Loading
Loading
Voordat een cel zich deelt, wordt al haar DNA nauwkeurig gekopieerd: de dubbele helix opent zich en elke streng dient als mal voor een nieuwe, complementaire streng. Dit onderwerp volgt die kopie door de celcyclus heen — van de S-fase waarin het DNA verdubbelt tot de mitose, waarin het verdubbelde DNA gelijk over twee dochtercellen wordt verdeeld. Je leert de fasen benoemen, het aantal chromosomen en chromatiden bijhouden, en uitleggen waarom mitose twee genetisch identieke cellen oplevert.
4Onderdelenca. 28min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Zorg dat je de complementaire basenparing (A-T en C-G) kunt toepassen, de fasen van de celcyclus en de mitose in de juiste volgorde kunt benoemen, en weet dat mitose twee genetisch identieke dochtercellen oplevert met hetzelfde aantal chromosomen als de moedercel.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten over de relatieve DNA-hoeveelheid en het aantal chromosomen en chromatiden per fase, en verklaar waarom een verstoring van de gecontroleerde celdeling tot ongeremde deling — een tumor — kan leiden.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Semiconservatieve replicatie
Een streng van een DNA-molecuul (de mal) heeft de basenvolgorde 3'-T-A-C-G-G-T-5'. Bepaal de basenvolgorde van de nieuwe, complementaire streng die tijdens de replicatie tegen deze mal wordt gebouwd.
Bij DNA paren de basen altijd volgens vaste koppels: A hoort bij T en C hoort bij G. Onder elke base van de mal komt dus de bijbehorende partnerbase te staan.
Loop de mal base voor base langs: T wordt A, A wordt T, C wordt G, G wordt C, G wordt C, T wordt A. Zo ontstaat de basenvolgorde van de nieuwe streng: A-T-G-C-C-A.
De twee strengen van een DNA-molecuul liggen antiparallel: ze lopen in tegengestelde richting. Tegenover de mal 3'-T-A-C-G-G-T-5' loopt de nieuwe streng dus andersom, namelijk 5'-A-T-G-C-C-A-3'.
Resultaat: De complementaire streng is 5'-A-T-G-C-C-A-3'. Samen met de oude mal vormt deze nieuwe streng één van de twee dochtermoleculen; omdat dat molecuul één oude en één nieuwe streng bevat, is de replicatie semiconservatief.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een streng van een DNA-molecuul heeft de basenvolgorde 5'-A-A-T-G-C-T-3'. Geef de basenvolgorde van de complementaire streng en leg uit waarom het dubbele DNA-molecuul dat na de replicatie ontstaat 'semiconservatief' wordt genoemd.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De celcyclus
DNA-hoeveelheid door de celcyclus
Een cel heeft aan het begin van de G1-fase een relatieve DNA-hoeveelheid van 2 eenheden. Beschrijf hoe groot de DNA-hoeveelheid per cel is aan het einde van de G1-fase, na de S-fase, in de G2-fase, tijdens de mitose en in elke dochtercel na de celdeling.
In de G1-fase groeit de cel, maar het DNA wordt nog niet gekopieerd. De hoeveelheid blijft daarom gelijk aan de beginwaarde: 2 eenheden.
In de S-fase wordt al het DNA gerepliceerd. Daardoor verdubbelt de hoeveelheid van 2 naar 4 eenheden. Na de S-fase heeft de cel dus 4 eenheden DNA.
In de G2-fase en tijdens de mitose is het DNA wel gekopieerd, maar nog niet verdeeld over twee cellen. De hoeveelheid blijft daarom 4 eenheden.
Bij de mitose en de cytokinese wordt het verdubbelde DNA gelijk over twee dochtercellen verdeeld. Elke dochtercel krijgt dus de helft: 4 gedeeld door 2 is 2 eenheden.
Resultaat: De DNA-hoeveelheid verloopt als 2 (G1) → 4 (na S) → 4 (G2 en M) → 2 (per dochtercel na de deling). De hoeveelheid verdubbelt één keer (in de S-fase) en halveert één keer (bij de deling), precies zoals de grafiek hiernaast laat zien.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde binnen de celcyclus: cytokinese, S-fase, G1-fase, mitose, G2-fase. Geef daarbij voor elke fase aan of de relatieve DNA-hoeveelheid per cel 2 of 4 eenheden is (of verandert), als de cel in G1 met 2 eenheden begint.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De fasen van de mitose
Een cel begint aan de mitose met 8 chromosomen die in de S-fase zijn verdubbeld. Bepaal (a) het aantal chromosomen en chromatiden in de metafase, en (b) het aantal chromosomen en chromatiden in elke dochtercel na de telofase en de cytokinese.
Na de S-fase bestaat elk chromosoom uit twee zusterchromatiden. De cel heeft 8 chromosomen, en omdat de chromatiden bij het centromeer nog aan elkaar vastzitten, blijft het aantal chromosomen 8. Het aantal chromatiden is dan 8 × 2 = 16.
In de metafase liggen die 8 verdubbelde chromosomen op een rij in het midden. De chromatiden zitten nog vast aan het centromeer, dus het antwoord op (a) is: 8 chromosomen en 16 chromatiden.
In de anafase laten de chromatiden bij het centromeer los. Elke chromatide wordt nu een apart chromosoom; van elk oorspronkelijk chromosoom gaat er één naar elke pool. Naar elke pool gaan dus 8 chromosomen.
Na de telofase en de cytokinese heeft elke dochtercel de set van één pool gekregen: 8 chromosomen. Die chromosomen bestaan nu elk uit één chromatide, dus 8 chromatiden. Het antwoord op (b) is: 8 chromosomen en 8 chromatiden per dochtercel.
Resultaat: In de metafase: 8 chromosomen en 16 chromatiden. In elke dochtercel na de deling: 8 chromosomen en 8 chromatiden. Het aantal chromosomen (8) in de dochtercel is gelijk aan dat in de moedercel — precies wat de mitose hoort te doen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf voor elk van de vier fasen van de mitose (profase, metafase, anafase, telofase) in één zin wat er met de chromosomen en de spoeldraden gebeurt. Leg daarna uit op welk moment een chromatide weer een 'chromosoom' gaat heten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Functies van mitose
Een kweker neemt meerdere stekjes van één moederplant en laat ze uitgroeien tot nieuwe planten. Leg stap voor stap uit waarom al deze nieuwe planten genetisch identiek zijn aan de moederplant en aan elkaar.
Een stekje is een stukje van de moederplant. Het groeit uit tot een hele plant doordat zijn cellen zich keer op keer delen. Die celdelingen zijn mitosen, want het gaat om gewone lichaamscellen die zich vermenigvuldigen.
Bij elke mitose ontstaan twee dochtercellen die genetisch identiek zijn aan de cel waaruit ze voortkomen. Alle cellen van de nieuwe plant stammen dus via mitose af van de cellen van het stekje en bevatten daardoor hetzelfde DNA.
Omdat het stekje zelf van de moederplant afkomstig is, dragen zijn cellen het DNA van de moederplant. Via de mitosen wordt dat DNA ongewijzigd doorgegeven aan de hele nieuwe plant.
Elke nieuwe plant bevat dus exact hetzelfde DNA als de moederplant. Dit is ongeslachtelijke voortplanting: er is maar één ouder en er komt geen menging van DNA aan te pas, zodat alle nakomelingen identieke kopieën — klonen — zijn.
Resultaat: Alle nieuwe planten zijn klonen van de moederplant: ze zijn genetisch identiek aan haar en aan elkaar. Dat komt doordat ze via mitose uit cellen van de moederplant zijn ontstaan, en mitose geeft het DNA ongewijzigd en identiek door.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een tuinder vermeerdert een sierplant door stekjes te nemen: van de moederplant worden stukjes afgesneden die uitgroeien tot nieuwe planten. Leg uit waarom alle nieuwe planten genetisch identiek zijn aan de moederplant, en gebruik daarbij de begrippen mitose en ongeslachtelijke voortplanting.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad