De tien tijdvakken vormen het chronologische kader van het hele examen: een indeling van de prehistorie tot heden in tien perioden met een herkenbare naam en samen negenenveertig kenmerkende aspecten. Dit onderwerp legt uit waarom historici met zo'n kader werken, geeft het overzicht van jagers tot computer, laat zien hoe je met kenmerkende aspecten werkt, en oefent het gebruik van het kader bij bronnen. Deze oriëntatiekennis moet je paraat hebben — niet als rijtje, maar om verschijnselen te plaatsen en te vergelijken.
4 Onderdelen~14 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor iedereen: de tien tijdvakken met hun namen, perioden en kenmerkende aspecten zijn de basiskennis waarop het hele centraal examen rust.
verhoogd niveau
Verdieping: kenmerkende aspecten vlot herkennen in onbekende bronnen en ze gebruiken als bouwstenen voor een redenering over oorzaak, gevolg en verandering.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De grote perioden en de tien tijdvakken
De boekdrukkunst met losse letters raakte in Europa verbreid vanaf omstreeks 1450. In welk tijdvak en in welke grote periode valt dit, en leg uit waarom de grens rond 1500 hier goed van pas komt.
Omstreeks 1450 valt in de vijftiende eeuw, aan het einde van tijdvak 4 (steden en staten, 1000–1500).
Dat is nog de late middeleeuwen, vlak vóór de conventionele grens van 1500 met de vroegmoderne tijd.
De boekdrukkunst versnelde de verspreiding van ideeën (renaissance, reformatie) die de vroegmoderne tijd kenmerken; ze illustreert dat de grens rond 1500 een geleidelijke overgang markeert, geen breuk in één jaar.
Resultaat: De boekdrukkunst hoort bij het einde van tijdvak 4 (late middeleeuwen), vlak vóór de vroegmoderne tijd; ze laat zien dat de grens van 1500 een geleidelijke, geen abrupte overgang is.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zet de vijf grote perioden (prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd) in de juiste volgorde met hun globale begin- en eindpunten, en geef bij elk de bijbehorende tijdvaknummers.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tien tijdvakken (CvTE / Examenblad)
De tien tijdvakken op een rij
Zet de volgende tijdvakken in de juiste chronologische volgorde en geef van elk de periode: „regenten en vorsten”, „monniken en ridders”, „burgers en stoommachines”, „jagers en boeren”.
Jagers en boeren = tijdvak 1; monniken en ridders = tijdvak 3; regenten en vorsten = tijdvak 6; burgers en stoommachines = tijdvak 8.
Op nummer: 1 (jagers en boeren) → 3 (monniken en ridders) → 6 (regenten en vorsten) → 8 (burgers en stoommachines).
tot 3000 v.Chr. → 500–1000 → 1600–1700 → 1800–1900.
Resultaat: Volgorde: jagers en boeren (tot 3000 v.Chr.) → monniken en ridders (500–1000) → regenten en vorsten (1600–1700) → burgers en stoommachines (1800–1900).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem uit je hoofd de tien tijdvakken op volgorde met hun perioden, en markeer welke twee tijdvakken samen de middeleeuwen vormen en welke drie de vroegmoderne tijd.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tien tijdvakken (CvTE / Examenblad)
Kenmerkende aspecten bij hun tijdvak
In een tekst lees je over kooplieden die zich in een middeleeuwse stad verenigen in gilden en van hun heer stadsrechten krijgen. Aan welk tijdvak en kenmerkend aspect koppel je dit, en hoe redeneer je dat?
Gilden, stadsrechten en een zelfstandige stedelijke gemeenschap wijzen op de opkomst van steden en een stedelijke burgerij.
Dat verschijnsel is een kenmerkend aspect van tijdvak 4, steden en staten (1000–1500).
Omdat de bron kooplieden, gilden en stadsrechten noemt — uitingen van de opkomende stedelijke burgerij — hoort ze thuis in tijdvak 4; dat plaatst het verschijnsel in de hoge en late middeleeuwen.
Resultaat: Het hoort bij tijdvak 4 (steden en staten), kenmerkend aspect „opkomst van de stedelijke burgerij en zelfstandigheid van steden”; gilden en stadsrechten zijn daarvan de uitingen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies twee kenmerkende aspecten die met elkaar samenhangen over de tijdvakken heen (bijvoorbeeld handel in tijdvak 4 en tijdvak 6). Leg uit hoe het verschijnsel zich ontwikkelde en wat er veranderde en gelijk bleef.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — kenmerkende aspecten (CvTE / Examenblad)
Contextualiseren als redeneerketen
Je krijgt een pamflet uit 1789 waarin een schrijver eist dat de macht van de koning wordt beperkt en dat burgers grondrechten krijgen. Contextualiseer deze bron: koppel haar aan een tijdvak en aspect en gebruik dat om de strekking te verklaren.
1789 valt in tijdvak 7 (pruiken en revoluties). Het eisen van grondrechten en het beperken van vorstelijke macht wijst op verlicht denken en de democratische revoluties.
Kenmerkende aspecten van tijdvak 7 zijn de Verlichting (rede, natuurrecht, grenzen aan de macht) en de democratische revoluties (Amerikaanse en Franse). Het pamflet is daarvan een uiting.
Vanuit die context begrijp je het pamflet als revolutionaire eis: verlichte ideeën over volkssoevereiniteit en grondrechten worden ingezet tegen het absolutisme van het ancien régime — precies wat in 1789 in Frankrijk tot revolutie leidde.
Resultaat: Het pamflet hoort bij tijdvak 7; het is een uiting van de Verlichting en de democratische revoluties, en die context verklaart de eis om vorstelijke macht te beperken en grondrechten in te voeren.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Neem een willekeurige historische afbeelding uit een studieboek. Bepaal de datering, koppel haar aan een tijdvak en kenmerkend aspect, en schrijf in twee zinnen op hoe die context de afbeelding verklaart.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — contextualiseren met tijdvakken (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad