Loading
Loading
Biologie is niet alleen kennis, maar ook een manier van werken en denken. Dit onderwerp leert je hoe je biologisch onderzoek opzet volgens de empirische cyclus, hoe je variabelen beheerst om betrouwbare en geldige metingen te doen, en hoe je met vier biologische denkwijzen naar levende systemen kijkt. Ten slotte leer je organismen ordenen en determineren, met de microscoop werken en vergrotingen berekenen, en grafieken en tabellen kritisch aflezen.
4Onderdelenca. 31min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Zorg dat je de stappen van de empirische cyclus op volgorde kent, in een proef de drie soorten variabelen kunt aanwijzen, en een vergroting kunt berekenen met de formule .
verhoogd niveau
Pas de denkwijzen toe in onbekende contexten — verklaar een aanpassing met vorm-functie- en evolutionair denken — en beoordeel kritisch de betrouwbaarheid én validiteit van een gegeven onderzoeksopzet, inclusief verbetervoorstellen.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De empirische cyclus
Een leerling merkt op dat tuinkerszaadjes op een warme vensterbank sneller kiemen dan dezelfde zaadjes in een koele kast. Werk de eerste stappen van de empirische cyclus uit: formuleer een onderzoeksvraag, een toetsbare hypothese met onderbouwing en een voorspelling in 'als … dan …'-vorm, en benoem de meting waarmee je toetst.
De waarneming is dat tuinkers bij een hogere temperatuur sneller kiemt. Maak daar een meetbare onderzoeksvraag van waarin de onafhankelijke grootheid (temperatuur) en de afhankelijke grootheid (kiemsnelheid) voorkomen: 'Wat is de invloed van de temperatuur op de kiemsnelheid van tuinkerszaadjes?'
Baseer je hypothese op voorkennis: kieming gaat gepaard met stofwisselingsprocessen die door enzymen worden versneld, en enzymen werken (tot een optimum) sneller bij een hogere temperatuur. Hypothese: 'Bij een hogere temperatuur kiemen tuinkerszaadjes sneller, doordat de stofwisseling in het zaad dan sneller verloopt.' Deze uitspraak kun je met een meting ondersteunen of weerleggen, dus ze is toetsbaar.
Leid uit de hypothese een meetbaar 'als … dan …'-gevolg af: 'Als ik de zaadjes bij een hogere temperatuur laat kiemen (bijvoorbeeld 25 °C in plaats van 10 °C), dan zijn er na twee dagen meer gekiemde zaadjes.'
Je toetst de voorspelling door bij verschillende temperaturen na een vaste tijd te tellen hoeveel van de (even grote) groepen zaadjes gekiemd zijn. Komt de telling overeen met de voorspelling, dan ondersteunt ze de hypothese.
Resultaat: Resultaat: de onderzoeksvraag koppelt temperatuur aan kiemsnelheid; de hypothese verklaart het verwachte verband via de versnelde stofwisseling; en de voorspelling vertaalt dat in een meetbaar 'als-dan'-gevolg dat je toetst door gekiemde zaadjes te tellen. De eerste stappen van de empirische cyclus zijn daarmee compleet en het experiment kan worden uitgevoerd.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een leerling ziet dat gistcellen in warm suikerwater sneller gasbelletjes vormen dan in koud suikerwater. Formuleer bij deze waarneming (a) een meetbare onderzoeksvraag, (b) een toetsbare hypothese met onderbouwing, en (c) een voorspelling in 'als … dan …'-vorm. Geef ten slotte aan met welke meting je de voorspelling zou toetsen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Soorten variabelen
het gemiddelde
Het gemiddelde bereken je door alle meetwaarden op te tellen en te delen door het aantal metingen. Door over veel herhalingen te middelen, vallen toevallige afwijkingen tegen elkaar weg en benadert het gemiddelde de werkelijke waarde — dat vergroot de betrouwbaarheid.
Een onderzoeker wil weten of een nieuwe plantenvoeding sla sneller laat groeien. Hij heeft 40 gelijke slaplanten en één kas. Geef de onafhankelijke, de afhankelijke en twee constante variabelen, beschrijf de controlegroep, en noem twee manieren om de betrouwbaarheid te vergroten.
De onafhankelijke variabele is wat de onderzoeker instelt: wel of geen plantenvoeding. De afhankelijke variabele is wat hij meet als maat voor groei, bijvoorbeeld de toename van de massa of de hoogte van de plant na drie weken.
Alle overige factoren die de groei beïnvloeden, houdt hij gelijk in beide groepen: dezelfde soort en grootte van de planten, dezelfde grond, dezelfde hoeveelheid water, dezelfde temperatuur en lichthoeveelheid. Zo kan een groeiverschil alleen nog door de voeding komen.
Hij verdeelt de 40 planten in twee groepen van 20. De experimentele groep krijgt de plantenvoeding; de controlegroep krijgt exact dezelfde behandeling maar zónder voeding (bijvoorbeeld alleen water). De controlegroep is het ijkpunt: groeit alleen de experimentele groep harder, dan ligt dat aan de voeding.
Door 20 planten per groep te gebruiken in plaats van één, middelt hij toevallige verschillen tussen individuele planten weg (grote steekproef). Door bovendien nauwkeurig en op vaste tijdstippen te meten — en de proef eventueel te herhalen — verkleint hij de invloed van meetfouten en toeval.
Resultaat: Resultaat: onafhankelijk = wel/geen voeding, afhankelijk = groei (massa- of hoogtetoename), constant = soort, grond, water, temperatuur en licht. De controlegroep (20 planten zonder voeding) levert de vergelijking, en de grote steekproef plus nauwkeurig herhaald meten maken de uitkomst betrouwbaar. Het onderzoek is dan zowel valide (alleen de voeding verschilt) als betrouwbaar (toeval is klein).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een leerling onderzoekt of cafeïne de hartslag van watervlooien (Daphnia) beïnvloedt. Beschrijf hoe zij dit onderzoek opzet: noem de onafhankelijke, de afhankelijke en minstens twee constante variabelen, leg uit welke groep als controlegroep dient, en geef twee maatregelen waarmee zij de betrouwbaarheid vergroot.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Niveaus van organisatie
De darmwand van de mens is sterk geplooid en bezet met miljoenen kleine uitstulpingen (darmvlokken). Analyseer dit met drie denkwijzen: (a) verklaar de bouw met vorm-functiedenken, (b) beschrijf de dunne darm als systeem met input en output, en (c) geef met evolutionair denken aan waarom een groot darmoppervlak voordelig is.
De plooien en de miljoenen darmvlokken maken het inwendige oppervlak van de dunne darm enorm groot. Een groot oppervlak past bij de functie van de dunne darm: het opnemen (resorberen) van verteerde voedingsstoffen. Hoe groter het oppervlak, hoe meer voedingsstoffen er per tijd het bloed in kunnen — de vorm (geplooid, met vlokken) is dus aangepast aan de functie (veel opname).
Bekijk je de dunne darm als systeem, dan is de input de verteerde voedselbrij die binnenkomt; de output bestaat uit de voedingsstoffen die via de darmwand in het bloed worden opgenomen, plus de onverteerde resten die doorgaan naar de dikke darm. Het systeem zet een binnenkomende stroom dus om in opgenomen stoffen en afval.
Een groot darmoppervlak is voordelig omdat een individu daarmee efficiënter voedingsstoffen uit zijn voedsel haalt. Voorouders met een groter, sterker geplooid darmoppervlak namen meer energie en bouwstoffen op, overleefden en plantten zich daardoor gemiddeld beter voort, en gaven deze eigenschap door. Door natuurlijke selectie over vele generaties werd een sterk vergroot darmoppervlak zo de norm.
Resultaat: Resultaat: vorm-functiedenken verklaart dát de geplooide, met vlokken bezette wand een groot opnameoppervlak vormt; systeemdenken beschrijft de darm als omzetter van voedselbrij (input) in opgenomen stoffen en afval (output); en evolutionair denken verklaart waaróm zo'n groot oppervlak via natuurlijke selectie is ontstaan. Dezelfde structuur, vanuit drie denkwijzen belicht.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een vogel heeft holle, lichte botten en grote borstspieren. (a) Verklaar de holle botten met vorm-functiedenken. (b) Beschrijf een vliegende vogel als systeem met een input en een output van energie. (c) Geef met evolutionair denken aan waarom lichte botten bij vogels een voordeel zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Indeling van het leven
vergroting
De vergroting geeft aan hoeveel keer groter iets is afgebeeld dan in werkelijkheid: je deelt de beeldgrootte door de werkelijke grootte. Door de formule om te schrijven bereken je ook de werkelijke grootte () of de beeldgrootte. Zet alle lengtes eerst in dezelfde eenheid.
totale vergroting van de microscoop
De totale vergroting van een lichtmicroscoop is de vergroting van het objectief vermenigvuldigd met die van het oculair. Een oculair van en een objectief van geven samen .
Fotosynthese bij verschillende temperaturen
Een cel is op een elektronenmicroscopische foto 48 mm lang bij een vergroting van 8000×. Bereken de werkelijke lengte van de cel en geef het antwoord in micrometer (µm).
De vergroting is . Je zoekt de werkelijke grootte, dus schrijf de formule om naar die grootheid.
De beeldgrootte is 48 mm en de vergroting is 8000. Vul deze waarden in en deel.
1 mm is 1000 µm, dus vermenigvuldig de uitkomst met 1000 om van millimeter naar micrometer te gaan.
Een werkelijke lengte van 6 µm is een normale grootte voor een cel (cellen zijn typisch enkele tot tientallen micrometers). Dat een vergroting van 8000× nodig is, past bovendien bij de elektronenmicroscoop: zo'n sterke vergroting haalt een lichtmicroscoop (tot ongeveer 1000×) niet.
Resultaat: Resultaat: de werkelijke lengte van de cel is 0,006 mm, oftewel 6 µm. Reken bij de vergrotingsformule altijd eerst de eenheden gelijk en controleer of de uitkomst een realistische celgrootte oplevert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een chloroplast is op een elektronenmicroscopische foto 20 mm lang bij een vergroting van 4000×. (a) Bereken de werkelijke lengte van de chloroplast in micrometer (µm). (b) Leg uit waarom voor deze opname een elektronenmicroscoop nodig was en geen lichtmicroscoop.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad