EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Vaardigheden (algemene, wiskundige en vakspecifieke vaardigheden, redeneren en bewijzen)
Samenvattingen · Wiskunde DNL · VWO

Vaardigheden (algemene, wiskundige en vakspecifieke vaardigheden, redeneren en bewijzen)

Domein A bundelt de vaardigheden die door heel wiskunde D heen lopen: nauwkeurig redeneren met beweringen en kwantoren, en wiskundige uitspraken echt bewijzen — direct, uit het ongerijmde en met volledige inductie. Je leert het verschil tussen een voorbeeld en een sluitend bewijs, en je gebruikt algemene en vakspecifieke vaardigheden als modelleren en ICT. Wiskunde D kent geen centraal examen; deze stof wordt in het schoolexamen (SE) in samenhang met alle andere domeinen getoetst.

4 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0111 / 19
Examenprofiel
Domein A — wiskundig redeneren: beweringen met kwantoren formuleren en ontkennen, en implicatie, equivalentie en nodige/voldoende voorwaarde correct gebruikenDirecte bewijzen, bewijs uit het ongerijmde en bewijs met volledige inductie opzetten en verzorgd noterenEen bewering weerleggen met een tegenvoorbeeld en het verschil tussen een vermoeden, een voorbeeld en een bewijs hanterenAlgemene en vakspecifieke vaardigheden: exact algebraïsch werken, modelleren, generaliseren en ICT doelgericht inzetten
Operatoren:bewijstoon aanleid afberedeneerweerlegverklaarberekenbepaal

basisniveau

Domein A is geen los examenonderdeel maar loopt door alle domeinen van wiskunde D heen; in het schoolexamen (SE) wordt het altijd in samenhang met de inhoud (kansrekening, dynamische systemen, meetkunde, complexe getallen) getoetst. Beheers minimaal: een bewering met kwantoren lezen, een direct bewijs geven en het schema van volledige inductie toepassen.

verhoogd niveau

Verdieping: een bewijs uit het ongerijmde zelfstandig opzetten (zoals de irrationaliteit van √2), volledige inductie op ongelijkheden en deelbaarheid toepassen, en de logische structuur (contrapositie, nodig versus voldoende) foutloos hanteren. Deze redeneervaardigheid is de rode draad naar de bewijzen in de meetkunde (domein D) en bij de complexe getallen (domein E).

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Vaardigheden (algemene, wiskundige en vakspecifieke vaardigheden, redeneren en bewijzen)
    • 01Wiskundig redeneren: beweringen, kwantoren en logica○
    • 02Directe bewijzen en bewijs uit het ongerijmde◐
    • 03Volledige inductie●
    • 04Algemene en vakspecifieke vaardigheden: modelleren en ICT◐
§ 01

Wiskundig redeneren: beweringen, kwantoren en logica#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-d-domein-A

Kernpunten

Een wiskundige bewering (of propositie) is een uitspraak die eenduidig waar of onwaar is — er is geen tussenweg. Veel wiskundige beweringen gaan niet over één getal maar over een hele verzameling, en dan gebruik je kwantoren. De universele kwantor „voor alle” (symbool ∀\forall∀) zegt dat iets voor élk element geldt, zoals in „voor alle x∈Rx \in \mathbb{R}x∈R geldt x2≥0x^2 \ge 0x2≥0”. De existentiële kwantor „er bestaat” (symbool ∃\exists∃) zegt dat er minstens één element is waarvoor iets geldt, zoals „er bestaat een xxx met x2=2x^2 = 2x2=2”. Wie precies wil redeneren, let scherp op welke kwantor er staat: die twee beweringen zeggen heel verschillende dingen.
De ontkenning (negatie) van een bewering met een kwantor draait de kwantor óm. De ontkenning van „voor alle xxx geldt P(x)P(x)P(x)” is niet „voor alle xxx geldt niet P(x)P(x)P(x)”, maar „er bestaat een xxx waarvoor P(x)P(x)P(x) niet geldt”: ¬(∀x: P(x))  ⟺  ∃x: ¬P(x)\neg(\forall x:\,P(x)) \iff \exists x:\,\neg P(x)¬(∀x:P(x))⟺∃x:¬P(x). Eén enkel geval waarin PPP faalt, maakt de hele voor-alle-bewering onwaar. Omgekeerd is de ontkenning van „er bestaat een xxx met P(x)P(x)P(x)” de bewering „voor alle xxx geldt ¬P(x)\neg P(x)¬P(x)”. Dit correct omkeren is de sleutel tot weerleggen en tot het bewijs uit het ongerijmde in de volgende paragraaf.
Veel wiskundige uitspraken hebben de vorm van een implicatie: „als PPP, dan QQQ”, genoteerd P⇒QP \Rightarrow QP⇒Q. Zo'n als-dan-uitspraak is alléén onwaar wanneer PPP waar is maar QQQ onwaar; in alle andere gevallen is ze waar. Bij P⇒QP \Rightarrow QP⇒Q hoort de taal van nodig en voldoende: PPP is een voldoende voorwaarde voor QQQ (als je PPP hebt, heb je zeker QQQ), en QQQ is een nodige voorwaarde voor PPP (zonder QQQ geen PPP). Geldt bovendien de omgekeerde implicatie Q⇒PQ \Rightarrow PQ⇒P, dan zijn PPP en QQQ gelijkwaardig (equivalent), genoteerd P  ⟺  QP \iff QP⟺Q en uitgesproken als „PPP dan en slechts dan als QQQ”; dan is PPP nodig én voldoende voor QQQ.
Twee implicaties worden vaak verward. De omkering van P⇒QP \Rightarrow QP⇒Q is Q⇒PQ \Rightarrow PQ⇒P, en die hoeft níet waar te zijn als het origineel dat wel is: „als het regent, is de straat nat” is waar, maar „als de straat nat is, regent het” niet. De contrapositie daarentegen, ¬Q⇒¬P\neg Q \Rightarrow \neg P¬Q⇒¬P, is altijd gelijkwaardig aan het origineel: (P⇒Q)  ⟺  (¬Q⇒¬P)(P \Rightarrow Q) \iff (\neg Q \Rightarrow \neg P)(P⇒Q)⟺(¬Q⇒¬P). Die gelijkwaardigheid is een krachtig bewijsmiddel — soms is de contrapositie veel makkelijker te bewijzen dan de oorspronkelijke implicatie (zie het tweede uitgewerkte voorbeeld).
Om een „voor alle”-bewering te weerléggen is één tegenvoorbeeld genoeg: vind je één geval waarin ze faalt, dan is ze onwaar. Afb. 1 laat dit zien voor de bewering „voor alle reële xxx geldt x2≥xx^2 \ge xx2≥x”. De grafieken van y=x2y = x^2y=x2 en y=xy = xy=x snijden elkaar in x=0x = 0x=0 en x=1x = 1x=1, en op het interval 0<x<10 < x < 10<x<1 ligt de parabool y=x2y = x^2y=x2 ónder de lijn y=xy = xy=x. Bij bijvoorbeeld x=12x = \tfrac{1}{2}x=21​ is x2=14<12x^2 = \tfrac{1}{4} < \tfrac{1}{2}x2=41​<21​, dus de bewering klopt niet. Let op de asymmetrie: een tegenvoorbeeld weerlegt een universele bewering volledig, maar één kloppend voorbeeld bewíjst zo'n bewering nooit — daarvoor heb je een algemeen argument nodig. Verwar een vermoeden (het lijkt te kloppen) dus niet met een bewijs (het móét kloppen).

Tegenvoorbeeld: y = x² ligt onder y = x op (0, 1)

Tegenvoorbeeld: op 0 < x < 1 geldt x² < xSchaubild von y = x², Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 1.5, Schaubild von y = x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 1.50.20.40.60.811.21.40.511.52y = x²y = xyx
Afb. 1Afb. 1 — De bewering „voor alle x geldt x² ≥ x” is onwaar: op 0 < x < 1 ligt y = x² onder y = x. Bij x = 1/2 is x² = 1/4 < 1/2, één tegenvoorbeeld dat de hele voor-alle-bewering weerlegt.
P⇒QP \Rightarrow QP⇒Q

Implicatie (als-dan)

Alleen onwaar als P waar is en Q onwaar. P is voldoende voor Q; Q is nodig voor P.

(P⇒Q)  ⟺  (¬Q⇒¬P)(P \Rightarrow Q) \iff (\neg Q \Rightarrow \neg P)(P⇒Q)⟺(¬Q⇒¬P)

Contrapositie

De contrapositie is altijd gelijkwaardig aan de implicatie; de omkering Q ⇒ P is dat niet.

¬(∀x: P(x))  ⟺  ∃x: ¬P(x)\neg(\forall x:\,P(x)) \iff \exists x:\,\neg P(x)¬(∀x:P(x))⟺∃x:¬P(x)

Ontkenning van een voor-alle-bewering

Eén tegenvoorbeeld — een x waarvoor P niet geldt — weerlegt „voor alle x geldt P(x)”.

Uitgewerkt voorbeeld

Een universele bewering weerleggen met een tegenvoorbeeld

Weerleg de bewering: voor elk reëel getal xxx geldt x2≥xx^2 \ge xx2≥x.

  1. 01Wat moet je laten zien?

    De bewering is een „voor alle”-uitspraak. Om haar te weerleggen volstaat één reëel getal x waarvoor x² ≥ x niet geldt, dus waarvoor x² < x.

  2. 02Kies een geschikt getal

    Tussen 0 en 1 is een getal groter dan zijn eigen kwadraat. Neem x = 1/2.

    x=12x = \tfrac{1}{2}x=21​
  3. 03Reken het tegenvoorbeeld na

    Bereken x² en vergelijk met x.

    x2=(12)2=14<12=xx^2 = \left(\tfrac{1}{2}\right)^2 = \tfrac{1}{4} < \tfrac{1}{2} = xx2=(21​)2=41​<21​=x
  4. 04Conclusie

    Bij x = 1/2 geldt x² < x, dus de bewering „voor alle x geldt x² ≥ x” is onwaar (zie ook Afb. 1).

Resultaat: De bewering is onwaar; x = 1/2 is een tegenvoorbeeld, want (1/2)² = 1/4 < 1/2.

Uitgewerkt voorbeeld

Contrapositie gebruiken in een bewijs

Gegeven: nnn is een geheel getal. Toon met de contrapositie aan dat als n2n^2n2 even is, nnn ook even is.

  1. 01Formuleer de contrapositie

    De bewering „als n² even, dan n even” is gelijkwaardig aan haar contrapositie: „als n oneven, dan n² oneven”. Die bewijzen we.

    (n2 even⇒n even)  ⟺  (n oneven⇒n2 oneven)(n^2 \text{ even} \Rightarrow n \text{ even}) \iff (n \text{ oneven} \Rightarrow n^2 \text{ oneven})(n2 even⇒n even)⟺(n oneven⇒n2 oneven)
  2. 02Neem n oneven

    Een oneven getal schrijf je als n = 2k + 1 met k geheel.

    n=2k+1,k∈Zn = 2k+1,\quad k \in \mathbb{Z}n=2k+1,k∈Z
  3. 03Bereken n²

    Werk het kwadraat uit en haal een factor 2 buiten haakjes.

    n2=4k2+4k+1=2(2k2+2k)+1n^2 = 4k^2 + 4k + 1 = 2(2k^2 + 2k) + 1n2=4k2+4k+1=2(2k2+2k)+1
  4. 04Conclusie

    n² heeft de vorm 2m + 1, dus n² is oneven. Daarmee is de contrapositie bewezen, en dus ook de oorspronkelijke bewering.

Resultaat: Omdat de contrapositie „n oneven ⇒ n² oneven” klopt, geldt ook „n² even ⇒ n even”.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een bewering met kwantoren correct lezen, formuleren en ontkennen, en de logische termen implicatie, equivalentie, nodig en voldoende juist gebruiken.
  • Examendoel: een „voor alle”-bewering weerleggen met één tegenvoorbeeld, en beargumenteren waarom één kloppend voorbeeld een universele bewering niet bewijst.

Veelgemaakte fouten

  • De implicatie P ⇒ Q verwarren met haar omkering Q ⇒ P; die twee zijn niet gelijkwaardig (wél gelijkwaardig is de contrapositie ¬Q ⇒ ¬P).
  • „Nodig” en „voldoende” omdraaien: bij P ⇒ Q is P voldoende voor Q en Q nodig voor P, niet andersom.
  • Denken dat een handjevol kloppende voorbeelden een „voor alle”-bewering bewijst; controleren is geen bewijzen.

Actieve herhaling

Beschouw de bewering: „voor elk geheel getal n is n² + n + 41 een priemgetal”. (a) Controleer de bewering voor n = 0, 1 en 2. (b) Toon met een tegenvoorbeeld aan dat de bewering onwaar is (tip: probeer n = 41). (c) Formuleer de ontkenning van de bewering met een kwantor.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Directe bewijzen en bewijs uit het ongerijmde#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-A

Kernpunten

Bij een direct bewijs redeneer je in één rechte lijn van het gegeven naar de conclusie. Je vertrekt bij wat gegeven is, past definities, aannames en al bewezen regels toe, en komt stap voor stap bij de te bewijzen uitspraak uit. Onmisbaar zijn scherpe definities. Zo betekent „nnn is even” precies dat n=2kn = 2kn=2k voor een geheel getal kkk, en „nnn is oneven” dat n=2k+1n = 2k + 1n=2k+1. Met zulke definities wordt een woordelijke bewering (zoals „het product is even”) een algebraïsche uitspraak die je kunt narekenen.
Neem als voorbeeld: „de som van twee even getallen is even”. Gegeven zijn twee even getallen a=2ka = 2ka=2k en b=2mb = 2mb=2m. Dan is a+b=2k+2m=2(k+m)a + b = 2k + 2m = 2(k + m)a+b=2k+2m=2(k+m), en omdat k+mk + mk+m geheel is, heeft a+ba + ba+b de vorm 2⋅(geheel)2 \cdot (\text{geheel})2⋅(geheel), dus a+ba + ba+b is even. Merk op dat we niet één concreet paar getallen invulden, maar met de algemene vorm 2k2k2k werkten; juist daardoor geldt het bewijs voor álle even getallen tegelijk. Dat is het verschil tussen controleren (een paar gevallen) en bewijzen (alle gevallen).
Soms is de directe weg lastig en kies je voor een bewijs uit het ongerijmde (reductio ad absurdum). Je neemt aan dat de bewering ónwaar is — je neemt dus de ontkenning aan — en leidt daaruit met geldige stappen een tegenspraak af: iets wat onmogelijk waar kan zijn. Omdat een juiste redenering nooit van iets waars naar iets onwaars leidt, moet de aanname fout zijn geweest, en dus is de oorspronkelijke bewering waar. Afb. 2 toont dit als een keten: van de aanname, via een reeks gedwongen gevolgen, naar een tegenspraak.

De logische keten van het ongerijmde-bewijs van √2

Reductio ad absurdum: √2 is irrationaalBoomdiagram, 1 paden, Gegevens: kwadrateer → dus → a = 2c → dusdusa = 2cduskwadrateerb² = 2c²a is evena² = 2b²√2 = a/b (ggd…b even ⇒ tege…
Afb. 2Afb. 2 — Bewijs uit het ongerijmde als keten: de aanname „√2 = a/b (vereenvoudigd)” dwingt achtereenvolgens a² = 2b², a even, b² = 2c², b even af — en „a en b beide even” is in tegenspraak met ggd = 1. Dus is de aanname onhoudbaar.
Het beroemdste voorbeeld is de irrationaliteit van 2\sqrt{2}2​: er bestaat geen breuk ab\tfrac{a}{b}ba​ die gelijk is aan 2\sqrt{2}2​. Stel het tegendeel: 2=ab\sqrt{2} = \tfrac{a}{b}2​=ba​ met aaa en bbb geheel en de breuk volledig vereenvoudigd, zodat aaa en bbb geen gemeenschappelijke factor hebben (gcd⁡(a,b)=1\gcd(a,b) = 1gcd(a,b)=1). Kwadrateren geeft a2=2b2a^2 = 2b^2a2=2b2, dus a2a^2a2 is even, en dan is aaa even (de contrapositie uit de vorige paragraaf!). Schrijf a=2ca = 2ca=2c; invullen geeft 4c2=2b24c^2 = 2b^24c2=2b2, oftewel b2=2c2b^2 = 2c^2b2=2c2, dus ook bbb is even. Maar dan hebben aaa en bbb tóch de gemeenschappelijke factor 2 — in tegenspraak met de aanname dat de breuk vereenvoudigd was. De aanname is onhoudbaar, dus 2\sqrt{2}2​ is irrationaal.
Directe bewijzen en bewijzen uit het ongerijmde vullen elkaar aan. Kies een direct bewijs als de redenering natuurlijk vooruit loopt van gegeven naar conclusie. Kies het ongerijmde als de ontkenning je juist een concreet aanknopingspunt geeft — vaak bij beweringen van de vorm „er bestaat geen …” of „iets is irrationaal / oneindig”. Let er in beide gevallen op dat je elke stap kunt verantwoorden; bij het ongerijmde hoort er bovendien altijd expliciet bij: de aanname (de ontkenning) én de plek waar de tegenspraak optreedt.
n even  ⟺  n=2k, k∈Zn \text{ even} \iff n = 2k,\ k \in \mathbb{Z}n even⟺n=2k, k∈Z

Definitie even (en oneven: n = 2k + 1)

Met deze definities wordt een bewering over pariteit algebraïsch narekenbaar.

2=ab ⇒ a2=2b2\sqrt{2} = \frac{a}{b} \ \Rightarrow\ a^2 = 2b^22​=ba​ ⇒ a2=2b2

Kernstap in het ongerijmde-bewijs

Kwadrateren van de aanname; hieruit volgt dat a even is.

a=2c ⇒ 4c2=2b2 ⇒ b2=2c2a = 2c \ \Rightarrow\ 4c^2 = 2b^2 \ \Rightarrow\ b^2 = 2c^2a=2c ⇒ 4c2=2b2 ⇒ b2=2c2

Naar de tegenspraak

Ook b blijkt even, in tegenspraak met ggd(a, b) = 1.

Uitgewerkt voorbeeld

Direct bewijs: product van twee opeenvolgende getallen

Toon met een direct bewijs aan dat het product van twee opeenvolgende gehele getallen even is.

  1. 01Noteer de twee getallen

    Twee opeenvolgende gehele getallen zijn n en n + 1, met n geheel.

  2. 02Onderscheid de pariteit

    Van twee opeenvolgende getallen is er precies één even. Is n even, dan n = 2k; is n oneven, dan is n + 1 even, dus n + 1 = 2k.

  3. 03Reken het product uit (geval n even)

    Met n = 2k is het product 2k(2k + 1) = 2 · (k(2k + 1)), een veelvoud van 2.

    n(n+1)=2k(2k+1)=2(k(2k+1))n(n+1) = 2k(2k+1) = 2\bigl(k(2k+1)\bigr)n(n+1)=2k(2k+1)=2(k(2k+1))
  4. 04Conclusie

    In beide gevallen is het product een veelvoud van 2, dus even. (Is n oneven, dan haal je de factor 2 uit n + 1 = 2k.)

Resultaat: Het product van twee opeenvolgende gehele getallen is altijd even.

Uitgewerkt voorbeeld

Bewijs uit het ongerijmde: √2 is irrationaal

Bewijs dat 2\sqrt{2}2​ niet als breuk van gehele getallen te schrijven is.

  1. 01Neem de ontkenning aan

    Stel dat √2 wél een breuk is: √2 = a/b met a, b geheel en de breuk vereenvoudigd, dus ggd(a, b) = 1.

    2=ab,gcd⁡(a,b)=1\sqrt{2} = \frac{a}{b},\quad \gcd(a,b)=12​=ba​,gcd(a,b)=1
  2. 02Kwadrateer

    Kwadrateren en kruislings vermenigvuldigen geeft een verband tussen a² en b².

    2=a2b2 ⇒ a2=2b22 = \frac{a^2}{b^2} \ \Rightarrow\ a^2 = 2b^22=b2a2​ ⇒ a2=2b2
  3. 03a is even

    a² is even (het is 2b²), dus a is even. Schrijf a = 2c en vul in.

    a=2c ⇒ 4c2=2b2 ⇒ b2=2c2a = 2c \ \Rightarrow\ 4c^2 = 2b^2 \ \Rightarrow\ b^2 = 2c^2a=2c ⇒ 4c2=2b2 ⇒ b2=2c2
  4. 04b is even — tegenspraak

    Ook b² is even, dus b is even. Nu zijn a en b beide even, dus allebei deelbaar door 2 — in tegenspraak met ggd(a, b) = 1.

  5. 05Conclusie

    De aanname leidt tot een tegenspraak en is dus onhoudbaar. Er bestaat geen zulke breuk: √2 is irrationaal.

Resultaat: √2 is irrationaal: de aanname √2 = a/b (vereenvoudigd) leidt tot „a en b beide even”, een tegenspraak.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een direct bewijs opzetten door vanuit het gegeven met definities en rekenregels naar de conclusie te werken (bijvoorbeeld met de definitie n = 2k voor „even”).
  • Examendoel: een bewijs uit het ongerijmde voeren: de ontkenning aannemen, een tegenspraak afleiden en daaruit de oorspronkelijke bewering concluderen (zoals de irrationaliteit van √2).

Veelgemaakte fouten

  • Bij een bewijs uit het ongerijmde vergeten expliciet de ontkenning aan te nemen, of de afgeleide tegenspraak niet benoemen — dan is het bewijs niet sluitend.
  • In een „bewijs” concrete getallen invullen in plaats van algemeen te redeneren; een paar voorbeelden vormen geen bewijs.
  • De aanname „a/b is vereenvoudigd (ggd = 1)” weglaten, waardoor „a en b beide even” geen tegenspraak meer oplevert.

Actieve herhaling

(a) Toon met een direct bewijs aan dat de som van twee oneven getallen even is. (b) Bewijs uit het ongerijmde dat er geen grootste geheel getal bestaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Volledige inductie#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-A

Kernpunten

Volledige inductie is een bewijsmethode voor beweringen die voor alle gehele getallen vanaf een startwaarde gelden, bijvoorbeeld „voor alle n≥1n \ge 1n≥1 geldt A(n)A(n)A(n)”. De intuïtie is die van een oneindige rij dominostenen: als (1) de eerste steen valt, en (2) elke gevallen steen de volgende omgooit, dan vallen ze uiteindelijk állemaal. Zo bewijs je in twee stappen een uitspraak over oneindig veel gevallen zonder ze één voor één te controleren.
De twee stappen zijn de basisstap en de inductiestap. In de basisstap controleer je dat de bewering klopt voor de startwaarde, meestal A(1)A(1)A(1). In de inductiestap neem je aan dat de bewering waar is voor een willekeurige kkk — dit heet de inductiehypothese — en je bewijst dáármee dat ze dan ook waar is voor k+1k + 1k+1, oftewel A(k)⇒A(k+1)A(k) \Rightarrow A(k+1)A(k)⇒A(k+1). Slagen beide stappen, dan geldt A(n)A(n)A(n) voor alle n≥1n \ge 1n≥1. De inductiehypothese echt gebruiken is de kern: zonder haar bewijs je niets.
Neem als voorbeeld dat de som van de eerste nnn oneven getallen gelijk is aan n2n^2n2: 1+3+5+⋯+(2n−1)=n21 + 3 + 5 + \cdots + (2n - 1) = n^21+3+5+⋯+(2n−1)=n2. Afb. 3 maakt dit zichtbaar: de deelsommen S1,S2,S3,…S_1, S_2, S_3, \ldotsS1​,S2​,S3​,… zijn 1,4,9,16,25,361, 4, 9, 16, 25, 361,4,9,16,25,36 — precies de kwadraten 12,22,…,621^2, 2^2, \ldots, 6^212,22,…,62. Elke volgende staaf is de vorige plus het volgende oneven getal, en dat oneven getal is juist het verschil tussen twee opeenvolgende kwadraten. Dat patroon is het hart van de inductiestap.

Deelsommen van de oneven getallen zijn kwadraten

Som van de eerste n oneven getallen = n²Kolomdiagram: som S_n naar n, Gegevens: S_n = 1 + 3 + … + (2n−1) · 1: 1; S_n = 1 + 3 + … + (2n−1) · 2: 4; S_n = 1 + 3 + … + (2n−1) · 3: 9; S_n = 1 + 3 + … + (2n−1) · 4: 16; S_n = 1 + 3 + … + (2n−1) · 5: 25; S_n = 1 + 3 + … + (2n−1) · 6: 3605101520253035123456149162536som Snn
Afb. 3Afb. 3 — De deelsommen Sₙ = 1 + 3 + … + (2n − 1) voor n = 1 t/m 6: 1, 4, 9, 16, 25, 36. Dat zijn precies 1², 2², …, 6². Elke staaf is de vorige plus het volgende oneven getal.
De inductiestap voor dit voorbeeld gaat zo. Neem aan dat Sk=1+3+⋯+(2k−1)=k2S_k = 1 + 3 + \cdots + (2k - 1) = k^2Sk​=1+3+⋯+(2k−1)=k2 (de inductiehypothese). Voor Sk+1S_{k+1}Sk+1​ tel je het volgende oneven getal 2(k+1)−1=2k+12(k+1) - 1 = 2k + 12(k+1)−1=2k+1 erbij op: Sk+1=Sk+(2k+1)=k2+2k+1=(k+1)2S_{k+1} = S_k + (2k + 1) = k^2 + 2k + 1 = (k + 1)^2Sk+1​=Sk​+(2k+1)=k2+2k+1=(k+1)2. Precies de gewenste vorm voor k+1k + 1k+1. Samen met de basisstap S1=1=12S_1 = 1 = 1^2S1​=1=12 is de identiteit daarmee voor alle n≥1n \ge 1n≥1 bewezen. Merk op hoe de inductiehypothese Sk=k2S_k = k^2Sk​=k2 letterlijk werd ingevuld — daar draait alles om.
Volledige inductie werkt niet alleen voor sommen maar ook voor ongelijkheden en deelbaarheidsuitspraken (bijvoorbeeld „voor alle nnn is n3−nn^3 - nn3−n deelbaar door 6”). Ook een tweede klassieker, 1+2+⋯+n=n(n+1)21 + 2 + \cdots + n = \tfrac{n(n+1)}{2}1+2+⋯+n=2n(n+1)​, bewijs je op dezelfde manier. Inductie is bovendien de natuurlijke partner van recursief gedefinieerde rijen uit domein C: wat recursief is opgebouwd, bewijs je vaak inductief. Verzorg je notatie: benoem de basisstap, schrijf „neem aan (inductiehypothese)” en „te bewijzen”, en maak de stap van kkk naar k+1k + 1k+1 expliciet.
1+3+5+⋯+(2n−1)=n21 + 3 + 5 + \cdots + (2n-1) = n^21+3+5+⋯+(2n−1)=n2

Som van de eerste n oneven getallen

De deelsommen zijn precies de kwadraten (zie Afb. 3).

1+2+3+⋯+n=n(n+1)21 + 2 + 3 + \cdots + n = \frac{n(n+1)}{2}1+2+3+⋯+n=2n(n+1)​

Som van de eerste n natuurlijke getallen

Een tweede standaardidentiteit die je met inductie bewijst.

Sk+1=Sk+(2k+1)=k2+2k+1=(k+1)2S_{k+1} = S_k + (2k+1) = k^2 + 2k + 1 = (k+1)^2Sk+1​=Sk​+(2k+1)=k2+2k+1=(k+1)2

De inductiestap

De inductiehypothese S_k = k² wordt ingevuld; het resultaat heeft precies de vorm voor k + 1.

Uitgewerkt voorbeeld

Volledige inductie: som van de eerste n oneven getallen

Bewijs met volledige inductie dat voor alle gehele n≥1n \ge 1n≥1 geldt: 1+3+5+⋯+(2n−1)=n21 + 3 + 5 + \cdots + (2n-1) = n^21+3+5+⋯+(2n−1)=n2.

  1. 01Basisstap (n = 1)

    Voor n = 1 is de linkerkant het eerste oneven getal, 1, en de rechterkant 1² = 1. Beide zijn gelijk, dus A(1) klopt.

    1=121 = 1^21=12
  2. 02Inductiehypothese

    Neem aan dat de bewering waar is voor een zekere k ≥ 1.

    1+3+⋯+(2k−1)=k21 + 3 + \cdots + (2k-1) = k^21+3+⋯+(2k−1)=k2
  3. 03Inductiestap: naar k + 1

    Tel bij beide kanten het volgende oneven getal 2(k + 1) − 1 = 2k + 1 op en gebruik de hypothese.

    1+3+⋯+(2k−1)+(2k+1)=k2+(2k+1)1 + 3 + \cdots + (2k-1) + (2k+1) = k^2 + (2k+1)1+3+⋯+(2k−1)+(2k+1)=k2+(2k+1)
  4. 04Herken het kwadraat

    De rechterkant is een merkwaardig product.

    k2+2k+1=(k+1)2k^2 + 2k + 1 = (k+1)^2k2+2k+1=(k+1)2
  5. 05Conclusie

    A(k) ⇒ A(k + 1), en A(1) klopt, dus de identiteit geldt voor alle n ≥ 1.

Resultaat: Voor alle n ≥ 1 geldt 1 + 3 + ⋯ + (2n − 1) = n².

Uitgewerkt voorbeeld

Volledige inductie: de som 1 + 2 + ⋯ + n

Bewijs met volledige inductie dat voor alle gehele n≥1n \ge 1n≥1 geldt: 1+2+3+⋯+n=n(n+1)21 + 2 + 3 + \cdots + n = \tfrac{n(n+1)}{2}1+2+3+⋯+n=2n(n+1)​.

  1. 01Basisstap (n = 1)

    Links 1, rechts 1 · 2 / 2 = 1. Gelijk, dus A(1) klopt.

    1⋅22=1\frac{1 \cdot 2}{2} = 121⋅2​=1
  2. 02Inductiehypothese

    Neem aan dat de formule geldt voor k.

    1+2+⋯+k=k(k+1)21 + 2 + \cdots + k = \frac{k(k+1)}{2}1+2+⋯+k=2k(k+1)​
  3. 03Inductiestap

    Tel k + 1 op bij beide kanten en breng op één noemer.

    k(k+1)2+(k+1)=k(k+1)+2(k+1)2=(k+1)(k+2)2\frac{k(k+1)}{2} + (k+1) = \frac{k(k+1) + 2(k+1)}{2} = \frac{(k+1)(k+2)}{2}2k(k+1)​+(k+1)=2k(k+1)+2(k+1)​=2(k+1)(k+2)​
  4. 04Conclusie

    De rechterkant is de formule met n = k + 1, dus A(k) ⇒ A(k + 1). Met de basisstap volgt dat de formule voor alle n ≥ 1 geldt.

Resultaat: Voor alle n ≥ 1 geldt 1 + 2 + ⋯ + n = n(n + 1)/2.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een bewering voor alle n met volledige inductie bewijzen: de basisstap uitvoeren én de inductiestap met expliciete inductiehypothese.
  • Examendoel: in de inductiestap de inductiehypothese A(k) daadwerkelijk gebruiken om A(k + 1) af te leiden, en het bewijs verzorgd noteren.

Veelgemaakte fouten

  • De basisstap overslaan; zonder een kloppende startwaarde bewijst de inductiestap niets (de dominostenen staan er wel, maar de eerste valt niet).
  • In de inductiestap de te bewijzen uitspraak A(k + 1) al als waar gebruiken (cirkelredenering) in plaats van A(k) als hypothese.
  • Vergeten de inductiehypothese te benoemen of te gebruiken, waardoor de stap geen geldige afleiding is.

Actieve herhaling

Bewijs met volledige inductie dat voor elk geheel getal n ≥ 1 geldt: 1² + 2² + 3² + ⋯ + n² = n(n + 1)(2n + 1)/6. Voer zowel de basisstap als de inductiestap volledig uit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Algemene en vakspecifieke vaardigheden: modelleren en ICT#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-A

Kernpunten

Domein A omvat naast redeneren en bewijzen ook de vaardigheden die je bij élk ander domein nodig hebt. Algemene vaardigheden zijn: informatie verwerven en verwerken, en resultaten controleren en presenteren. Wiskundige vaardigheden zijn: exact en algebraïsch bewerken, vlot rekenen met machten, wortels en breuken, en ICT doelgericht inzetten. Vakspecifieke vaardigheden zijn: wiskundig redeneren, generaliseren, abstraheren en modelleren. Deze vaardigheden zijn geen los hoofdstuk maar lopen door kansrekening, dynamische systemen, meetkunde en complexe getallen heen.
Modelleren is het vertalen van een situatie uit de werkelijkheid naar wiskunde, en weer terug. Afb. 4 toont de modelleercyclus als een keten van stappen: vanuit een praktijkprobleem kom je via aannames en variabelen tot een wiskundig model, dat je oplost, waarna je de wiskundige uitkomst terugvertaalt naar de context (interpreteren) en toetst aan de werkelijkheid (valideren). Klopt het niet, dan stel je de aannames bij en doorloop je de cyclus opnieuw. Een model is altijd een vereenvoudiging: het laat weg wat er niet toe doet, en dat maakt het zowel bruikbaar als beperkt.

De modelleercyclus

Van praktijkprobleem naar gevalideerd modelBoomdiagram, 1 paden, Gegevens: aannames + variabelen → reken / plot → in de context → meet & toetsmeet & toetsin de contextreken / plotaannames + vari…interpretatieoplossingwiskundig mod…praktijkprobl…validatie / b…
Afb. 4Afb. 4 — De modelleercyclus als keten: praktijkprobleem → (aannames en variabelen) wiskundig model → (rekenen of plotten) oplossing → (in de context) interpretatie → (meten en toetsen) validatie. Klopt het niet, dan stel je de aannames bij en begin je opnieuw.
ICT is bij wiskunde D een gereedschap, geen doel. De grafische rekenmachine, een computeralgebrasysteem (CAS), een spreadsheet of plotsoftware helpen je om te rekenen, functies te tekenen, gegevens te fitten en toevalsprocessen te simuleren — en vooral om handmatig werk te controleren. Een verstandige werkwijze is: schat eerst de uitkomst of leid haar met de hand af, en gebruik ICT om te bevestigen of om het rekenwerk te versnellen. Zonder wiskundig inzicht is een schermuitkomst niet te beoordelen; ICT vervangt het denken niet.
Exact werken betekent zolang mogelijk met breuken, wortels en symbolen rekenen in plaats van met afgeronde decimalen. Rond je te vroeg af, dan stapelen fouten zich op; rond daarom pas op het eind af, op een passend aantal significante cijfers, en gebruik in Nederland de decimale komma (bijvoorbeeld 3,53{,}53,5 in plaats van 3.53.53.5). Controleer je antwoord bovendien op redelijkheid: klopt de orde van grootte, kloppen de eenheden, en is het teken (positief of negatief) logisch? Zulke controles vangen de meeste rekenfouten af.
Generaliseren en abstraheren maken van een concreet resultaat een algemene regel: je herkent een patroon in enkele gevallen en vat het samen in een formule of structuur — precies wat je bij volledige inductie vervolgens bewíjst. Ten slotte hoort bij domein A het helder presenteren van een redenering: een goed opgeschreven bewijs of modelverslag is navolgbaar voor een ander. Deze vaardigheden binden de hele wiskunde D samen: ze maken van losse technieken een manier van werken.
N(t)=N0⋅g tN(t) = N_0 \cdot g^{\,t}N(t)=N0​⋅gt

Exponentieel model

Een veelgebruikt groeimodel: beginwaarde N₀ en groeifactor g per tijdstap t. Bij verdubbeling is g = 2.

y=a x+by = a\,x + by=ax+b

Lineair model

Het eenvoudigste model voor een lineair verband; a is de richtingscoëfficiënt, b de startwaarde (het snijpunt met de y-as).

Uitgewerkt voorbeeld

Modelleren: een verdubbelende bacteriecultuur

Een bacteriecultuur begint met 500 bacteriën en verdubbelt elk uur. (a) Stel een model op voor het aantal bacteriën NNN na ttt uur. (b) Bereken NNN na 6 uur. (c) Hoe zou je met ICT het model controleren?

  1. 01(a) Aannames en model

    Aanname: de cultuur verdubbelt elk uur precies (constante groeifactor 2, met genoeg ruimte en voeding). Dan is het model exponentieel met beginwaarde 500 en groeifactor 2.

    N(t)=500⋅2 tN(t) = 500 \cdot 2^{\,t}N(t)=500⋅2t
  2. 02(b) Reken N(6) uit

    Vul t = 6 in; 2⁶ = 64.

    N(6)=500⋅26=500⋅64=32 000N(6) = 500 \cdot 2^{6} = 500 \cdot 64 = 32\,000N(6)=500⋅26=500⋅64=32000
  3. 03(c) Controle met ICT

    Zet t = 0, 1, 2, … in een spreadsheet met telkens ×2, of plot N(t) = 500 · 2^t op de grafische rekenmachine, en vergelijk de modelwaarden met gemeten aantallen.

  4. 04Validatie en beperking

    In het echt stopt de groei door ruimte- en voedselgebrek; het exponentiële model geldt alleen voor de beginfase. Dat is de validatiestap uit de modelleercyclus (Afb. 4).

Resultaat: (a) N(t) = 500 · 2^t; (b) N(6) = 32 000 bacteriën; (c) natekenen in een spreadsheet of op de GR en met metingen vergelijken.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een situatie vertalen in een wiskundig model (aannames en variabelen benoemen), het model oplossen en de uitkomst in de context interpreteren en valideren.
  • Examendoel: ICT (grafische rekenmachine, CAS, spreadsheet) doelgericht inzetten om te rekenen, te plotten of te controleren, en exact algebraïsch werken waar dat kan.

Veelgemaakte fouten

  • Een modeluitkomst klakkeloos overnemen zonder te valideren of te interpreteren; een model is een vereenvoudiging met aannames die kunnen falen.
  • Te vroeg afronden in tussenstappen, waardoor de einduitkomst onnauwkeurig wordt; rond pas op het eind af en gebruik de decimale komma (bijv. 3{,}5).
  • ICT gebruiken als vervanging van inzicht in plaats van als controle; zonder begrip van de wiskunde is een rekenmachine-uitkomst niet te beoordelen.

Actieve herhaling

Een kop thee van 90 °C koelt af in een kamer van 20 °C. Na 10 minuten is de thee 60 °C. (a) Leg uit welke aannames je maakt om dit met een model te beschrijven. (b) Beschrijf hoe je met ICT (bijvoorbeeld een spreadsheet of grafische rekenmachine) het afkoelmodel kunt natekenen en aan de meting kunt toetsen. (c) Noem één beperking van je model.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wiskundig redeneren: beweringen, kwantoren en logica○
    • 02Directe bewijzen en bewijs uit het ongerijmde◐
    • 03Volledige inductie●
    • 04Algemene en vakspecifieke vaardigheden: modelleren en ICT◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vaardigheden (algemene, wiskundige en vakspecifieke vaardigheden, redeneren en bewijzen)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO)

Volgend onderwerp

Combinatoriek

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.