Loading
Loading
In domein C leer je bewegingssituaties niet alleen uit te voeren, maar ook te regelen: je neemt regelrollen op je waarin je anderen laat bewegen. De belangrijkste rollen zijn instructeur (uitleggen en aanleren), coach (begeleiden en aanmoedigen), scheidsrechter of jurylid (het spel eerlijk laten verlopen) en organisator (een activiteit voorbereiden en leiden). Dit domein hoort bij het schoolexamen LO; er is geen centraal examen. Je laat zien dat je verantwoordelijkheid kunt nemen voor het bewegen van anderen.
3Onderdelenca. 13min leestijd3VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Het regelen van bewegen hoort tot de kern van het schoolexamen LO; je vervult regelrollen in echte bewegingssituaties, bijvoorbeeld tijdens toernooien of lessen.
verhoogd niveau
Wie zich verdiept, kan de regelrollen koppelen aan begeleidings- en organisatievaardigheden en zo bewuster sturen op een veilig, eerlijk en soepel verloop.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Regelrollen en hun taken
De vier regelrollen
Tijdens een klassentoernooi legt een leerling eerst de spelregels uit, fluit daarna een wedstrijd en moedigt tussendoor haar eigen team aan. Benoem per handeling de regelrol.
Het uitleggen en aanleren van de spelregels hoort bij de rol van instructeur.
Het bewaken van de regels en beslissingen nemen tijdens de wedstrijd hoort bij de rol van scheidsrechter.
Het aanmoedigen en begeleiden van het eigen team hoort bij de rol van coach.
Als scheidsrechter moet zij onpartijdig zijn; als coach juist betrokken — die rollen mag zij niet door elkaar halen.
Resultaat: Uitleg = instructeur, fluiten = scheidsrechter, aanmoedigen van het eigen team = coach. De leerling wisselt van rol; als scheidsrechter blijft zij onpartijdig, als coach is zij betrokken bij haar team.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een sport en beschrijf voor elk van de vier regelrollen (instructeur, coach, scheidsrechter/jury, organisator) één concrete taak die je in die rol uitvoert, en leg per rol uit welke vaardigheid daarbij het belangrijkst is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein C Bewegen regelen (CvTE / Examenblad)
Een activiteit organiseren
Je moet voor je klas van 24 leerlingen een kort volleybaltoernooi organiseren in één lesuur. Beschrijf hoe je dit aanpakt.
Maak teams van 4 leerlingen: 24 leerlingen worden 6 teams. Kies korte wedstrijdjes (bijvoorbeeld tot 15 punten of op tijd).
Verdeel de 6 teams over twee velden en maak een schema zodat elk team meerdere keren speelt binnen de tijd.
Zet twee netten en ballen klaar, markeer de velden en controleer of de opstelling veilig is (genoeg ruimte tussen de velden).
Houd de tijd in de gaten, fluit onpartijdig, en zorg dat de wisselingen vlot verlopen zodat iedereen genoeg speelt.
Resultaat: Je vormt 6 teams van 4, speelt op twee velden met een strak schema en korte wedstrijden, zet materiaal veilig klaar en leidt het geheel op tijd en onpartijdig. Zo verloopt het toernooi soepel, veilig en eerlijk binnen het lesuur.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je organiseert een 3-tegen-3-basketbaltoernooi voor je klas. Beschrijf je opzet (indeling, schema, materiaal, tijd, veiligheid) en leg uit hoe je als scheidsrechter onpartijdig en consequent blijft. Noem daarna twee reflectievragen die je achteraf beantwoordt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — organiseren en arbitreren (CvTE / Examenblad)
Instrueren versus coachen
Je moet een medeleerling die nog nooit heeft gebasketbald de lay-up aanleren. Beschrijf hoe je dit als instructeur aanpakt.
Je doet de lay-up rustig voor en benoemt de grote lijn: aanleggen, twee passen, afzetten en de bal zacht tegen het bord leggen.
Je laat eerst alleen het ritme van de twee passen zonder bal oefenen, dan met bal en zonder sprong, dan de hele beweging.
Je let op de grote lijn en geeft één concrete aanwijzing tegelijk, bijvoorbeeld: „zet af op je linkervoet als je rechts schiet”.
Omdat het een beginner is, richt je je op de grote lijn en niet op details, en je moedigt elke vooruitgang aan.
Resultaat: Je doet de lay-up voor, knipt hem op in oplopende stappen (ritme, dan bal, dan geheel), geeft één concrete aanwijzing per keer en houdt de aanwijzingen op beginnersniveau — zo leer je de medeleerling de beweging gestructureerd aan.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je leert een medeleerling de bovenhandse opslag bij volleybal aan (instructeur) en begeleidt haar daarna tijdens een oefenpotje (coach). Beschrijf voor beide rollen twee concrete dingen die je doet, en leg uit hoe je je aanwijzingen aan haar niveau aanpast.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — instrueren en coachen (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen