Loading
Loading
Gespreksvaardigheid (domein C) omvat twee dingen: gesprekken voeren (samen met een ander spreken en reageren) en spreken (alleen, bijvoorbeeld een presentatie of monoloog). Deze vaardigheid wordt in het schoolexamen getoetst, niet op het centraal examen. In dit onderwerp leer je nuttige redemittel, hoe je een presentatie opbouwt, hoe je je redt als een woord ontbreekt, en wanneer je „Sie” of „du” gebruikt.
3Onderdelenca. 12min leestijd3VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Voor het schoolexamen: voer een eenvoudig gesprek en houd een korte presentatie in begrijpelijk Duits, met passende vaste uitdrukkingen.
verhoogd niveau
Wie verder studeert of in een Duitstalige omgeving werkt, voert gesprekken en geeft presentaties op een hoger niveau; dezelfde bouwstenen blijven gelden.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Redemittel per gespreksfunctie
Je gesprekspartner zegt: „Ich finde Fußball langweilig.” Hoe reageer je zo dat het gesprek doorgaat, in plaats van het te laten stilvallen?
Je geeft eerst je eigen positie met een redemittel: „Das sehe ich anders” (dat zie ik anders) of „Da stimme ich zu” (daar ben ik het mee eens).
Voeg een korte reden toe met „weil”: „Das sehe ich anders, weil Fußball sehr spannend sein kann.” Zo geef je inhoud in plaats van alleen een mening.
Stel een vervolgvraag zodat de ander weer aan zet is: „Welchen Sport magst du denn?” Het gesprek loopt nu door.
Resultaat: Een goede reactie is: „Das sehe ich anders, weil Fußball sehr spannend sein kann. Welchen Sport magst du denn?” Je geeft je mening, onderbouwt die kort en speelt de bal terug — zo houd je het gesprek levend.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Oefen een rollenspel waarin je in een Duits café iets bestelt: open het gesprek beleefd, bestel, vraag de prijs, en sluit netjes af. Gebruik minstens drie redemittel uit de tabel.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De opbouw van een presentatie
Je houdt een presentatie over duurzaam reizen (nachhaltiges Reisen). Formuleer een inleiding die het onderwerp en de opbouw aankondigt.
Begin met een vaste openingsformule: „Ich möchte heute über nachhaltiges Reisen sprechen.”
Vertel in welke stappen je verhaal verloopt, met signaalwoorden: „Zuerst erkläre ich, was das bedeutet, dann nenne ich drei Beispiele, und zum Schluss gebe ich meine Meinung.”
Sluit de inleiding af met een brug naar het eerste punt: „Beginnen wir mit der Frage, was nachhaltiges Reisen überhaupt ist.”
Resultaat: Een sterke inleiding luidt: „Ich möchte heute über nachhaltiges Reisen sprechen. Zuerst erkläre ich, was das bedeutet, dann nenne ich drei Beispiele, und zum Schluss gebe ich meine Meinung.” Onderwerp én opbouw zijn meteen duidelijk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bereid een presentatie van twee minuten voor over je hobby in het Duits: schrijf een inleiding die de opbouw aankondigt, twee kernpunten met signaalwoorden en een samenvattend slot. Houd hem hardop met steekwoorden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Sie of du? Het register kiezen
Je wilt in een Duitse winkel om een paraplu vragen, maar je weet het woord „Regenschirm” niet. Hoe maak je je toch duidelijk?
In plaats van stil te vallen, omschrijf je het voorwerp met woorden die je wél kent: waarvoor gebruik je het, hoe ziet het eruit?
„Ich suche etwas, das man bei Regen benutzt, damit man nicht nass wird” (ik zoek iets dat je bij regen gebruikt zodat je niet nat wordt).
Je kunt afsluiten met een hulpvraag in het Duits: „Wie sagt man das auf Deutsch?” — vaak vult de verkoper „einen Regenschirm” voor je aan.
Resultaat: Door te omschrijven — „etwas, das man bei Regen benutzt, damit man nicht nass wird” — en eventueel naar het woord te vragen, maak je je duidelijk zonder het woord „Regenschirm” te kennen. Je blijft in het Duits en houdt het gesprek gaande.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Omschrijf in het Duits de woorden „Regenschirm” (paraplu) en „Kühlschrank” (koelkast) zonder ze te noemen. Kies daarna voor drie situaties (winkelbediende, klasgenoot, oma van een vriend) of je „Sie” of „du” gebruikt en motiveer.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad