Loading
Loading
Dit onderwerp gaat over de verschillen in ontwikkeling tussen en binnen landen: hoe je ontwikkeling meet (bnp per hoofd, HDI, sociale indicatoren), hoe de bevolking van arme en rijke landen zich anders ontwikkelt (het demografisch transitiemodel en de bevolkingspiramide), hoe verstedelijking en migratie samenhangen met push- en pull-factoren, en hoe ongelijkheid via centrum en periferie zowel binnen als tussen landen doorwerkt. Je leert modellen, piramides en indicatoren aflezen en de mondiale spreiding van arm en rijk verklaren.
5Onderdelenca. 21min leestijd4VaardighedenNiveauStandaard 4 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE moet je ontwikkelingsindicatoren, het demografisch transitiemodel en bevolkingspiramides kunnen aflezen en verschillen tussen arm en rijk verklaren.
verhoogd niveau
Verdieping (SE): de samenhang tussen demografie, verstedelijking en ongelijkheid op verschillende schaalniveaus, van mondiaal tot binnen één land.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Ontwikkelingsindicatoren
Land A heeft een hoger bnp per hoofd dan land B, maar toch een lagere HDI. Leg uit hoe dat kan.
De HDI combineert inkomen met levensverwachting en onderwijs; inkomen is dus maar één van de drie onderdelen.
Land A kan een hoog gemiddeld inkomen hebben (bijvoorbeeld uit olie), maar tegelijk een lage levensverwachting en veel analfabetisme — dan scoort het op twee van de drie HDI-onderdelen laag.
Land B heeft een lager inkomen, maar goede gezondheidszorg en onderwijs, waardoor het op levensverwachting en alfabetisme juist hoog scoort.
Bovendien kan A's hoge bnp een gemiddelde zijn dat een grote ongelijkheid verbergt: veel armen naast enkele zeer rijken.
Resultaat: Doordat de HDI ook gezondheid en onderwijs meeweegt, kan land B met een lager inkomen maar beter welzijn een hogere HDI hebben dan het rijkere land A — het verschil tussen welvaart en welzijn in één voorbeeld.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Land A heeft een hoger bnp per hoofd dan land B, maar een lagere HDI. Leg uit hoe dat mogelijk is en welke indicatoren het verschil kunnen verklaren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — ontwikkelingsindicatoren, welvaart en welzijn (CvTE / Examenblad)
Het demografisch transitiemodel
In een land is het geboortecijfer 34 per 1000 en het sterftecijfer 9 per 1000 per jaar. Bereken de natuurlijke bevolkingsgroei in promille en in procenten, en bepaal de waarschijnlijke DTM-fase.
Natuurlijke bevolkingsgroei = geboortecijfer − sterftecijfer, in promille (per 1000 per jaar).
34 − 9 = 25 per 1000 per jaar, dus een natuurlijke groei van 25 promille.
Deel door 10: 25 promille = 2,5 procent per jaar (25 per 1000 = 2,5 per 100).
Een hoog geboortecijfer (34) met een al sterk gedaald sterftecijfer (9) en een grote groei past bij fase 2 of het begin van fase 3 — kenmerkend voor een snelgroeiend, zich ontwikkelend land.
Resultaat: De natuurlijke bevolkingsgroei is 25 promille, oftewel 2,5 procent per jaar; het grote verschil tussen een hoog geboorte- en een laag sterftecijfer wijst op fase 2 (begin fase 3) van het DTM.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een land is het geboortecijfer 34 per 1000 en het sterftecijfer 9 per 1000. Bereken de natuurlijke bevolkingsgroei in promille en in procenten per jaar, en geef aan in welke DTM-fase dit land waarschijnlijk zit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — demografisch transitiemodel en bevolkingsgroei (CvTE / Examenblad)
Bevolkingspiramide van een jong land (schematisch)
Beschrijf een piramide met een zeer brede basis en een smalle top: om wat voor land gaat het, welke DTM-fase, en welk vraagstuk speelt er?
De zeer brede basis betekent veel jonge kinderen, dus een hoog geboortecijfer.
De smalle top betekent weinig ouderen, dus een korte levensverwachting en/of hoge sterfte op oudere leeftijd.
Dit is een jong, arm land met snelle groei — passend bij fase 2 of 3 van het demografisch transitiemodel.
De grote groep jongeren zorgt voor verdere snelle groei en vraagt veel onderwijs, werk en voedsel — een hoge 'groene druk'.
Resultaat: De brede basis en smalle top wijzen op een jong, arm en snelgroeiend land in DTM-fase 2 of 3; het grote aandeel jongeren belooft verdere groei en legt druk op onderwijs en werkgelegenheid.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt twee bevolkingspiramides: één met een zeer brede basis en smalle top, en één met een smalle basis en brede top. Beschrijf per piramide om wat voor land het gaat, in welke DTM-fase het zit en welk toekomstig vraagstuk het te wachten staat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — bevolkingsstructuur en bevolkingspiramide (CvTE / Examenblad)
Push- en pull-factoren en verstedelijking
Verklaar met push- en pull-factoren waarom mensen uit het arme noordoosten van Brazilië naar het zuidoosten trekken, en noem een gevolg voor de steden.
Armoede, gebrek aan werk op het platteland, droogte (de sertão) en weinig voorzieningen duwen mensen weg.
In het economische kerngebied met São Paulo en Rio hopen migranten op werk, een hoger inkomen, onderwijs en betere voorzieningen.
De combinatie van duwen en trekken leidt tot een grote binnenlandse migratie van noordoost naar zuidoost.
De steden groeien sneller dan er werk en woningen bij komen; veel migranten belanden in de informele sector en in favela's aan de rand van de stad.
Resultaat: Push-factoren in het arme noordoosten en pull-factoren in het welvarende zuidoosten verklaren de binnenlandse migratie; het gevolg is een snelle, ongeplande verstedelijking met een grote informele sector en favela's.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met minstens twee push- en twee pull-factoren uit waarom veel mensen in Brazilië van het arme noordoosten naar de grote steden in het zuidoosten trekken. Beschrijf ook een gevolg van die trek voor de steden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — verstedelijking, migratie en push- en pull-factoren (CvTE / Examenblad)
Oorzaken van blijvende ongelijkheid
Centrum en periferie op twee schaalniveaus
Leg uit hoe het centrum-periferiepatroon zowel binnen Brazilië als mondiaal terugkomt, en noem bij elk niveau een oorzaak van de ongelijkheid.
Het centrum is het rijke, geïndustrialiseerde zuidoosten (Sudeste, met São Paulo en Rio); de periferie is het armere noordoosten (Nordeste) en het dunbevolkte Amazonegebied.
Kapitaal, bedrijven en geschoolde mensen trekken naar het zuidoosten, terwijl het noordoosten met een zwakkere economie en droogte achterblijft — de ongelijkheid versterkt zichzelf.
Het mondiale centrum zijn de rijke landen (delen van Noord-Amerika, West-Europa, Oost-Azië); de periferie zijn de armste landen (o.a. delen van Afrika bezuiden de Sahara).
Historisch het kolonialisme (eenzijdige grondstoffeneconomie) en actueel de ongunstige positie in de wereldeconomie (goedkope grondstoffen uit, dure producten in).
Resultaat: Het centrum-periferiepatroon herhaalt zich op twee niveaus: binnen Brazilië (zuidoosten tegenover noordoosten) en mondiaal (rijke tegenover arme landen); op beide niveaus houdt een samenspel van historische en economische oorzaken de ongelijkheid in stand.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit hoe het centrum-periferiepatroon zowel binnen Brazilië als op mondiale schaal terug te vinden is. Noem bij beide schaalniveaus het centrum en de periferie en geef één oorzaak van de ongelijkheid.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde havo — centrum en periferie, ongelijkheid en mondiale spreiding van arm en rijk (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen