Hoe erfelijke eigenschappen van ouders op nakomelingen overgaan. Je bestudeert genotype en fenotype, dominante en recessieve allelen, de monohybride en dihybride kruising met kruisingsschema's en verhoudingen (3:1 en 9:3:3:1), de geslachtsgebonden overerving en het lezen van stambomen, en afwijkende overervingspatronen zoals codominantie, intermediaire overerving en multiple allelen (bloedgroepen).
5 Onderdelen~15 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 3
basisniveau
Voor het CE stel je kruisingsschema's op en bereken je genotype- en fenotypeverhoudingen en kansen.
verhoogd niveau
Verdieping ligt in complexere stambomen en het combineren van geslachtsgebonden en autosomale overerving.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Genotype en fenotype bij volledige dominantie
Bij konijnen is zwart (Z) dominant over bruin (z). Geef voor ZZ, Zz en zz het fenotype en geef aan welke konijnen bruin kunnen doorgeven.
Homozygoot dominant: fenotype zwart; kan alleen Z doorgeven, dus geen bruin.
Heterozygoot: fenotype zwart (dominantie), maar draagt z en kan bruin doorgeven — een drager.
Homozygoot recessief: fenotype bruin; geeft alleen z door.
Resultaat: ZZ en Zz zijn zwart, zz is bruin; alleen Zz (drager) en zz kunnen het bruine allel doorgeven.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij erwten is het allel voor paarse bloemen (P) dominant over dat voor witte bloemen (p). Geef voor de genotypen PP, Pp en pp telkens het fenotype en geef aan welke een drager is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — genotype en fenotype (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Punnett-vierkant Aa × Aa
Bij konijnen is zwart (Z) dominant over bruin (z). Twee zwarte konijnen Zz worden gekruist. Bepaal de genotype- en fenotypeverhouding en de kans op een bruin jong.
Elke ouder Zz maakt de gameten Z en z, elk met kans 1/2.
De combinaties zijn ZZ, Zz, Zz en zz, dus genotypeverhouding ZZ : Zz : zz = 1 : 2 : 1.
ZZ en Zz zijn zwart (3 van de 4), zz is bruin (1 van de 4). De kans op een bruin jong is 1/4 = 25%.
Resultaat: Genotypeverhouding 1 ZZ : 2 Zz : 1 zz; fenotypeverhouding 3 zwart : 1 bruin; de kans op een bruin jong is 1/4 (25%).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee zwarte konijnen (Zz) krijgen samen nakomelingen. Bereken de genotype- en fenotypeverhouding van de nakomelingen en de kans op een bruin konijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — monohybride kruising (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Punnett-vierkant AaBb × AaBb
Uit RrLl × RrLl (rood R dominant over wit r; lang L dominant over kort l) komen 320 nakomelingen. Bereken de verwachte aantallen per fenotype.
De dihybride verhouding is 9 rood-lang : 3 rood-kort : 3 wit-lang : 1 wit-kort, samen 16 delen.
320 ÷ 16 = 20 nakomelingen per deel.
9×20 = 180 rood-lang; 3×20 = 60 rood-kort; 3×20 = 60 wit-lang; 1×20 = 20 wit-kort.
Resultaat: Naar verwachting 180 rood-lang, 60 rood-kort, 60 wit-lang en 20 wit-kort (samen 320).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een plant is rood (R) dominant over wit (r) en lang (L) over kort (l). Uit de kruising RrLl × RrLl komen 320 nakomelingen. Bereken hoeveel er naar verwachting rood-en-lang, rood-en-kort, wit-en-lang en wit-en-kort zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — dihybride kruising (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Stamboom van een X-gebonden recessief kenmerk
Een draagster X^A X^a krijgt kinderen met een niet-kleurenblinde man X^A Y (kleurenblindheid X-gebonden recessief, a). Bereken de kans op een kleurenblinde zoon en op een kleurenblinde dochter.
De moeder maakt eicellen X^A en X^a (elk 1/2); de vader maakt zaadcellen X^A en Y (elk 1/2).
Een zoon krijgt X van de moeder: X^A Y (niet kleurenblind) of X^a Y (kleurenblind), elk kans 1/2. Onder de zoons is dus de helft kleurenblind.
Een dochter krijgt X^A van de vader plus X^A of X^a van de moeder: X^A X^A of X^A X^a. Beide zijn niet kleurenblind; een dochter is nooit kleurenblind.
Resultaat: Van de zoons is 1/2 kleurenblind; geen enkele dochter is kleurenblind (dochters zijn hooguit draagster).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kleurenblindheid is X-gebonden recessief. Een niet-kleurenblinde draagster (X^A X^a) krijgt kinderen met een niet-kleurenblinde man (X^A Y). Bereken de kans op een kleurenblinde zoon en op een kleurenblinde dochter.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — geslachtsgebonden overerving (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Genotypen en bloedgroepen in het ABO-systeem
Een vader met bloedgroep A (I^A i) en een moeder met bloedgroep B (I^B i) krijgen kinderen. Welke bloedgroepen zijn mogelijk en met welke kansen?
De vader I^A i maakt de gameten I^A en i; de moeder I^B i maakt I^B en i (elk 1/2).
De combinaties zijn I^A I^B, I^A i, I^B i en i i, elk met kans 1/4.
I^A I^B = AB, I^A i = A, I^B i = B, i i = O.
Resultaat: De kinderen kunnen bloedgroep AB, A, B of O hebben, elk met kans 1/4.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een vader met bloedgroep A (genotype I^A i) en een moeder met bloedgroep B (genotype I^B i) krijgen kinderen. Bepaal welke bloedgroepen hun kinderen kunnen hebben en met welke kansen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — codominantie en multiple allelen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)