Loading
Loading
Dit onderwerp legt de basis van de kansrekening: wat een kans is, hoe je hem met de regel van Laplace berekent, en hoe je met gebeurtenissen rekent via de complement-, som- en productregel. Daarna komen de voorwaardelijke kans en de kansboom aan bod, en sluit je af met onafhankelijkheid en de verwachtingswaarde, waarmee je onder meer beoordeelt of een spel eerlijk is. De kansregels van domein B bouwen rechtstreeks voort op de combinatoriek (het systematisch tellen) en vormen het fundament voor de statistiek verderop.
4Onderdelenca. 25min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Beheers de regel van Laplace, de complementregel en de kansboom — daarmee los je het grootste deel van de kansvraagstukken op.
verhoogd niveau
Reken vlot met voorwaardelijke kansen via de kansboom, toets onafhankelijkheid door de doorsnedekans te vergelijken met het product van de losse kansen, en gebruik de verwachtingswaarde om te beoordelen of een spel eerlijk is.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Uitkomstenruimte van drie muntworpen
regel van Laplace
Geldt alleen wanneer alle uitkomsten van het experiment even waarschijnlijk zijn; tel de gunstige en de mogelijke uitkomsten en deel ze.
complementregel
De kans op „niet A” is 1 min de kans op A; vooral handig bij gebeurtenissen met „minstens één”.
Je gooit drie keer met een eerlijke munt. Bereken de kans op minstens één keer kop.
Elke worp heeft 2 uitkomsten (kop of munt), dus drie worpen geven 2 · 2 · 2 = 8 even waarschijnlijke uitkomsten. De gebeurtenis „minstens één kop” hoort bij 7 van die 8 uitkomsten.
Het tegengestelde van „minstens één kop” is „geen enkele kop”, oftewel drie keer munt. Dat is precies één van de acht uitkomsten (M, M, M).
Trek de complementkans van 1 af om de gevraagde kans te krijgen.
Resultaat: De kans op minstens één keer kop is . Rechtstreeks tellen had zeven gunstige uitkomsten gekost; via het complement was één uitkomst genoeg.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je trekt één kaart uit een goed geschud spel van 52 kaarten. Bereken met de regel van Laplace de kans dat het een ruitenkaart is, en bereken vervolgens met de complementregel de kans dat het géén ruitenkaart is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Venndiagram: harten of plaatje
somregel
De kans op „A of B”; de doorsnede wordt één keer afgetrokken omdat ze anders dubbel zou worden geteld.
somregel bij elkaar uitsluitende gebeurtenissen
Geldt alleen als A en B disjunct zijn, dus als de doorsnede leeg is; dan vervalt de aftrekterm.
productregel (onafhankelijke gebeurtenissen)
De kans op „A en B” voor onafhankelijke gebeurtenissen; alleen dan mag je de losse kansen vermenigvuldigen.
Je trekt één kaart uit een spel van 52 kaarten. Een „plaatje” is een boer, vrouw of heer. Bereken de kans dat de getrokken kaart een hartenkaart óf een plaatje is.
Er zijn 13 hartenkaarten en 12 plaatjes (drie per kleur: boer, vrouw, heer). Dus de kans op een hartenkaart en de kans op een plaatje zijn:
De kaarten die hartenkaart én plaatje zijn, zijn de harten boer, de harten vrouw en de harten heer: drie kaarten.
Tel en op en trek de dubbel getelde doorsnede er één keer af.
Resultaat: De kans is . Zou je de aftrekterm weglaten, dan kreeg je en zou je de drie hartenplaatjes dubbel tellen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je trekt één kaart uit een spel van 52 kaarten. Bereken de kans dat de kaart klaveren is óf een aas is. Bepaal eerst , en , en pas dan de somregel toe.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kansboom: twee knikkers zonder terugleggen
voorwaardelijke kans
De kans op A gegeven dat B is opgetreden: de doorsnedekans gedeeld door de kans op de voorwaarde B.
algemene productregel
Volgt uit de definitie; langs een tak in de kansboom vermenigvuldig je zo de kansen.
wet van de totale kans
Tel de bijdragen van alle eerste stappen (B en niet-B) op om de totale kans op A te vinden.
Je trekt twee knikkers zonder terugleggen uit de zak met drie rode en twee blauwe knikkers. Gegeven dat de tweede knikker blauw is, bereken de kans dat de eerste knikker rood was.
Uit de kansboom volgt voor de twee paden die op blauw eindigen: rood-blauw heeft padkans en blauw-blauw heeft padkans .
De tweede knikker is blauw langs twee paden (rood-blauw en blauw-blauw). Tel die padkansen op — dat is de wet van de totale kans.
Deel de kans op „eerste rood én tweede blauw” (de padkans van rood-blauw) door de kans op „tweede blauw”.
Resultaat: De gevraagde kans is . Dat is groter dan de kans dat de eerste knikker rood is zónder die informatie (): weten dat de tweede blauw is, maakt „eerste rood” juist waarschijnlijker.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Uit de zak met drie rode en twee blauwe knikkers trek je twee knikkers zonder terugleggen. Teken de kansboom en bereken de kans dat beide knikkers dezelfde kleur hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kansverdeling van de netto winst
toets op onafhankelijkheid
A en B zijn onafhankelijk precies wanneer de doorsnedekans gelijk is aan het product van de losse kansen.
verwachtingswaarde
Het gewogen gemiddelde van de waarden van X, met de kansen als gewichten; het gemiddelde dat je op de lange termijn verwacht.
voorwaarde voor een eerlijk spel
Een spel is eerlijk als de verwachte netto winst (uitbetaling min inzet) nul is.
Je speelt een spel met één worp van een eerlijke dobbelsteen. Gooi je een 6, dan win je 4 euro; gooi je een 1 of een 2, dan verlies je 2 euro; bij een 3, 4 of 5 verandert er niets. Bepaal met de verwachtingswaarde of dit spel eerlijk is.
De netto winst is 4 (bij een 6), 0 (bij een 3, 4 of 5) of (bij een 1 of 2). De kansen volgen uit het aantal gunstige ogen op de zes zijden.
Vermenigvuldig elke winst met haar kans en tel de producten op. De positieve en negatieve bijdragen heffen elkaar precies op.
De verwachte netto winst is 0, precies de voorwaarde voor een eerlijk spel.
Resultaat: Omdat , is het spel eerlijk: op de lange termijn wint noch verliest een speler gemiddeld iets. Zou de winst bij een zes 5 euro zijn, dan werd en was het spel voordelig voor de speler.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een spel kost 2 euro inzet. Je gooit één keer met een eerlijke dobbelsteen en krijgt het aantal ogen uitbetaald in euro's. Stel de kansverdeling van de netto winst op, bereken de verwachtingswaarde en bepaal of het spel eerlijk is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad