hetzelfde met een PPP: „Hostēs pulsī fūgērunt.”
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)
Afb. 3 — De bouw van de ablativus absolutus
Herken en vertaal de ablativus absolutus in „Hōc bellō cōnfectō, Caesar Rōmam rediit.”
„bellō” (ablativus enkelvoud, oorlog) en „cōnfectō” (PPP van „cōnficere”, beëindigen, ablativus enkelvoud onzijdig) congrueren; „hōc” (dit) hoort erbij. Samen hebben ze geen functie in de hoofdzin: ablativus absolutus.
„cōnfectō” is een PPP, dus voortijdig: het beëindigen gaat vooraf aan het terugkeren. Vertaal met „nadat … was”.
„nadat deze oorlog was beëindigd”. Daarna de hoofdzin: „keerde Caesar terug naar Rome” („Rōmam” is accusativus van richting, zonder voorzetsel bij een stad).
Resultaat: „Hōc bellō cōnfectō” is een ablativus absolutus (voortijdig). Vertaling: „Nadat deze oorlog was beëindigd, keerde Caesar terug naar Rome.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Herken de ablativus absolutus, geef de tijdverhouding en vertaal: (1) „Signō datō, mīlitēs impetum fēcērunt.” (2) „Rōmulō rēgnante, urbs crēvit.” (3) „Hōc bellō cōnfectō, pāx facta est.” Verklaar bij (2) waarom er geen participium staat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)
Afb. 4 — De bouw van de AcI
Afb. 5 — De tijdverhouding in de AcI
Herken en vertaal de AcI in „Nūntius dīxit hostēs urbem cēpisse.”
„dīxit” (hij zei) is een verbum dicendi en kondigt een AcI aan: er volgt een indirecte mededeling.
„hostēs” (accusativus meervoud) is het onderwerp van de AcI, „cēpisse” de infinitivus. „urbem” (accusativus enkelvoud) is het lijdend voorwerp binnen de AcI: de stad.
„cēpisse” is infinitivus perfectum (voortijdig): het innemen ging vooraf aan het zeggen. Vertaal met een voltooide tijd: „dat … hadden ingenomen”.
Resultaat: AcI: „hostēs … cēpisse”, voortijdig. Vertaling: „De boodschapper zei dat de vijanden de stad hadden ingenomen.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Herken de AcI, bepaal de tijdverhouding en vertaal: (1) „Puto tē errāre.” (2) „Nūntius dīxit hostēs urbem cēpisse.” (3) „Spērāmus amīcōs ventūrōs esse.” Leg bij een zin met „sē” uit naar wie het verwijst; herschrijf (2) desnoods met „sē” als de boodschapper over zichzelf zou spreken.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen