Loading
Loading
Een organisme houdt zichzelf in stand met een samenhangend geheel van stofwisselingsprocessen. Dit onderwerp volgt de stoffen en de energie door het lichaam: de fotosynthese legt licht en koolstof vast in glucose, de verbranding maakt die energie weer vrij als ATP, de vertering levert de bouwstoffen, het bloed brengt alles rond, en de nieren houden het bloed schoon. Je leert deze processen niet los van elkaar, maar als één keten die het organisme als zelfregulerend systeem laat werken.
5Onderdelenca. 35min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 4
basisniveau
Zorg dat je de woord- en reactievergelijkingen van de fotosynthese en de verbranding kent, de drie verteringsenzymen aan hun bouwstoffen kunt koppelen, de dubbele bloedsomloop kunt navertellen en de twee stappen van de urinevorming kunt benoemen.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten over de samenhang tussen de processen — bijvoorbeeld hoe een hoger zuurstofverbruik in een spier de gaswisseling, het transport en de afvalafvoer beïnvloedt — en verbind elk proces met systeem- en vorm-functiedenken en met de homeostase.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Bouw van een bladgroenkorrel (chloroplast)
fotosynthese
Zes moleculen koolstofdioxide en zes water vormen, aangedreven door licht dat in het bladgroen wordt opgevangen, één molecuul glucose en zes zuurstof. De vergelijking is in balans: links en rechts staan 6 koolstof-, 12 waterstof- en 18 zuurstofatomen.
Stel de reactievergelijking van de fotosynthese op vanuit de woordvergelijking 'koolstofdioxide + water → glucose + zuurstof', en laat met een atoomtelling zien dat de vergelijking klopt. Gebruik dat glucose de formule heeft.
Koolstofdioxide is , water is , glucose is en zuurstof is . De nog ongebalanceerde vergelijking wordt dan:
Rechts zitten 6 koolstofatomen in één molecuul glucose. Elk koolstofatoom komt uit één molecuul koolstofdioxide, dus heb je links 6 daarvan nodig:
Glucose bevat 12 waterstofatomen, dus links zijn 6 watermoleculen nodig (6 × 2 = 12 waterstof). Tel daarna de zuurstof: links 6 × 2 (uit de koolstofdioxide) plus 6 × 1 (uit het water) = 18 zuurstofatomen. Rechts zitten er 6 in de glucose, dus de overige 12 moeten in 6 moleculen zuurstof zitten.
Zet ten slotte 'licht' boven de pijl, omdat lichtenergie de reactie aandrijft:
Resultaat: Resultaat: de gebalanceerde reactievergelijking is . Aan beide kanten staan 6 koolstof-, 12 waterstof- en 18 zuurstofatomen, dus de vergelijking is in evenwicht.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een waterplant staat in een bak water in het licht en geeft voortdurend gasbelletjes af. (a) Geef zowel de woordvergelijking als de reactievergelijking van de fotosynthese. (b) Leg uit welk gas in de belletjes zit en waar dat gas vandaan komt. (c) Voorspel en verklaar wat er met de belletjesproductie gebeurt als je de lamp uitdoet.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Bouw van een mitochondrion
verbranding van glucose (aerobe dissimilatie)
Glucose reageert met zuurstof tot koolstofdioxide en water; hierbij komt energie vrij die de cel grotendeels vastlegt in ATP. De vergelijking is het omgekeerde van de fotosynthese en is in balans (6 koolstof-, 12 waterstof- en 18 zuurstofatomen aan beide kanten).
melkzuurgisting (anaeroob, in de spieren)
Zonder zuurstof breekt de spiercel glucose onvolledig af tot melkzuur (lactaat). Dit levert veel minder energie dan de volledige verbranding en treedt op bij kortdurende, zware inspanning.
alcoholische gisting (gistcellen)
Gistcellen zetten glucose zonder zuurstof om in alcohol (ethanol) en koolstofdioxide. De vrijkomende koolstofdioxide laat brooddeeg rijzen; de alcohol wordt benut bij het maken van bier en wijn.
Fotosynthese tegenover verbranding
Een sprinter belast haar beenspieren zo zwaar dat de zuurstofaanvoer tekortschiet. (a) Geef de reactievergelijking van de aerobe verbranding van glucose. (b) Welk proces komt in de spieren op gang bij zuurstoftekort en welke stof ontstaat daarbij? (c) Leg uit waarom dit proces ongeschikt is om lang vol te houden.
Met zuurstof verbrandt de spier glucose volledig tot koolstofdioxide en water, waarbij veel energie (ATP) vrijkomt:
Zonder voldoende zuurstof schakelt de spier over op anaerobe dissimilatie: de melkzuurgisting. Glucose wordt dan onvolledig afgebroken tot melkzuur (lactaat):
Bij de onvolledige afbraak blijft er nog veel energie in het melkzuur 'opgesloten', zodat de melkzuurgisting per molecuul glucose veel minder ATP oplevert dan de volledige verbranding. Bovendien hoopt het melkzuur zich op en veroorzaakt het vermoeide, branderige spieren, waardoor de inspanning niet lang kan duren.
Resultaat: Resultaat: de aerobe verbranding levert veel ATP, maar vereist zuurstof. Bij zuurstoftekort levert de melkzuurgisting nog wat energie — te weinig en met ophopend melkzuur, dus alleen geschikt voor korte, zware inspanning.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een hardloper sprint zo hard dat haar spieren te weinig zuurstof krijgen. (a) Geef de reactievergelijking van de gewone (aerobe) verbranding van glucose. (b) Leg uit welk proces er in de spieren op gang komt bij zuurstoftekort en welke stof er dan ontstaat. (c) Verklaar waarom dit proces veel minder geschikt is om langdurig energie te leveren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De belangrijkste verteringsenzymen
Van voedsel tot lichaamscel
Iemand eet een boterham met kaas. Het brood bevat vooral zetmeel, de kaas bevat eiwit en vet. (a) Noem per voedingsstof het enzym dat haar afbreekt en de bouwstoffen die ontstaan. (b) Leg uit waar de opname van die bouwstoffen vooral plaatsvindt en waarom die plek daarvoor zo geschikt is.
Zetmeel is een lange keten van glucose-eenheden. Het enzym amylase, dat al in het speeksel aanwezig is, breekt zetmeel af tot losse glucosemoleculen.
Eiwit is een keten van aminozuren. Het enzym protease breekt eiwit af tot losse aminozuren.
Vet wordt door het enzym lipase gesplitst in glycerol en vetzuren.
De bouwstoffen worden vooral in de dunne darm opgenomen. De darmwand zit vol darmvlokken (villi), waardoor het oppervlak enorm groot is en er veel bouwstoffen tegelijk in de haarvaten van het bloed kunnen worden opgenomen.
Resultaat: Resultaat: amylase levert glucose, protease levert aminozuren en lipase levert glycerol en vetzuren. De opname gebeurt in de dunne darm, waar de darmvlokken zorgen voor een zeer groot oppervlak — vorm-functiedenken: veel oppervlak op precies de plek waar opname moet plaatsvinden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Iemand eet een boterham met kaas: het brood bevat vooral zetmeel, de kaas bevat eiwit en vet. Beschrijf voor elk van de drie voedingsstoffen welk verteringsenzym haar afbreekt en tot welke bouwstoffen, en leg uit waar in het verteringskanaal de opname van die bouwstoffen vooral plaatsvindt en waarom die plek daar zo geschikt voor is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De dubbele bloedsomloop
Een rode bloedcel heeft zojuist in de longen zuurstof opgenomen. (a) Beschrijf in de juiste volgorde de weg van deze cel — via het hart en de bloedvaten — tot ze in een haarvat bij een beenspier komt. (b) Leg uit hoe de zuurstof daar het bloed verlaat en de spiercel in gaat.
Het zuurstofrijke bloed stroomt vanuit de longen door een longader naar de linkerboezem van het hart. Dit is het einde van de kleine bloedsomloop.
Vanuit de linkerboezem gaat het bloed naar de linkerkamer, die het met kracht via de grote lichaamsslagader het lichaam in pompt. Hier begint de grote bloedsomloop.
Door steeds fijner vertakkende slagaders bereikt het bloed de spier en stroomt het in de haarvaten, de dunste vaatjes met een wand van slechts één cellaag.
In het haarvat is de zuurstofconcentratie hoog en in de spiercel, die volop verbrandt, laag. Daarom diffundeert de zuurstof door de dunne haarvatwand vanzelf van het bloed naar de spiercel.
Resultaat: Resultaat: de route is longen → longader → linkerboezem → linkerkamer → lichaamsslagader → slagaders → haarvat bij de spier. De zuurstof verlaat het bloed door diffusie: ze beweegt langs het concentratieverschil van het haarvat naar de zuurstofarme spiercel.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Volg een rode bloedcel die net zuurstof heeft opgenomen in de longen. Beschrijf de weg die de cel aflegt tot zij in een haarvat bij een spier haar zuurstof afgeeft, en noem daarbij in de juiste volgorde de harthelften, de soorten bloedvaten en de twee bloedsomlopen die ze passeert. Leg ook uit door welk proces de zuurstof het haarvat verlaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De nier zuivert het bloed
Bij een gezond persoon bevat de urine wel de afvalstof ureum, maar geen glucose. (a) Leg met de stappen filtratie en terugresorptie uit waarom er normaal geen glucose in de urine zit. (b) Wat kan het betekenen als er toch glucose in de urine wordt gevonden? (c) Hoe dragen de nieren zo bij aan de homeostase?
Bij de filtratie wordt onder druk plasma door het niertje geperst. Kleine moleculen zoals water, glucose, zouten en ureum komen in de voorurine terecht; glucose zit dus eerst nog wél in de voorurine.
Bij de terugresorptie worden de nuttige stoffen teruggehaald naar het bloed. Bij een gezond persoon wordt álle glucose (en vrijwel al het water) teruggeresorbeerd, terwijl de afvalstof ureum achterblijft. Daarom zit er in de uiteindelijke urine wel ureum maar geen glucose.
Zit er wél glucose in de urine, dan was er meer glucose in het bloed dan de nier kon terugresorberen. Dat is een bekend signaal bij suikerziekte (diabetes), waarbij de bloedglucose te hoog is.
Door afvalstoffen te lozen en nuttige stoffen en water nauwkeurig terug te houden, houden de nieren de samenstelling van het bloed constant. Dat constante inwendige milieu is precies wat homeostase betekent.
Resultaat: Resultaat: glucose wordt wél gefilterd, maar daarna volledig teruggeresorbeerd, dus normaal bevat urine geen glucose. Glucose in de urine wijst op een te hoge bloedglucose (diabetes). Door dit nauwkeurige filteren en terugnemen houden de nieren het inwendige milieu stabiel — dat is hun bijdrage aan de homeostase.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een gezond persoon zit er wel ureum maar geen glucose in de urine. (a) Leg met de twee stappen van de urinevorming uit waarom glucose normaal niet in de urine voorkomt. (b) Beredeneer wat het kan betekenen als er bij iemand toch glucose in de urine wordt aangetoond. (c) Leg uit hoe de nieren met dit alles bijdragen aan de homeostase.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad