Loading
Loading
Erfelijke eigenschappen worden via genen en allelen van ouders op nakomelingen doorgegeven. Dit onderwerp bouwt de erfelijkheidsleer stap voor stap op: eerst het verschil tussen genotype en fenotype, dan het voorspellen van nakomelingen met een mono- en dihybride kruising (de 3:1- en 9:3:3:1-verhoudingen), en ten slotte geslachtsgebonden overerving en het lezen van stambomen. Je leert kruisingsschema's maken en kansen op een bepaald genotype of fenotype berekenen.
4Onderdelenca. 30min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 1 · Verdieping 2
basisniveau
Zorg dat je genotype en fenotype uit elkaar houdt met de begrippen dominant/recessief en homozygoot/heterozygoot. Kun je een monohybride kruising met een Punnett-vierkant maken en de 3:1-fenotypeverhouding aflezen, en een eenvoudige stamboom als dominant of recessief herkennen, dan beheers je de kern.
verhoogd niveau
Leid de 9:3:3:1-verhouding van een dihybride kruising zowel met de gametentabel als met de productregel af, en analyseer onbekende stambomen volledig: bepaal dominant of recessief en autosomaal of X-gebonden, en reken kansen op een nakomeling uit, inclusief het verschil tussen 'een aangedane zoon' en 'een aangedane dochter'.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Genotype en fenotype bij bloemkleur
van genotype naar fenotype
Het genotype (de allelen, zoals AA, Aa of aa) bepaalt het fenotype (het waarneembare kenmerk). Door dominantie kunnen verschillende genotypes — AA en Aa — toch hetzelfde fenotype geven.
Bij een plant geldt: A = rood (dominant) en a = wit (recessief). Geef alle mogelijke genotypes van een rode plant en van een witte plant, en leg uit bij welke van de twee je het genotype zeker weet.
Er zijn twee allelen voor bloemkleur: A geeft rood en is dominant, a geeft wit en is recessief. Elke plant bezit twee allelen voor deze eigenschap.
Wit is recessief en verschijnt alleen als het dominante allel volledig ontbreekt. Een witte plant moet daarom twee recessieve allelen hebben: genotype aa. Dat is de enige mogelijkheid.
Rood is dominant en verschijnt zodra er minstens één A aanwezig is. Een rode plant kan dus AA óf Aa zijn — beide zien er rood uit en zijn aan het uiterlijk niet te onderscheiden.
Bij de witte plant ken je het genotype zeker (aa); bij de rode plant niet (AA of Aa). Wil je het genotype van de rode plant toch bepalen, dan gebruik je later een testkruising.
Resultaat: Een witte plant is altijd aa (zeker bepaald), terwijl een rode plant zowel AA als Aa kan zijn. Dit illustreert dat hetzelfde fenotype (rood) bij meer dan één genotype kan horen, en dat een recessief fenotype (wit) juist precies één genotype verraadt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een plant met rode bloemen wordt onderzocht. Leg uit welke genotypes deze plant kan hebben en welke niet, en doe vervolgens hetzelfde voor een plant met witte bloemen. Verklaar je antwoord met de begrippen dominant en recessief.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kruisingsschema Aa × Aa
genotype- en fenotypeverhouding (F2)
Bij Aa × Aa is de genotypeverhouding 1 AA : 2 Aa : 1 aa. Omdat AA en Aa allebei rood zijn, wordt de fenotypeverhouding 3 rood : 1 wit — de 3:1-verhouding.
Fenotypeverhouding F2 (monohybride)
Kruis twee heterozygoot rode planten: Aa × Aa (A = rood dominant, a = wit recessief). Maak het kruisingsschema, geef de genotype- en fenotypeverhouding van de nakomelingen, en bereken de kans dat een willekeurig nakomeling wit is.
Elke gameet bevat één allel. Beide ouders zijn Aa en maken daarom twee soorten gameten, A en a, elk met kans .
Zet de gameten A en a van de ene ouder boven de kolommen en die van de andere ouder voor de rijen. De vier vakjes worden AA, Aa, Aa en aa (zie de figuur hiernaast), elk met kans .
Tel de vakjes: één AA, twee Aa en één aa. De genotypeverhouding is dus 1 AA : 2 Aa : 1 aa.
AA en Aa zijn allebei rood (samen drie vakjes), alleen aa is wit (één vakje). De fenotypeverhouding is daarom 3 rood : 1 wit.
Eén van de vier vakjes is wit (aa), dus de kans dat een nakomeling wit is bedraagt ; de kans op rood is .
Resultaat: De genotypeverhouding is 1 AA : 2 Aa : 1 aa en de fenotypeverhouding 3 rood : 1 wit. De kans dat een willekeurig nakomeling wit is, bedraagt — precies het ene aa-vakje uit het kruisingsschema in de figuur.
Een rode plant kan AA of Aa zijn; aan het uiterlijk zie je dat niet. Beschrijf met welke testkruising je het verborgen genotype kunt bepalen en hoe je de uitkomst leest.
Kruis de onbekende rode plant met een homozygoot recessieve plant (aa, wit). Die partner geeft altijd een a door, zodat het allel dat de rode plant doorgeeft, in het fenotype van de nakomelingen zichtbaar wordt.
Is de rode plant AA, dan geeft hij altijd een A door. Alle nakomelingen worden Aa en dus rood: er verschijnt geen enkele witte nakomeling.
Is de rode plant Aa, dan geeft hij even vaak A als a door. De nakomelingen worden dan ongeveer half Aa (rood) en half aa (wit): er verschijnen dus witte nakomelingen.
Verschijnt er ook maar één witte nakomeling, dan moet de rode plant het a-allel hebben doorgegeven en is hij Aa. Blijven alle (voldoende veel) nakomelingen rood, dan is hij vrijwel zeker AA.
Resultaat: Met een testkruising tegen aa lees je het verborgen genotype af: uitsluitend rode nakomelingen wijzen op AA, terwijl één of meer witte nakomelingen bewijzen dat de rode plant Aa is. Zo maak je een verborgen recessief allel zichtbaar.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kruis twee heterozygoot rode planten (Aa × Aa). Maak het kruisingsschema, geef de genotypeverhouding en de fenotypeverhouding van de nakomelingen, en bereken de kans dat een willekeurig nakomeling wit is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Gametentabel AaBb × AaBb
product van twee monohybride verhoudingen
Omdat de twee eigenschappen onafhankelijk overerven, is de dihybride fenotypeverhouding het product van twee monohybride 3:1-verhoudingen, wat 9:3:3:1 oplevert.
Fenotypeverhouding F2 (dihybride)
Kruis twee dubbel-heterozygote planten: AaBb × AaBb, met A = rood (dominant) en a = wit (recessief), B = lang (dominant) en b = kort (recessief). Leid de fenotypeverhouding van de F2 af door eerst de gametentabel in te vullen en te tellen, en controleer je antwoord met de productregel.
Door de onafhankelijke verdeling krijgt elke gameet één kleur-allel (A of a) en daar los van één lengte-allel (B of b). Een ouder AaBb maakt daardoor vier soorten gameten, elk met kans .
Zet de vier gameten van de ene ouder boven de kolommen en die van de andere ouder voor de rijen, en combineer ze in zestien vakjes (zie de figuur hiernaast). Elk vakje heeft kans , dus alle zestien zijn even waarschijnlijk.
Voor de kleur is elk genotype met minstens één A rood en alleen aa wit. Voor de lengte is elk genotype met minstens één B lang en alleen bb kort. Met deze twee regels deel je elk vakje bij een fenotype in.
Sorteren levert vier groepen op: negen planten rood én lang, drie rood én kort, drie wit én lang en één wit én kort. Samen 9 + 3 + 3 + 1 = 16, gelijk aan het aantal vakjes — de telling klopt.
Bekijk elke eigenschap apart: Aa × Aa geeft rood en wit, Bb × Bb geeft lang en kort. Vermenigvuldig de onafhankelijke kansen: rood-lang , rood-kort en wit-lang elk , wit-kort — opnieuw 9:3:3:1.
Resultaat: De fenotypeverhouding van de F2 is 9 rood-lang : 3 rood-kort : 3 wit-lang : 1 wit-kort, oftewel 9:3:3:1. Beide methoden — de zestien vakjes tellen en de productregel (3:1) maal (3:1) — geven hetzelfde resultaat, en 9 + 3 + 3 + 1 = 16 bevestigt dat alle nakomelingen zijn meegeteld.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kruis twee dubbel-heterozygote planten AaBb × AaBb (A = rood, a = wit; B = lang, b = kort). Leid de fenotypeverhouding van de nakomelingen af door eerst de gametentabel in te vullen en te tellen, en controleer je antwoord daarna met de productregel.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Stamboom van een X-gebonden recessieve aandoening
kans op een aangedane zoon
Bij de kruising is de kans dat het kind een zoon is en de kans dat die zoon het recessieve allel krijgt ; samen .
In de stamboom hiernaast krijgen twee niet-aangedane ouders (I1 en I2) drie kinderen, van wie één zoon (II1) is aangedaan. Bepaal of de aandoening dominant of recessief is en of ze past bij X-gebonden recessieve overerving. Bepaal vervolgens de genotypes van de ouders en bereken de kans dat hun volgende kind een aangedane zoon is.
Twee niet-aangedane ouders krijgen een aangedaan kind. Dat kan alleen als beide ouders een verborgen allel dragen dat bij het kind samenkomt, dus de aandoening is recessief. Een dominant kenmerk zou bij een aangedaan kind ook bij minstens één ouder zichtbaar zijn geweest.
De aangedane persoon is een zoon en zijn moeder is niet aangedaan. Dit past bij X-gebonden recessief: de zoon () kreeg zijn enige X met het recessieve allel van zijn moeder, die dan draagster is. Met alleen deze gegevens is autosomaal recessief niet volledig uitgesloten, maar het patroon — alleen een zoon aangedaan, moeder gezond — past goed bij X-gebonden recessief.
De moeder is gezond maar gaf een door aan haar aangedane zoon, dus ze is draagster: . De vader is een niet-aangedane man: .
De moeder maakt eicellen en (elk kans ), de vader zaadcellen en (elk ). De vier even waarschijnlijke combinaties zijn (gezonde dochter), (gezonde draagster-dochter), (gezonde zoon) en (aangedane zoon).
Slechts één van de vier even waarschijnlijke uitkomsten is een aangedane zoon (). De kans op een aangedane zoon is dus . Geen enkele dochter kan aangedaan zijn, want elke dochter krijgt het van haar vader.
Resultaat: De aandoening is recessief en past bij X-gebonden recessieve overerving; de ouders zijn (draagster-moeder) en (gezonde vader). De kans dat hun volgende kind een aangedane zoon is, bedraagt ; een aangedane dochter is uitgesloten (kans 0). Dat alleen zonen risico lopen, laat in cijfers zien waarom X-gebonden recessieve aandoeningen vaker bij mannen voorkomen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bekijk de stamboom hiernaast, waarin twee gezonde ouders een aangedane zoon hebben. Beredeneer of de aandoening dominant of recessief is en of ze goed past bij X-gebonden recessieve overerving. Bepaal daarna de genotypes van de ouders en bereken de kans dat hun volgende kind een aangedane zoon is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad