Hoe ecosystemen zichzelf ordenen en in evenwicht houden. Je bestudeert de populatiegroei (exponentieel en logistisch, met de draagkracht als grens), de successie waarbij een levensgemeenschap zich stap voor stap ontwikkelt tot een climaxstadium, en het dynamisch evenwicht met predator-prooi-schommelingen.
3 Onderdelen~9 min leestijd3 VaardighedenNiveau Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE interpreteer je groeicurven en successieschema's.
verhoogd niveau
Verdieping ligt in de wiskundige beschrijving van groei en van predator-prooi-oscillaties.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Exponentiële en logistische groei
Een populatie groeit logistisch naar een draagkracht van 500. Waar is de groeisnelheid het hoogst, en wat gebeurt er bij het naderen van 500?
Bij een kleine populatie is de groei traag (weinig individuen); bij het naderen van de draagkracht remt de groei door schaarste en concurrentie.
Daartussen, rond de helft van de draagkracht (ongeveer 250), is de curve het steilst en de groeisnelheid het hoogst.
Bij het naderen van 500 vlakt de curve af tot een groeisnelheid van vrijwel nul; geboorte en sterfte houden elkaar in evenwicht.
Resultaat: De groeisnelheid is het hoogst rond de helft van de draagkracht (~250) en daalt naar nul bij het naderen van 500, waar de populatie stabiliseert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een populatie groeit logistisch naar een draagkracht van 500. Leg uit bij welke populatiegrootte de groeisnelheid ongeveer het hoogst is en wat er met de groei gebeurt als de populatie 500 nadert.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — populatiegroei (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Successie van pionier naar climax
Op een verlaten akker volgen na jaren achtereenvolgens grassen, struiken en bomen. Benoem het proces en leg uit hoe elk stadium het volgende mogelijk maakt.
De geordende opeenvolging van levensgemeenschappen op één plek is successie, hier verlopend van grasland via struweel naar bos.
De grassen (pioniers) vormen en verrijken de bodem en houden vocht vast, waardoor veeleisender soorten kunnen kiemen.
Struiken en later bomen groeien hoger, vangen het licht weg en verdringen de lagere soorten, tot een bos als climaxstadium ontstaat.
Resultaat: Dit is successie: elk stadium verandert het milieu (bodem, licht) zó dat het volgende, veeleisender stadium zich kan vestigen, tot een stabiel bos (climax) ontstaat.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Op een verlaten akker groeien na verloop van jaren achtereenvolgens grassen, struiken en ten slotte bomen. Leg uit welk proces dit is en hoe elk stadium het volgende mogelijk maakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — successie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Predator-prooi-oscillatie
In een predator-prooigrafiek loopt de predatorcurve achter op de prooicurve. Verklaar dit faseverschil.
Als de prooi toeneemt, is er pas daarna veel voedsel voor de predatoren; die reageren dus met vertraging.
De predatorpopulatie groeit na de prooipiek, waarna de vele predatoren de prooi doen instorten.
Omdat de predator telkens reageert op een eerdere verandering in de prooi, bereikt de predatorcurve haar piek later — een vast faseverschil.
Resultaat: De predator reageert met vertraging op de prooi (eerst voedsel, dan groei), waardoor de predatorpiek steeds later valt dan de prooipiek.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een grafiek schommelen de aantallen van een prooi en een predator. Beschrijf het faseverschil tussen beide curven en verklaar waarom de predatorpiek later valt dan de prooipiek.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — dynamisch evenwicht (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)