Loading
Loading
In dit onderwerp onderzoek je hoe punten, lijnen en vlakken in de ruimte ten opzichte van elkaar liggen. Je leert beslissen of twee lijnen snijden, evenwijdig zijn of kruisen, hoe een lijn ten opzichte van een vlak ligt en hoe twee vlakken elkaar in een snijlijn ontmoeten. Met het inproduct bereken je ten slotte hoeken tussen lijnen en vlakken en de afstand van een punt tot een vlak. Het onderwerp hoort bij domein C (Ruimtemeetkunde) en bouwt voort op coördinaten, vectoren, de parametervoorstelling en het inproduct.
4Onderdelenca. 28min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je vlot een punt kunt invullen in een parametervoorstelling of een vlakvergelijking en zo kunt nagaan of het erop of erin ligt; dat invullen is de bouwsteen onder alle liggingsvragen.
verhoogd niveau
Werk de classificatie snijdend–evenwijdig–kruisend systematisch af met richtings- en normaalvectoren, en reken hoeken en afstanden exact door met het inproduct voordat je afrondt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Een punt, een lijn en een vlak in de ruimte
parametervoorstelling van een lijn
Een lijn door het punt met plaatsvector en richtingsvector ; elke waarde van de parameter geeft precies één punt van de lijn.
vergelijking van een vlak
De coëfficiënten , en vormen de normaalvector , die loodrecht op het vlak staat; volgt door een punt van het vlak in te vullen.
Gegeven zijn de lijn en het vlak . Onderzoek of het punt op ligt en of het in ligt.
Stel de x-coördinaat van de lijn gelijk aan die van P en los λ op.
Vul λ = 2 in bij de y- en z-coördinaat. Je vindt 0 en 6, precies de y- en z-coördinaat van P, dus P ligt op l.
Een punt ligt in V als zijn coördinaten aan 2x + y − z = 4 voldoen.
Resultaat: Omdat dezelfde alle drie de coördinaten van oplevert, ligt op ; en omdat klopt, ligt ook in . Het punt ligt dus zowel op de lijn als in het vlak — het is precies het snijpunt van en .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven zijn de lijn en het vlak . Ga na of het punt op ligt en of het in ligt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Twee kruisende lijnen
evenwijdige lijnen
Twee lijnen zijn evenwijdig (of samenvallend) precies wanneer hun richtingsvectoren veelvouden van elkaar zijn.
lijnen aan elkaar gelijkstellen
Gebruik verschillende parameters en ; dit levert per coördinaat een vergelijking — samen een stelsel van drie vergelijkingen met twee onbekenden.
Bepaal de onderlinge ligging van en . Bereken een eventueel snijpunt.
Is (1, 2, 1) een veelvoud van (2, −1, 1)? Uit het eerste kental zou k = ½ volgen, maar dan klopt het tweede niet (2 is niet gelijk aan −½). De richtingen zijn dus niet evenwijdig: de lijnen snijden of kruisen.
Stel de coördinaten van l en m per as aan elkaar gelijk. Dat geeft drie vergelijkingen met de twee onbekenden λ en μ.
Uit de derde vergelijking volgt λ = μ. Vul dit in de eerste in: 1 + λ = 2λ, dus λ = 1 en μ = 1.
De tweede vergelijking is nog niet gebruikt. Vul λ = 1 en μ = 1 in: links 1 + 2 = 3, rechts 4 − 1 = 3. Dat klopt, dus de lijnen snijden elkaar.
Vul λ = 1 in de parametervoorstelling van l in.
Resultaat: De richtingsvectoren zijn niet evenwijdig en het stelsel heeft de oplossing , die aan alle drie de vergelijkingen voldoet. De lijnen en snijden elkaar dus in het punt . Ter controle: bij geeft , hetzelfde punt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Onderzoek de onderlinge ligging van en . Snijden ze elkaar, en zo ja, in welk punt?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Een lijn die een vlak snijdt
ligging van lijn en vlak
Bij staat de richting loodrecht op de normaal en loopt de lijn evenwijdig aan het vlak (erlangs of erin); anders is er precies één snijpunt.
evenwijdige vlakken
Twee vlakken zijn evenwijdig (of samenvallend) precies wanneer hun normaalvectoren veelvouden van elkaar zijn; anders snijden ze elkaar in een lijn.
Bepaal of de lijn het vlak snijdt, en bereken het snijpunt.
De richtingsvector is r = (1, 1, −1) en de normaalvector n = (1, 2, 1). Bereken het inproduct.
Elk punt van l heeft coördinaten die van λ afhangen.
Vul deze coördinaten in x + 2y + z = 6 in en vereenvoudig tot één vergelijking in λ.
Uit 2 + 2λ = 6 volgt λ = 2. Vul dit terug in het algemene lijnpunt.
Resultaat: Omdat snijdt het vlak in precies één punt. Substitueren geeft en daarmee het snijpunt . Controle: , dus ligt inderdaad in .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven zijn de lijn en het vlak . Ga met het inproduct na of het vlak snijdt, en bereken zo ja het snijpunt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Hoek tussen lichaamsdiagonaal en ribbe
hoek tussen twee richtingen
De scherpe hoek tussen twee lijnen (met de richtingsvectoren) of tussen twee vlakken (met de normaalvectoren); de absolute waarde zorgt dat .
hoek tussen lijn en vlak
Omdat loodrecht op het vlak staat, levert het inproduct van richting en normaal de sinus van de hoek tussen lijn en vlak.
afstand van een punt tot een vlak
Vul de coördinaten van in de vlakvergelijking in, neem de absolute waarde en deel door de lengte van de normaalvector.
Gegeven is kubus met ribbe , waarbij , en . Bereken de hoek tussen de lichaamsdiagonaal en de ribbe in graden.
Bepaal de vectoren langs AG en AB uit de coördinaten van de hoekpunten.
Vermenigvuldig de kentallen paarsgewijs en tel op.
Gebruik de lengteformule |v| = √(v1² + v2² + v3²).
Vul in en vereenvoudig; de absolute waarde is hier overbodig, want het inproduct is al positief.
Neem de inverse cosinus en reken in graden.
Resultaat: De hoek tussen de lichaamsdiagonaal en de ribbe is . Dit is een vaste hoek in elke kubus: de lichaamsdiagonaal maakt met elke ribbe die eraan grenst dezelfde hoek van ongeveer .
Bereken de afstand van het punt tot het vlak .
De coëfficiënten van x, y en z vormen de normaalvector; d is het rechterlid.
Bereken a·xP + b·yP + c·zP − d en neem daarvan de absolute waarde.
De noemer is |n| = √(a² + b² + c²).
De afstand is de teller gedeeld door de lengte van de normaalvector.
Resultaat: De afstand van tot het vlak is . Omdat de teller niet nul is, ligt niet in het vlak; de waarde is de kortste, loodrecht gemeten afstand van tot .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In kubus met ribbe horen bij de punten , en . Bereken de hoek tussen de lichaamsdiagonaal en de zijvlaksdiagonaal in graden, op één decimaal nauwkeurig.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad