Het tweede tijdvak (3000 v.Chr.–500 n.Chr.) is de oudheid, waarin de Grieks-Romeinse beschaving de fundamenten legde van de Europese cultuur. De kenmerkende aspecten zijn het ontstaan van wetenschappelijk denken en van burgerschap en democratie in de Griekse stadstaat, de klassieke vormentaal, de groei van het Romeinse rijk met romanisering en de confrontatie met de Germaanse cultuur, en het ontstaan van jodendom en christendom als eerste monotheïstische godsdiensten. Deze erfenis werkt tot vandaag door.
4 Onderdelen~13 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 4
basisniveau
Voor iedereen: Griekse stadstaat en democratie, klassieke cultuur, Romeins rijk en romanisering, en jodendom en christendom zijn de kenmerkende aspecten van tijdvak 2.
verhoogd niveau
Verdieping: de erfenis van de oudheid (democratie, wetenschap, klassieke vormentaal, monotheïsme) als lange lijn volgen naar de renaissance en de moderne tijd.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De Atheense directe democratie
Leg uit waarom de Atheense democratie „direct” heet en waarom je haar niet zomaar met de moderne democratie mag gelijkstellen.
De burgers stemden zelf, in eigen persoon, in de volksvergadering over wetten en oorlog; ze kozen geen vertegenwoordigers die namens hen beslisten.
Alleen volwassen mannelijke burgers deden mee; vrouwen, slaven en vreemdelingen waren uitgesloten, dus een minderheid van de bevolking regeerde.
Onze democratie is vertegenwoordigend en kent algemeen kiesrecht; de Atheense was direct maar exclusief. Ze gelijkstellen is anachronistisch — je moet ze in haar eigen tijd plaatsen.
Resultaat: „Direct” omdat burgers zelf stemden; niet gelijk aan onze democratie omdat het kiesrecht tot mannelijke burgers beperkt was en het bestuur direct in plaats van vertegenwoordigend was.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vergelijk de Atheense democratie met een moderne vertegenwoordigende democratie op de punten wie mag meebeslissen en hoe besluiten worden genomen, en benoem één overeenkomst en twee verschillen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)
De klassieke erfenis op vier terreinen
Leg met het begrip „doorwerking” uit waarom de klassieke oudheid ook ná tijdvak 2 belangrijk bleef, en geef een voorbeeld uit een later tijdvak.
Doorwerking betekent dat verschijnselen uit een tijdvak in latere tijdvakken invloed blijven uitoefenen; de klassieke cultuur werd telkens opnieuw als voorbeeld genomen.
Latijn, klassieke teksten en bouwvormen bleven het gedeelde referentiepunt van geletterd Europa, bewaard onder meer in kloosters en kerk.
In de renaissance (tijdvak 5) grepen kunstenaars en humanisten bewust terug op de klassieke oudheid — vandaar de naam „wedergeboorte” van de klassieke cultuur.
Resultaat: De klassieke cultuur werkte door omdat Latijn, teksten en vormen bewaard bleven en telkens als ideaal dienden; de renaissance is daarvan het duidelijkste latere voorbeeld.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem twee elementen van de klassieke Grieks-Romeinse cultuur en leg voor elk uit hoe het in een later tijdvak doorwerkte.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)
Mijlpalen van de oudheid
Een opgraving in Zuid-Nederland toont een Romeinse nederzetting met een badhuis, Latijnse inscripties en Romeinse munten, ten zuiden van de Rijn. Verklaar dit met de begrippen romanisering en limes.
De vindplaats ligt ten zuiden van de Rijn, die de limes (rijksgrens) vormde; dit gebied hoorde dus bij het Romeinse rijk.
Badhuis, Latijnse inscripties en munten zijn tekenen dat de lokale bevolking Romeinse taal, gewoonten en bestuur overnam — het proces van romanisering.
Ten noorden van de Rijn, buiten het rijk, leefden Germaanse stammen zonder steden en schrift; daar ontbreken zulke Romeinse sporen grotendeels.
Resultaat: De nederzetting lag binnen het rijk (ten zuiden van de limes-Rijn) en de Romeinse baden, munten en inscripties tonen romanisering; ten noorden van de grens leefde de niet-geromaniseerde Germaanse wereld.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom de Rijn zowel een grens als een contactzone was tussen de Romeinse en de Germaanse wereld, en noem één vorm van strijd en één vorm van uitwisseling.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)
De verspreiding van het christendom
Leg uit waarom de Romeinen christenen vervolgden, hoewel ze normaal juist tolerant waren tegenover vreemde goden, en wat er in de vierde eeuw veranderde.
De Romeinen lieten onderworpen volken doorgaans hun eigen goden houden, mits ze óók de Romeinse goden en de keizer eerden.
Christenen (en joden) weigerden vanwege hun monotheïsme de Romeinse goden en de keizerverering; dat gold als weigering van trouw aan de staat en leidde tot vervolging.
Met het Edict van Milaan (313) werd het christendom getolereerd en rond 380 werd het staatsgodsdienst — de vervolgde minderheid werd de dominante godsdienst.
Resultaat: Christenen werden vervolgd omdat hun monotheïsme de keizerverering (een teken van staatstrouw) uitsloot; in de vierde eeuw werd het christendom eerst getolereerd (313) en daarna staatsgodsdienst (380).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit hoe het christendom in ongeveer drie eeuwen veranderde van een vervolgde joodse sekte in de staatsgodsdienst van het Romeinse rijk, en waarom die verandering voor de volgende tijdvakken belangrijk is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad