Elk economie-examen leunt op een gereedschapskist van reken- en interpretatievaardigheden. Dit onderwerp behandelt procentuele veranderingen en groeifactoren, indexcijfers (enkelvoudig en gewogen), het onderscheid tussen nominaal en reëel (koopkracht en inflatie) en het lezen en tekenen van verbanden met hellingsgetal en marginale grootheden. Deze vaardigheden worden nooit los getoetst maar in samenhang met alle inhoudelijke domeinen.
4 Onderdelen~15 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor iedereen: procenten, groeifactoren, indexcijfers, reëel/nominaal en het aflezen van grafieken vormen de gemeenschappelijke rekenbasis van elk onderdeel van het centraal examen economie.
verhoogd niveau
Verdieping: vlot schakelen tussen groeifactoren en indexcijfers, gewogen indexcijfers opbouwen en reële grootheden zuiver koppelen aan de context van een opgave.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Exponentiële groei bij een vaste groeifactor
Procentuele verandering
Deel altijd door de oude (uitgangs)waarde.
Groeifactor
Bij een stijging van ; bij een daling is .
Samengestelde groei
Opeenvolgende veranderingen vermenigvuldig je; de gemiddelde groeifactor is .
Een aandeel staat op €200. In het eerste jaar daalt de koers met 20%, in het tweede jaar stijgt hij met 20%. Bereken de koers na twee jaar en de totale procentuele verandering.
Een daling van 20% hoort bij groeifactor ; een stijging van 20% bij groeifactor .
.
.
De totale groeifactor is , dus de koers is met gedaald. Een daling en een even grote stijging heffen elkaar niet op.
Resultaat: De koers is na twee jaar €192; dat is een totale daling van 4% ten opzichte van de €200 bij de start.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De omzet van een bedrijf groeit drie jaar achtereen: +5%, +8% en −3%. Bereken de totale procentuele omzetverandering over de drie jaar en de gemiddelde jaarlijkse groeifactor.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein A (vaardigheden) (CvTE / Examenblad)
Opbouw van een gewogen prijsindexcijfer
Prijs en prijsindexcijfer per jaar
Enkelvoudig indexcijfer
De basiswaarde staat op 100.
Gewogen (samengesteld) indexcijfer
= gewicht/budgetaandeel, = partieel indexcijfer van categorie .
Een huishouden besteedt 30% van het budget aan voeding, 50% aan wonen en 20% aan overige zaken. De partiële prijsindexcijfers zijn: voeding 110, wonen 104, overig 108. Bereken de consumentenprijsindex (CPI).
De CPI is een gewogen gemiddelde van de partiële indexcijfers met de budgetaandelen als gewichten.
Voeding: . Wonen: . Overig: .
. Omdat de gewichten samen 1 zijn, hoef je niet meer te delen.
Resultaat: De CPI is 106,6; het algemeen prijspeil is met 6,6% gestegen ten opzichte van het basisjaar.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het prijsindexcijfer van energie is 130 (2020=100) en dat van de overige bestedingen 105. Energie heeft een budgetaandeel van 12%. Bereken de bijdrage van energie aan de CPI en de totale CPI.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein A (vaardigheden) (CvTE / Examenblad)
Nominaal versus reëel inkomen
Reëel indexcijfer
Corrigeert een nominale grootheid voor de verandering van het prijspeil.
Benadering reële groei
Alleen zuiver bij kleine percentages; anders de indexcijfermethode gebruiken.
Het nominale inkomen van een werknemer stijgt van €30.000 (2020) naar €33.000 (2023). De CPI stijgt in die periode van 100 naar 108. Is de werknemer er in koopkracht op vooruit- of achteruitgegaan? Bereken het reële inkomen in prijzen van 2020.
Het loon stijgt met (nominaal indexcijfer 110).
in prijzen van 2020.
: de koopkracht is met ongeveer toegenomen.
Resultaat: De koopkracht is licht gestegen: het reële inkomen is ongeveer €30.556 (prijzen 2020), een reële stijging van circa 1,85%.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De spaarrente is 3% per jaar en de inflatie 5%. Bereken (benaderend) de reële rente en leg uit of het spaartegoed in koopkracht groeit of krimpt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein A (vaardigheden) (CvTE / Examenblad)
Totale kosten als lineair verband
Dalende gemiddelde totale kosten
Lineair verband en hellingsgetal
= waarde bij ; = verandering van per eenheid .
Marginale en gemiddelde kosten
Marginaal = de extra eenheid (helling); gemiddeld = totaal gedeeld door het aantal.
Van een bedrijf zijn de totale kosten bekend: bij 4 producten €180 en bij 9 producten €280. Neem aan dat het verband lineair is. Bepaal het hellingsgetal, stel de formule TK = a + b·q op en geef de marginale kosten.
euro per product.
Vul een punt in: .
. De marginale kosten zijn gelijk aan de helling: per product; de vaste kosten zijn €100.
Resultaat: Het hellingsgetal is 20, de kostenfunctie is TK = 100 + 20q en de marginale kosten zijn €20 per product.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een bedrijf heeft vaste kosten van €600 en constante marginale kosten van €15 per product. Stel de formule voor de totale kosten op en bereken de gemiddelde totale kosten bij een productie van 200 stuks.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein A (vaardigheden) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad