Loading
Loading
Elk kenmerk van een organisme komt uiteindelijk voort uit eiwitten, en welke eiwitten een cel maakt ligt vast in het DNA. Dit onderwerp volgt die informatie stap voor stap: hoe DNA de erfelijke informatie opslaat in een volgorde van basen, hoe die volgorde in de celkern wordt overgeschreven naar mRNA (transcriptie), en hoe het mRNA aan het ribosoom met de genetische code codon voor codon wordt vertaald in een aminozuurvolgorde (translatie). Ten slotte zie je hoe een gen via een eiwit een eigenschap bepaalt en wat een mutatie daarmee doet.
4Onderdelenca. 27min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je de basenparing (A-T en C-G) kunt toepassen en de twee stappen transcriptie (DNA naar mRNA, in de kern, U in plaats van T) en translatie (mRNA naar eiwit, aan het ribosoom) kunt uitleggen. Oefen vooral het codon voor codon vertalen van een mRNA met een codontabel, met AUG als start en een stopcodon als eind.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten van een DNA- of mRNA-volgorde naar het eiwit en terug, en beredeneer het gevolg van een specifieke mutatie voor het aminozuur, het eiwit en een eigenschap van het organisme — inclusief het herkennen van een stille mutatie door de degeneratie van de code.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Het centrale dogma: van DNA tot eiwit
Een streng van een DNA-molecuul heeft de basenvolgorde A-T-G-C-C-A. Bepaal de basenvolgorde van de complementaire streng en benoem de regel die je gebruikt.
In DNA paart A met T en C met G (en omgekeerd). Je zet onder elke base van de gegeven streng de bijbehorende partnerbase; meer combinaties zijn er niet.
A wordt T, T wordt A, G wordt C, C wordt G, C wordt G en A wordt T. Onder de streng A-T-G-C-C-A komt zo de volgorde T-A-C-G-G-T te staan.
De complementaire streng leest dus T-A-C-G-G-T. De twee strengen lopen antiparallel (in tegengestelde richting) en passen door de complementariteit precies op elkaar.
Resultaat: Resultaat: de complementaire streng is T-A-C-G-G-T. Omdat elke base maar één vaste partner heeft (A-T en C-G), ligt bij één gegeven streng de andere streng volledig vast — dat is precies waarom DNA betrouwbaar kan worden gekopieerd en afgelezen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een streng DNA heeft de basenvolgorde T-A-C-A-A-G-C-C-T. Geef de basenvolgorde van de complementaire streng, en leg uit waarom je met één streng de andere streng altijd kunt afleiden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
DNA en mRNA vergeleken
De template-streng (de afgelezen streng) van een stukje DNA luidt T-A-C-C-C-G-A-A-A. Schrijf de basenvolgorde van het mRNA op dat RNA-polymerase hiervan maakt, en let goed op welke base de plaats van T inneemt.
RNA-polymerase leest alleen de template-streng en koppelt er complementaire RNA-nucleotiden tegenaan. Let op het verschil met DNA: in RNA komt tegenover een A een U (uracil), níét een T. Verder geldt gewoon T wordt A, C wordt G en G wordt C.
Verdeel de template alvast in drietallen: T-A-C / C-C-G / A-A-A. Tegenover T-A-C komt A-U-G, tegenover C-C-G komt G-G-C, en tegenover A-A-A komt U-U-U. Het mRNA wordt zo A-U-G-G-G-C-U-U-U.
Tegenover elke A in de template staat inderdaad een U in het mRNA (nergens een T). Het mRNA begint bovendien met AUG, het startcodon — daarmee kan straks de translatie beginnen.
Resultaat: Resultaat: het mRNA is A-U-G-G-G-C-U-U-U, oftewel de codons AUG-GGC-UUU. Dit is de werkkopie die de celkern verlaat; in de volgende paragraaf vertalen we precies dit mRNA in een volgorde van aminozuren.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De template-streng van een gen luidt T-A-C-A-C-G-G-T-A. Schrijf het bijbehorende mRNA op en geef aan op welke twee punten dit mRNA verschilt van de coderende (niet-afgelezen) DNA-streng.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Fragment van een codontabel
Een mRNA-molecuul heeft de basenvolgorde AUG-GGC-UUU. Bepaal met de codontabel stap voor stap de aminozuurvolgorde van het polypeptide dat hiervan wordt gemaakt.
Verdeel de basenvolgorde in codons van drie basen: AUG | GGC | UUU. Elk codon codeert voor één aminozuur, dus dit mRNA levert drie aminozuren op.
AUG is het startcodon; het ribosoom begint hier en een tRNA met het anticodon UAC brengt het aminozuur methionine (Met). Het eerste aminozuur van de keten is dus Met.
Het ribosoom schuift op naar GGC. In de codontabel hoort daar Gly (glycine) bij; een tRNA met het anticodon CCG levert Gly. Tussen Met en Gly ontstaat een peptidebinding.
Het laatste codon UUU codeert voor Phe (fenylalanine), aangevoerd door een tRNA met het anticodon AAA. Er vormt zich opnieuw een peptidebinding, nu tussen Gly en Phe.
Resultaat: Resultaat: de aminozuurvolgorde is Met-Gly-Phe. Deze drie aminozuren zijn met peptidebindingen aan elkaar gekoppeld tot een (begin van een) polypeptide. Was er nog een stopcodon (UAA, UAG of UGA) gevolgd, dan zou de translatie daar zijn gestopt en het eiwit hebben losgelaten.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gebruik de codontabel hiernaast. Een mRNA luidt AUG-UUU-GGC-UAA. Geef de aminozuurvolgorde van het eiwit dat hiervan wordt gemaakt, en leg uit wat er bij het laatste codon gebeurt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Plaats van transcriptie en translatie in de cel
In een gen treedt een mutatie op waardoor het mRNA-codon UUU verandert in UUA. Bepaal met de codontabel het effect op het eiwit, en leg met het begrip degeneratie uit waarom niet elke baseverandering zo'n effect heeft.
Zoek het oude codon op in de codontabel: UUU codeert voor Phe (fenylalanine). Dat is het aminozuur dat oorspronkelijk op deze plaats in het eiwit zat.
Door de mutatie wordt het codon UUA. Dat codeert volgens de tabel voor Leu (leucine). Er komt dus een ánder aminozuur op deze plaats in de keten.
Omdat de aminozuurvolgorde verandert (Phe wordt Leu), kan de opvouwing en daarmee de vorm van het eiwit veranderen. Een anders gevormd eiwit kan slechter of niet meer werken, waardoor een eigenschap van het organisme kan veranderen.
Was het codon UUU veranderd in UUC, dan codeert dat nog steeds voor Phe — de code is immers gedegenereerd. Dan verandert het eiwit niet: dat is een stille mutatie, zonder gevolg voor het eiwit.
Resultaat: Resultaat: de mutatie vervangt Phe door Leu in het eiwit; doordat de aminozuurvolgorde verandert, kunnen de vorm en de functie van het eiwit veranderen en daarmee een eigenschap. Door de degeneratie van de genetische code leidt een baseverandering echter niet altijd tot een ander aminozuur (UUU naar UUC blijft Phe), zodat sommige mutaties geen merkbaar gevolg hebben.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Door een mutatie verandert in een mRNA het codon GGC in GGA. Bepaal met de codontabel het oorspronkelijke en het nieuwe aminozuur en beredeneer of het eiwit hierdoor verandert. Leg vervolgens met het begrip erfelijkheid uit onder welke voorwaarde deze mutatie aan nakomelingen kan worden doorgegeven.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad