De syntaxis beschrijft hoe woorden zich tot een zin verbinden. In het Latijn doet niet de woordvolgorde maar de naamval dat werk: elke naamval draagt een functie, en congruentie (overeenkomst in naamval, getal en geslacht) verraadt welke woorden bij elkaar horen. Dit onderwerp behandelt de kern van de enkelvoudige zin — onderwerp en persoonsvorm — en de functies van de naamvallen, met bijzondere aandacht voor de veelzijdige ablativus. Wie de naamvalsfuncties beheerst, kan elke zin ontleden en dus vertalen.
3 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1
basisniveau
Syntaxis is voorwaardelijke kennis voor de vertaling: pas als je de zinsstructuur en de naamvalsfuncties ziet, kun je een tekst betrouwbaar omzetten in Nederlands.
verhoogd niveau
Wie de naamvalsfuncties vlot herkent, ontleedt ook de lange, verweven perioden van proza-auteurs als Cicero en Livius en houdt overzicht over hoofd- en bijzinnen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De zinsdelen rond de persoonsvorm
Bepaal het onderwerp in „In silvā ambulābant puerī laetī” en verantwoord je keuze.
„ambulābant” is 3e persoon meervoud imperfectum: „zij wandelden”. Het onderwerp moet dus meervoud zijn en in de nominativus staan.
„puerī” is nominativus meervoud van „puer” (2e declinatie): „de jongens”. Het congrueert in getal met „ambulābant”.
„laetī” is nominativus meervoud mannelijk en congrueert met „puerī”: „de vrolijke jongens”. „In silvā” is een bijwoordelijke bepaling van plaats (in het bos).
Resultaat: Het onderwerp is „puerī laetī” (de vrolijke jongens), nominativus meervoud, congruerend met de persoonsvorm „ambulābant”. De hele zin: „In het bos wandelden de vrolijke jongens.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Wijs in de volgende zinnen de persoonsvorm en het onderwerp aan en benoem de congruentie: (1) „Puellae in hortō cantant.” (2) „Mīles fortis est.” (3) „Rōmānī urbem mūniunt.” Geef bij (2) aan waarom „fortis” geen lijdend voorwerp is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis) (CvTE / Examenblad)
Afb. 2 — De zes naamvallen en hun kernfuncties
Geef naamval en functie van „cīvibus” in „Consul cīvibus lēgēs dedit” en vertaal de zin.
„cīvibus” is dativus (of ablativus) meervoud van „cīvis” (3e declinatie): de burgers.
Het werkwoord „dedit” (hij gaf) heeft een lijdend voorwerp „lēgēs” (wetten, accusativus meervoud) en vraagt om een ontvanger: aan wie? Dat is het meewerkend voorwerp, dus dativus.
„Consul” (onderwerp) — „cīvibus” (meew. vw., aan de burgers) — „lēgēs” (lijd. vw., wetten) — „dedit” (gaf).
Resultaat: „cīvibus” is dativus meervoud, functie: meewerkend voorwerp („aan de burgers”). Vertaling: „De consul gaf de burgers wetten.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Geef van de onderstreepte woorden naamval én functie: (1) „Amor _patriae_ magnus est.” (2) „Consul _cīvibus_ lēgēs dedit.” (3) „_Rōmam_ properāvērunt.” (4) „_Multōs annōs_ rēgnāvit.” Vertaal daarna zin (1) en (2).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis) (CvTE / Examenblad)
Afb. 3 — De functies van de ablativus
Bepaal de functie van „ā mīlitibus” in „Caesar ā mīlitibus laudātus est” en vertaal.
„laudātus est” is perfectum passief van „laudāre”: „hij werd/is geprezen”. Een passieve vorm roept de vraag op: door wie of waarmee?
„ā mīlitibus” bevat het voorzetsel „ab” + ablativus en „mīlitibus” duidt personen (soldaten) aan. Persoon + „ab” = ablativus auctoris (de handelende persoon), niet instrumentalis.
„Caesar” (onderwerp) — „ā mīlitibus” (door de soldaten) — „laudātus est” (werd geprezen).
Resultaat: „ā mīlitibus” is ablativus auctoris: de handelende persoon bij een passieve persoonsvorm, herkenbaar aan „ab” + een persoon. Vertaling: „Caesar werd door de soldaten geprezen.”
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal per ablativus de functie en vertaal: (1) „Hostēs magnō cum clāmōre urbem oppugnāvērunt.” (2) „Caesar ā mīlitibus laudātus est.” (3) „Nocte fūgērunt.” (4) „Nihil est virtūte pulchrius.” Verklaar bij (2) waarom het geen instrumentalis is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen