Loading
Loading
Dit onderwerp behandelt hoe je mengsels scheidt en hoe je vaststelt welke stoffen erin zitten. Je leert welke deeltjeseigenschap elke scheidingsmethode benut (deeltjesgrootte, oplosbaarheid, kookpunt, dichtheid, aanhechting), hoe destilleren en chromatografie werken, hoe je een -waarde berekent en hoe je stoffen en ionen aantoont. Het redeneren met deze methoden is centraal-examenstof; het praktisch uitvoeren (het practicum, titreren, veilig werken volgens GHS) hoort vooral bij het schoolexamen (SE).
4Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauStandaard 4
basisniveau
Ken per methode de benutte deeltjeseigenschap, herken de destillatieopstelling en reken foutloos een -waarde uit.
verhoogd niveau
Stel scheidingsschema's op voor samengestelde mengsels, redeneer met kookpunten en -waarden en verbind aantoningsreacties met de oplosbaarheidstabel uit BINAS.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Scheidingsmethoden en de benutte eigenschap
Scheid een mengsel van zand, keukenzout en water in de afzonderlijke stoffen en benoem bij elke stap de benutte eigenschap.
Zand is onopgelost (vaste deeltjes); keukenzout is opgelost in het water. Er zijn dus een onopgelost deel en een oplossing.
Giet het mengsel door een filter. Het zand blijft als residu op het filter achter; de zoutoplossing loopt als filtraat door.
Verwarm het filtraat. Het water verdampt (laag kookpunt) en het keukenzout blijft als vaste stof achter (veel hoger kookpunt); vang het water op als je het ook zuiver wilt.
Resultaat: Resultaat: zand (op het filter), keukenzout (na indampen) en water zijn gescheiden. Elke stap benutte een andere eigenschap — eerst deeltjesgrootte, daarna kookpunt — en de totale massa bleef behouden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een mengsel bevat zand en keukenzout, beide als vaste stof. Beschrijf hoe je met water als hulpstof beide stoffen zuiver terugkrijgt, en benoem bij elke stap de benutte deeltjeseigenschap.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Het destillatieproces stap voor stap
Een mengsel van ethanol en water wordt gedestilleerd. Bepaal welke stof je als eerste opvangt en beschrijf het temperatuurverloop op de thermometer.
Ethanol kookt bij 78 °C, water bij 100 °C (op te zoeken in BINAS). Ethanol heeft het laagste kookpunt.
Bij het opwarmen bereikt het mengsel eerst 78 °C; daar begint de ethanol te koken en over te destilleren, terwijl het water nog niet kookt.
Zolang er ethanol overkomt, blijft de thermometer rond 78 °C staan (een plateau). Is de ethanol op, dan stijgt de temperatuur naar 100 °C en gaat het water mee.
Resultaat: Resultaat: de ethanol (laagste kookpunt) destilleert het eerst over. Het temperatuurplateau bij hoort bij zuivere ethanol; de stijging naar markeert het overgaan naar water.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een mengsel van propanon (aceton, kookpunt ) en water wordt gedestilleerd. Leg uit welke stof je als eerste in het bekerglas opvangt, wat de thermometer dan ongeveer aanwijst, en waarom die temperatuur daarna oploopt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Chromatogram: drie stoffen op verschillende hoogte
R_f-waarde
De afgelegde afstand van de stof gedeeld door die van het loopmiddel, beide vanaf de startlijn gemeten. De uitkomst ligt tussen en en heeft geen eenheid.
Op een chromatogram zijn stof A 3,6 cm en stof B 6,0 cm gelopen; het loopmiddelfront ligt op 8,0 cm. Bereken de R_f-waarden van A en B.
Stof A is 3,6 cm gelopen, stof B 6,0 cm, en het loopmiddelfront 8,0 cm — alle gemeten vanaf de startlijn.
Deel de afstand van stof A door de afstand van het loopmiddel.
Deel de afstand van stof B door dezelfde afstand van het loopmiddel.
Resultaat: Resultaat: stof A heeft en stof B . Stof B is verder meegelopen en hecht dus zwakker aan de stationaire fase; beide waarden liggen tussen en en hebben geen eenheid.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een dunnelaagchromatogram heeft het loopmiddel afgelegd. Een vlek ligt boven de startlijn. Bereken de -waarde van die stof en leg uit of de stof sterk of zwak aan de stationaire fase hecht.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Aantoningen: stof of ion, proef en waarneming
aantoning van CO2 met kalkwater
Kalkwater () wordt troebel doordat er onoplosbaar ontstaat; die troebeling bewijst de aanwezigheid van .
aantoning van chloride met zilvernitraat
Zilver- en chloride-ionen vormen een witte neerslag van onoplosbaar zilverchloride; die neerslag bewijst de aanwezigheid van .
Een kleurloos gas maakt kalkwater troebel; een oplossing geeft met zilvernitraat een witte neerslag. Toon met reactievergelijkingen aan welk gas en welk ion aanwezig zijn.
Kalkwater is een oplossing van Ca(OH)2; met CO2 ontstaat onoplosbaar CaCO3, dat de troebeling veroorzaakt.
De oplossing geeft met zilvernitraat een witte neerslag; zilver- en chloride-ionen vormen onoplosbaar zilverchloride.
De troebeling met kalkwater bewijst CO2; de witte neerslag met zilvernitraat bewijst chloride-ionen. Beide zijn kwalitatieve aantoningen (welke stof, niet hoeveel).
Resultaat: Resultaat: het gas is koolstofdioxide en in de oplossing zitten chloride-ionen (). Bij elke aantoning hoort een kloppende reactievergelijking met de toestandsaanduiding voor het neerslag en een duidelijke waarneming.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onbekende, heldere zoutoplossing geeft met zilvernitraat een witte neerslag en kleurt een vlam felgeel. Geef met reactievergelijking(en) en waarnemingen aan welke twee ionen in de oplossing zitten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad