De coniunctivus (aanvoegende wijs) is de wijs van het niet-feitelijke: van wens, aansporing, mogelijkheid, doel en gevolg. In de hoofdzin draagt hij een modale kleur; in de bijzin is hij het vaste teken van talloze zinssoorten — finale en consecutieve zinnen, cum-zinnen, indirecte vragen en de indirecte rede (oratio obliqua). Dit onderwerp behandelt de vorming van de vier coniunctivustijden, hun gebruik in hoofd- en bijzin, de consecutio temporum en de oratio obliqua. Zonder de coniunctivus blijft het grootste deel van de bijzinnen in een examentekst gesloten.
4 Onderdelen~14 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 1 · Verdieping 3
basisniveau
De coniunctivus is het herkenningsteken van veel bijzinnen: leer eerst de vormen, zodat je een coniunctivus nooit voor een indicatief aanziet.
verhoogd niveau
In redevoeringen en geschiedwerk draagt de coniunctivus fijne betekenisnuances (irrealis, potentialis, oratio obliqua). Wie die nuances proeft, leest de argumentatie en de verteltrant scherper.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De vier coniunctivustijden van amāre
Afb. 2 — Het praesens coniunctivus per conjugatie
Determineer „vidērēmus” volledig en geef aan waarom het een coniunctivus is.
De vorm bevat de infinitivus „vidēre” + de uitgang. „Infinitivus + -m/-mus” is het kenmerk van het imperfectum coniunctivus.
-mus is de eerste persoon meervoud: „wij”. Genus actief.
De indicatief imperfectum zou „vidēbāmus” (met -bā-) zijn; „vidērēmus” heeft geen -bā- maar de infinitivus als basis, dus coniunctivus.
Resultaat: „vidērēmus” = eerste persoon meervoud imperfectum coniunctivus actief van „vidēre”. Herkenbaar aan „infinitivus (vidēre) + -mus”, tegenover de indicatief „vidēbāmus”.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Determineer tijd en persoon van elke coniunctivus: (1) „laudent”, (2) „vidērēmus”, (3) „dīxerit”, (4) „cēpissēs”. Geef bij (1) aan hoe je ziet dat het geen indicatief is, en noem de conjugatie.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)
Afb. 3 — Het gebruik van de coniunctivus
Benoem de functie van de coniunctivus in „Gaudeāmus igitur!” en vertaal.
„gaudeāmus” is eerste persoon meervoud praesens coniunctivus van „gaudēre” (blij zijn): „laten wij …”.
Een coniunctivus in de eerste persoon meervoud die aanspoort, is een coniunctivus adhortativus (aansporing).
„igitur” = dus/daarom. De adhortativus geef je weer met „laten we …”.
Resultaat: „gaudeāmus” is een coniunctivus adhortativus (eerste persoon meervoud, aansporing). Vertaling: „Laten wij dus blij zijn!”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Benoem de functie van elke coniunctivus en vertaal: (1) „Vīvāmus atque amēmus!” (2) „Utinam pater adsit!” (3) „Quid dīcam?” (4) „Sī dīves essem, tibi auxilium darem.” Geef bij (4) aan of het om heden of verleden gaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)
Afb. 4 — cum + coniunctivus
Bepaal het type en vertaal „Cum mīlitēs fessī essent, Caesar castra posuit.”
„cum” + „essent” (imperfectum coniunctivus van „esse”) is „cum” + coniunctivus. Er zijn drie betekenissen mogelijk: toen, omdat, hoewel.
„De soldaten waren moe” en „Caesar sloeg een kamp op” — het moe zijn is de logische reden voor het opslaan van een kamp. Dat wijst op een cum causale (omdat).
„Omdat de soldaten moe waren, sloeg Caesar een kamp op.” Een temporele weergave („toen …”) is ook denkbaar, maar de oorzaak-gevolgrelatie is hier het sterkst.
Resultaat: „Cum … essent” is „cum” + coniunctivus, hier het beste als cum causale: „Omdat de soldaten moe waren, sloeg Caesar een kamp op.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal het type bijzin en vertaal: (1) „Cum Rōma capta esset, cīvēs fūgērunt.” (2) „Labōrāmus ut discāmus.” (3) „Tantus erat clāmor ut nēmō audīrī posset.” (4) „Rogāvit cūr abesset.” Geef bij (1) aan welke „cum”-betekenis het beste past.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)
Afb. 5 — De consecutio temporum
Bepaal de tijdverhouding en vertaal „Rogāvī quid fēcissēs.”
„rogāvī” (ik vroeg) is een perfectum, dus een historische tijd. Dat stuurt de coniunctivustijd van de bijzin.
„fēcissēs” is plusquamperfectum coniunctivus. Bij een historische hoofdtijd hoort het plusquamperfectum bij een voortijdige bijzin (zie Afb. 5).
Voortijdig ten opzichte van „rogāvī”: het doen ging vooraf aan het vragen. Dus: „wat je gedaan hàd”.
Resultaat: „Rogāvī quid fēcissēs” — historische hoofdtijd + plusquamperfectum coniunctivus = voortijdige bijzin. Vertaling: „Ik vroeg wat je gedaan had.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal met de consecutio temporum de tijdverhouding en vertaal: (1) „Nescit ubi sīmus.” (2) „Nescīvit ubi essēmus.” (3) „Nescīvit quō īssēmus.” Leg uit hoe de tijd van de hoofdzin de coniunctivustijd van de bijzin stuurt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen