Loading
Loading
Domein G brengt de financiële administratie samen in de jaarrekening: de balans (de vermogenspositie op een moment) en de resultatenrekening (de winst over een periode). Je leert de opbouw van beide, de indeling in vaste en vlottende activa en in eigen en vreemd vermogen, en de belangrijkste kengetallen: de liquiditeit (current ratio, quick ratio), de solvabiliteit en de rentabiliteit. Je stelt een balans in evenwicht op, berekent de winst en de kengetallen en interpreteert ze.
3Onderdelenca. 16min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je een balans in evenwicht kunt opstellen, de winst uit een resultatenrekening kunt berekenen en de current ratio en solvabiliteit kunt bepalen.
verhoogd niveau
Redeneer over de kengetallen: waarom kijkt een bank vooral naar de solvabiliteit en de leverancier vooral naar de liquiditeit, en wat betekent een current ratio onder 1 of een lage solvabiliteit voor de continuïteit?
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De balans in evenwicht
balansvergelijking
De debetkant (activa) is altijd gelijk aan de creditkant (passiva); het balanstotaal is aan beide kanten gelijk.
Een onderneming heeft: gebouw € 200\,000, machines € 80\,000, voorraad € 50\,000, debiteuren € 30\,000, bank € 40\,000, een hypothecaire lening € 180\,000 en crediteuren € 60\,000. Bereken het eigen vermogen en controleer het evenwicht van de balans.
Som alle activa: vaste activa, voorraad, debiteuren en bank.
Som de hypothecaire lening en de crediteuren.
Het eigen vermogen is het balanstotaal (bezittingen) min het vreemd vermogen.
Resultaat: Resultaat: het eigen vermogen is € 160\,000. De debetkant (€ 400\,000 bezittingen) is gelijk aan de creditkant (€ 160\,000 eigen vermogen + € 240\,000 vreemd vermogen), dus de balans is in evenwicht.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft: gebouw € 200\,000, machines € 80\,000, voorraad € 50\,000, debiteuren € 30\,000, bank € 40\,000, een hypothecaire lening € 180\,000 en crediteuren € 60\,000. Stel de balans op, bereken het eigen vermogen als sluitpost en controleer dat de balans in evenwicht is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Getrapte opbouw van de resultatenrekening
resultaat
Opbrengsten groter dan kosten geeft winst; kosten groter dan opbrengsten geeft verlies.
brutowinst
De marge op de verkopen vóór aftrek van de bedrijfskosten; van de brutowinst gaan de overige kosten af.
Een handelsonderneming heeft over een jaar: netto-omzet € 500\,000, inkoopwaarde van de omzet € 300\,000, bedrijfskosten (personeel, huisvesting, afschrijving) samen € 140\,000 en rentekosten € 10\,000. Bereken de brutowinst en de nettowinst, en geef de verandering van het eigen vermogen (geen privémutaties).
Trek de inkoopwaarde van de omzet van de netto-omzet af.
Van de brutowinst gaan de bedrijfskosten af.
Van het bedrijfsresultaat gaan de rentekosten af (een eenmanszaak betaalt geen vennootschapsbelasting op dit resultaat).
Resultaat: Resultaat: de brutowinst is € 200\,000 en de nettowinst € 50\,000. Zonder privémutaties stijgt het eigen vermogen met de nettowinst, dus met € 50\,000 — zo sluit de resultatenrekening aan op de balans.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een handelsonderneming heeft over een jaar: netto-omzet € 500\,000, inkoopwaarde van de omzet € 300\,000, personeelskosten € 90\,000, huisvestingskosten € 30\,000, afschrijvingen € 20\,000 en rentekosten € 10\,000. Bereken de brutowinst en de nettowinst, en geef de verandering van het eigen vermogen als er geen privémutaties zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kengetallen tegen hun norm
current ratio
Meet of de vlottende activa (incl. voorraad) de kortlopende schulden dekken; gezond vaak 1,5–2.
quick ratio
Strenger dan de current ratio: zonder voorraad; gezond rond de 1.
solvabiliteit
Het aandeel eigen vermogen; een grote buffer betekent weinig risico voor de schuldeisers.
Een onderneming heeft: voorraad € 60\,000, debiteuren € 40\,000, liquide middelen € 20\,000, kort vreemd vermogen € 80\,000, eigen vermogen € 150\,000, totaal vermogen € 400\,000 en een nettowinst van € 24\,000. Bereken de current ratio, de quick ratio, de solvabiliteit en de REV, en beoordeel de liquiditeit.
Tel alle vlottende activa (voorraad, debiteuren, liquide middelen) op en deel door het kort vreemd vermogen.
Laat de voorraad weg: alleen debiteuren en liquide middelen gedeeld door het kort vreemd vermogen.
Solvabiliteit is eigen vermogen gedeeld door totaal vermogen; de REV is de nettowinst gedeeld door het eigen vermogen.
De current ratio (1,5) haalt de vuistnorm, maar de quick ratio (0,75) ligt onder de norm van circa 1: zonder de voorraad kan de onderneming haar kortlopende schulden krap dekken.
Resultaat: Resultaat: current ratio 1,5, quick ratio 0,75, solvabiliteit 37,5% en REV 16%. De liquiditeit is wisselend: op basis van de current ratio net gezond, maar de lage quick ratio waarschuwt dat de onderneming sterk op haar voorraad leunt om de kortlopende schulden te dekken.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft: voorraad € 60\,000, debiteuren € 40\,000, liquide middelen € 20\,000, kort vreemd vermogen € 80\,000, eigen vermogen € 150\,000 en een totaal vermogen van € 400\,000. De nettowinst is € 24\,000. Bereken de current ratio, de quick ratio, de solvabiliteit en de rentabiliteit van het eigen vermogen, en beoordeel de liquiditeit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad