EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Analytische en synthetische methoden
Samenvattingen · Wiskunde DNL · VWO

Analytische en synthetische methoden

De vlakke meetkunde kent twee talen. In de synthetische (klassieke) meetkunde bewijs je eigenschappen rechtstreeks met stellingen over hoeken, lijnen en cirkels — de stelling van Thales, de omtrekshoekstelling, de middelloodlijn en de bissectrice. In de analytische meetkunde leg je een assenstelsel over de figuur en reken je met coördinaten en vectoren: een cirkel wordt (x−a)2+(y−b)2=r2(x-a)^2+(y-b)^2=r^2(x−a)2+(y−b)2=r2, een raaklijn staat loodrecht op de straal, en een meetkundige plaats wordt een vergelijking in xxx en yyy. Veel eigenschappen bewijs je langs beide wegen. Wiskunde D heeft geen centraal examen; deze stof (domein D) wordt in het schoolexamen (SE) getoetst.

4 Onderdelen·~19 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·121212 / 19
Examenprofiel
Domein D — synthetische meetkunde: stellingen en bewijzen (Thales, omtrekshoek, middelloodlijn, bissectrice)Analytische meetkunde: de cirkel (x-a)²+(y-b)²=r² en de vergelijking van een lijn opstellenRaaklijnen aan een cirkel (loodrecht op de straal) en snijpunten van lijn en cirkel berekenenMeetkundige plaatsen (middelloodlijn, cirkel van Apollonius) langs de synthetische én de analytische weg bewijzen
Operatoren:bewijstoon aanberekenbepaalstel opleid af

basisniveau

Wiskunde D heeft geen centraal examen: de meetkunde van domein D wordt alleen in het schoolexamen (SE) getoetst. Beheers minimaal de cirkelvergelijking (x−a)2+(y−b)2=r2(x-a)^2+(y-b)^2=r^2(x−a)2+(y−b)2=r2, de raaklijn loodrecht op de straal, de stelling van Thales, en de middelloodlijn als meetkundige plaats.

verhoogd niveau

Verdieping zit in het langs twee wegen bewijzen — synthetisch met stellingen én analytisch met coördinaten — en in rijkere meetkundige plaatsen zoals de cirkel van Apollonius bij een constante afstandsverhouding.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Analytische en synthetische methoden
    • 01Synthetische meetkunde: stellingen en bewijzen◐
    • 02Analytische meetkunde: lijnen en de cirkel◐
    • 03Raaklijnen en snijpunten●
    • 04Meetkundige plaatsen en de twee bewijswegen●
§ 01

Synthetische meetkunde: stellingen en bewijzen#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-D

Kernpunten

De synthetische of klassieke meetkunde redeneert rechtstreeks met meetkundige objecten — punten, lijnen, hoeken, driehoeken en cirkels — zonder een assenstelsel of coördinaten. Je bewijst een eigenschap door bekende stellingen aaneen te schakelen: de hoekensom van een driehoek is 180∘180^{\circ}180∘, gelijkbenige driehoeken hebben gelijke basishoeken, en congruente of gelijkvormige driehoeken leveren gelijke zijden en hoeken. Een synthetisch bewijs is zo'n keten van stappen, van het gegeven naar de conclusie. Deze manier van werken traint het meetkundig redeneren: je ziet wáárom een eigenschap geldt, niet alleen dát een berekening klopt.
Twee klassieke meetkundige plaatsen keren telkens terug. De middelloodlijn van een lijnstuk ABABAB is de lijn die loodrecht op ABABAB staat door het midden ervan; haar kenmerkende eigenschap is dat elk punt PPP erop even ver van AAA als van BBB ligt, dus ∣PA∣=∣PB∣|PA|=|PB|∣PA∣=∣PB∣. De bissectrice (deellijn) van een hoek is de halflijn die de hoek middendoor deelt; elk punt op de bissectrice ligt op gelijke afstand van de twee benen van de hoek. Beide zijn dus verzamelingen punten met een gelijke-afstand-eigenschap — een idee dat in de analytische meetkunde terugkomt als een vergelijking.
De omtrekshoekstelling verbindt hoeken met bogen van een cirkel. Een omtrekshoek heeft zijn top op de cirkel en zijn benen langs twee koorden; een middelpuntshoek heeft zijn top in het middelpunt. De stelling zegt: een omtrekshoek is half zo groot als de middelpuntshoek op dezelfde boog, ∠omtrek=12 ∠middelpunt\angle_{\text{omtrek}}=\tfrac{1}{2}\,\angle_{\text{middelpunt}}∠omtrek​=21​∠middelpunt​. Een direct gevolg is dat álle omtrekshoeken op dezelfde boog even groot zijn, hoe je de top ook over de cirkel verschuift. Deze stelling is het gereedschap waarmee je in cirkelfiguren hoeken aan elkaar knoopt.
De stelling van Thales is het beroemdste bijzondere geval van de omtrekshoekstelling. Is ABABAB een middellijn (diameter) van de cirkel en ligt CCC op de cirkel, dan is ∠ACB=90∘\angle ACB=90^{\circ}∠ACB=90∘: het punt CCC ziet de middellijn onder een rechte hoek. In Afb. 1 staat de Thalescirkel met middellijn ABABAB en een punt CCC op de omtrek; de straal MCMCMC verdeelt driehoek ABCABCABC in twee gelijkbenige driehoeken, want MA=MB=MC=rMA=MB=MC=rMA=MB=MC=r. Dat is precies de kern van het bewijs: uit de gelijke stralen volgen gelijke basishoeken, en de hoekensom dwingt de rechte hoek af. Ook de omkering geldt: ligt CCC zó dat ∠ACB=90∘\angle ACB=90^{\circ}∠ACB=90∘, dan ligt CCC op de cirkel met middellijn ABABAB.

Thalescirkel: de rechte hoek op de omtrek

Stelling van ThalesGeometrische Zeichnung, M, A, B, C, middellijn, rMABCx1x2middellijnr
Afb. 1Afb. 1 — Thalescirkel met middellijn AB. Omdat MA = MB = MC = r, bestaat driehoek ABC uit twee gelijkbenige driehoeken en is de hoek bij C recht (90°).
Een net synthetisch bewijs heeft een vaste vorm: noteer wat gegeven is, wat je te bewijzen hebt, en dan de bewijsstappen met bij elke stap de stelling die je gebruikt. Sla geen stappen over — benoem de gelijkbenigheid, de congruentie of de hoekensom expliciet. De synthetische meetkunde levert vaak korte, inzichtelijke bewijzen, maar niet elke eigenschap is er even makkelijk mee te bewijzen. Daarom leer je in de volgende paragrafen dezelfde figuren óók analytisch te behandelen: met coördinaten reken je een eigenschap uit in plaats van haar te construeren, en soms is dat de kortere weg.
∠omtrek=12 ∠middelpunt\angle_{\text{omtrek}}=\tfrac{1}{2}\,\angle_{\text{middelpunt}}∠omtrek​=21​∠middelpunt​

Omtrekshoekstelling

Een omtrekshoek is half zo groot als de middelpuntshoek op dezelfde boog; omtrekshoeken op dezelfde boog zijn daardoor gelijk.

AB middellijn  ⇒  ∠ACB=90∘AB\ \text{middellijn} \;\Rightarrow\; \angle ACB=90^{\circ}AB middellijn⇒∠ACB=90∘

Stelling van Thales

Elk punt op de cirkel ziet een middellijn onder een rechte hoek — het bijzondere geval van de omtrekshoekstelling bij een halve cirkel.

P op de middelloodlijn van AB  ⟺  ∣PA∣=∣PB∣P \text{ op de middelloodlijn van } AB \iff |PA|=|PB|P op de middelloodlijn van AB⟺∣PA∣=∣PB∣

Middelloodlijn als meetkundige plaats

De middelloodlijn is de verzameling punten op gelijke afstand van A en B; de bissectrice speelt dezelfde rol voor de afstand tot twee lijnen.

Uitgewerkt voorbeeld

De stelling van Thales synthetisch bewijzen

Bewijs met de eigenschappen van gelijkbenige driehoeken de stelling van Thales: als ABABAB een middellijn is van de cirkel met middelpunt MMM en CCC op de cirkel ligt, dan is ∠ACB=90∘\angle ACB=90^{\circ}∠ACB=90∘.

  1. 01Gelijke stralen

    M is het midden van de middellijn AB, dus MA en MB zijn stralen; ook MC is een straal. Alle drie zijn even lang.

    MA=MB=MC=rMA = MB = MC = rMA=MB=MC=r
  2. 02Twee gelijkbenige driehoeken

    Driehoek MAC is gelijkbenig (MA = MC), dus de basishoeken zijn gelijk: noem ze α. Zo ook driehoek MBC (MB = MC) met gelijke basishoeken β.

    ∠MAC=∠MCA=α,∠MBC=∠MCB=β\angle MAC = \angle MCA = \alpha, \qquad \angle MBC = \angle MCB = \beta∠MAC=∠MCA=α,∠MBC=∠MCB=β
  3. 03Hoekensom in driehoek ABC

    De hoek bij A is α, die bij B is β, en de hoek bij C is ∠ACB = α + β. De drie hoeken samen zijn 180°.

    α+β+(α+β)=180∘  ⇒  2(α+β)=180∘\alpha + \beta + (\alpha + \beta) = 180^{\circ} \;\Rightarrow\; 2(\alpha+\beta)=180^{\circ}α+β+(α+β)=180∘⇒2(α+β)=180∘
  4. 04Conclusie

    Uit 2(α + β) = 180° volgt α + β = 90°, en dat is precies de hoek bij C.

    ∠ACB=α+β=90∘■\angle ACB = \alpha + \beta = 90^{\circ} \qquad \blacksquare∠ACB=α+β=90∘■

Resultaat: ∠ACB = 90°: elk punt C op de cirkel ziet de middellijn AB onder een rechte hoek — de stelling van Thales.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de stelling van Thales en de omtrekshoekstelling herkennen en toepassen om een onbekende hoek in een cirkelfiguur te bepalen.
  • Examendoel: een synthetisch bewijs opzetten met gelijkbenige of congruente driehoeken en de hoekensom, met bij elke stap de gebruikte stelling.
  • Examendoel: de middelloodlijn en de bissectrice beschrijven als de verzameling punten met een gelijke-afstand-eigenschap.

Veelgemaakte fouten

  • De omtrekshoek gelijkstellen aan de middelpuntshoek in plaats van aan de helft ervan.
  • Denken dat elke koorde een rechte hoek geeft; alleen een middellijn (diameter) doet dat volgens Thales.
  • In een synthetisch bewijs stappen overslaan of de gelijkbenigheid (de gelijke stralen) niet expliciet benoemen.

Actieve herhaling

Een punt CCC ligt op een cirkel met middellijn ABABAB. Gegeven is ∠CAB=34∘\angle CAB = 34^{\circ}∠CAB=34∘. Bereken ∠ABC\angle ABC∠ABC met de stelling van Thales. Formuleer daarna in je eigen woorden een bewijs dat elke omtrekshoek op een middellijn recht is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Analytische meetkunde: lijnen en de cirkel#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-D

Cirkel met middelpunt M(3; 2) en straal r = 5

Cirkel met middelpunt en straalGeometrische Zeichnung, M(3; 2), P(6; 6), r = 5M(3; 2)P(6; 6)xyr = 5
Afb. 2Afb. 1 — De cirkel (x − 3)² + (y − 2)² = 25 met middelpunt M(3; 2) en straal r = 5. Het punt P(6; 6) ligt erop, want (6 − 3)² + (6 − 2)² = 9 + 16 = 25.

Kernpunten

In de analytische meetkunde leg je een assenstelsel over de figuur: elk punt krijgt coördinaten (x,y)(x,y)(x,y) en elke meetkundige eigenschap wordt een vergelijking. De afstand tussen twee punten is ∣AB∣=(x2−x1)2+(y2−y1)2|AB|=\sqrt{(x_2-x_1)^2+(y_2-y_1)^2}∣AB∣=(x2​−x1​)2+(y2​−y1​)2​ (Pythagoras, herhaling), en het midden van ABABAB is (x1+x22,y1+y22)\bigl(\tfrac{x_1+x_2}{2},\tfrac{y_1+y_2}{2}\bigr)(2x1​+x2​​,2y1​+y2​​). Met deze twee formules kun je lengtes, middens en straks meetkundige plaatsen uitrekenen in plaats van construeren. Rekenen vervangt hier het tekenen.
Een lijn schrijf je als y=ax+by=ax+by=ax+b (met richtingscoëfficiënt aaa) of, algemener, als px+qy=cpx+qy=cpx+qy=c. In die tweede vorm zit de normaalvector n⃗=(pq)\vec{n}=\binom{p}{q}n=(qp​) verstopt: de coëfficiënten van xxx en yyy vormen samen een vector die loodrecht op de lijn staat (herhaling uit de vectormeetkunde). Twee lijnen zijn evenwijdig bij gelijke richtingscoëfficiënt en staan loodrecht als het product van hun richtingscoëfficiënten −1-1−1 is. Deze lijnbeschrijvingen heb je nodig om raaklijnen en snijpunten op te stellen.
De cirkel is de verzameling punten PPP op vaste afstand rrr (de straal) van een vast punt M(a,b)M(a,b)M(a,b) (het middelpunt). Vertaal je de voorwaarde ∣PM∣=r|PM|=r∣PM∣=r met de afstandsformule en kwadrateer je, dan ontstaat de middelpunt-straalvergelijking (x−a)2+(y−b)2=r2(x-a)^2+(y-b)^2=r^2(x−a)2+(y−b)2=r2. In Afb. 1 zie je de cirkel met middelpunt M(3,2)M(3,2)M(3,2) en straal r=5r=5r=5; het punt P(6,6)P(6,6)P(6,6) ligt erop, want (6−3)2+(6−2)2=9+16=25=r2(6-3)^2+(6-2)^2=9+16=25=r^2(6−3)2+(6−2)2=9+16=25=r2. De cirkel is dus zelf al een meetkundige plaats — de eenvoudigste die er is.
Vaak staat een cirkel niet keurig in de standaardvorm, maar in de algemene vorm x2+y2+Dx+Ey+F=0x^2+y^2+Dx+Ey+F=0x2+y2+Dx+Ey+F=0. Door bij xxx en bij yyy het kwadraat af te splitsen breng je die terug naar (x−a)2+(y−b)2=r2(x-a)^2+(y-b)^2=r^2(x−a)2+(y−b)2=r2 en lees je middelpunt en straal af. Let op: het is pas een echte cirkel als het rechterlid na afsplitsen positief is (r2>0r^2>0r2>0); is het 000 dan is het één punt, en is het negatief dan is er geen enkel punt. Kwadraatafsplitsen is daarmee de standaardtechniek om een cirkelvergelijking te ontcijferen.
De analytische aanpak is krachtig omdat je meetkundige vragen omzet in algebra die je stap voor stap kunt uitrekenen, ook als een zuivere constructie lastig is. Snijpunten worden een stelsel, een raaklijn wordt een lijn met een voorwaarde, en een meetkundige plaats wordt een vergelijking. In de volgende paragrafen gebruik je de cirkelvergelijking en de lijnvergelijking samen om raaklijnen en snijpunten te bepalen, en daarna om eigenschappen langs de analytische weg te bewijzen.
(x−a)2+(y−b)2=r2(x-a)^2+(y-b)^2=r^2(x−a)2+(y−b)2=r2

Middelpunt-straalvergelijking van de cirkel

De verzameling punten P op afstand r van het middelpunt M(a, b); volgt uit |PM| = r na kwadrateren.

∣AB∣=(x2−x1)2+(y2−y1)2|AB|=\sqrt{(x_2-x_1)^2+(y_2-y_1)^2}∣AB∣=(x2​−x1​)2+(y2​−y1​)2​

Afstand tussen twee punten (herhaling)

De stelling van Pythagoras op de coördinaatverschillen; met deze formule vertaal je afstandsvoorwaarden naar vergelijkingen.

x2+y2+Dx+Ey+F=0x^2+y^2+Dx+Ey+F=0x2+y2+Dx+Ey+F=0

Algemene vorm van de cirkel

Door kwadraatafsplitsen bij x en y breng je deze terug naar de standaardvorm en lees je middelpunt en straal af.

Uitgewerkt voorbeeld

Middelpunt en straal met kwadraatafsplitsen

Toon aan dat x2+y2−6x+4y−12=0x^2+y^2-6x+4y-12=0x2+y2−6x+4y−12=0 de vergelijking van een cirkel is, en bepaal het middelpunt en de straal.

  1. 01Groepeer x en y

    Zet de x-termen en de y-termen bij elkaar en breng de constante naar rechts.

    x2−6x+y2+4y=12x^2-6x+y^2+4y=12x2−6x+y2+4y=12
  2. 02Splits de kwadraten af

    x² − 6x = (x − 3)² − 9 en y² + 4y = (y + 2)² − 4. Neem de afgesplitste constanten mee.

    (x−3)2−9+(y+2)2−4=12(x-3)^2-9+(y+2)^2-4=12(x−3)2−9+(y+2)2−4=12
  3. 03Breng op standaardvorm

    Tel −9 en −4 op bij 12 aan de rechterkant.

    (x−3)2+(y+2)2=25(x-3)^2+(y+2)^2=25(x−3)2+(y+2)2=25
  4. 04Lees middelpunt en straal af

    Uit (x − 3)² volgt a = 3, uit (y + 2)² volgt b = −2, en r² = 25 geeft r = 5. Omdat r² > 0 is het een echte cirkel.

Resultaat: Het is een cirkel met middelpunt M(3; −2) en straal r = 5.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vergelijking van een cirkel met gegeven middelpunt en straal opstellen als (x − a)² + (y − b)² = r².
  • Examendoel: uit de algemene vorm x² + y² + Dx + Ey + F = 0 het middelpunt en de straal halen door kwadraatafsplitsen.
  • Examendoel: de vergelijking van een lijn opstellen en haar normaalvector (p, q) uit px + qy = c aflezen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij kwadraatafsplitsen de afgesplitste constante (bijvoorbeeld −9) vergeten mee te nemen naar het rechterlid.
  • Het middelpunt met het verkeerde teken aflezen: (x − a)² hoort bij a, dus (x − 3)² geeft a = +3 en (y + 2)² geeft b = −2.
  • r² en r verwarren; de straal is de wortel van het rechterlid, niet het rechterlid zelf.

Actieve herhaling

Stel de vergelijking op van de cirkel met middelpunt M(−1,4)M(-1,4)M(−1,4) en straal 333. Bepaal daarna met kwadraatafsplitsen het middelpunt en de straal van x2+y2+8x−2y+8=0x^2+y^2+8x-2y+8=0x2+y2+8x−2y+8=0.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Raaklijnen en snijpunten#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-D

Raaklijn loodrecht op de straal

Raaklijn loodrecht op de straalGeometrische Zeichnung, M, P(3; 4), straalMP(3; 4)xyraaklijnstraal
Afb. 3Afb. 1 — De raaklijn aan x² + y² = 25 in P(3; 4) staat loodrecht op de straal MP (richting (3; 4)); de raaklijn heeft richting (−4; 3) en vergelijking 3x + 4y = 25.

Kernpunten

Een raaklijn aan een cirkel raakt de cirkel in precies één punt, het raakpunt. De meetkundige sleutel komt uit de cirkelstellingen: de raaklijn staat loodrecht op de straal naar het raakpunt. In Afb. 1 raakt de lijn de cirkel x2+y2=25x^2+y^2=25x2+y2=25 in P(3,4)P(3,4)P(3,4); de straal MPMPMP heeft richting (34)\binom{3}{4}(43​) en de raaklijn de loodrechte richting (−43)\binom{-4}{3}(3−4​), gemarkeerd met een rechte hoek bij PPP. Deze eigenschap „raaklijn loodrecht op de straal” is de eerste van twee standaardmethoden.
Is het raakpunt op de cirkel gegeven, gebruik dan de loodrecht-methode. Bereken de richtingscoëfficiënt van de straal MPMPMP en neem als richtingscoëfficiënt van de raaklijn de tegengestelde omgekeerde (araak=−1astraala_{\text{raak}}=-\tfrac{1}{a_{\text{straal}}}araak​=−astraal​1​). Voor een cirkel met middelpunt in de oorsprong bestaat bovendien de snelle formule: de raaklijn in (x0,y0)(x_0,y_0)(x0​,y0​) aan x2+y2=r2x^2+y^2=r^2x2+y2=r2 is x0x+y0y=r2x_0x+y_0y=r^2x0​x+y0​y=r2. Beide leveren dezelfde raaklijn; de formule is handig, de loodrecht-redenering laat zien waaróm.
Is het raakpunt níet gegeven — bijvoorbeeld bij de vraag „voor welke ccc raakt y=x+cy=x+cy=x+c de cirkel?” — gebruik dan de discriminant. Vul de lijn in de cirkelvergelijking in; er ontstaat een kwadratische vergelijking. De discriminant D=b2−4acD=b^2-4acD=b2−4ac vertelt hoeveel snijpunten er zijn: D>0D>0D>0 geeft twee snijpunten (de lijn snijdt), D=0D=0D=0 geeft één (dubbel) snijpunt (de lijn raakt), en D<0D<0D<0 geeft geen snijpunt (de lijn mist de cirkel). Raken is dus algebraïsch precies D=0D=0D=0.
De snijpunten van een lijn en een cirkel bereken je met dezelfde substitutie: los de lijn op naar yyy (of xxx), vul in de cirkelvergelijking in, en los de kwadratische vergelijking op. Elke oplossing voor xxx geeft via de lijn de bijbehorende yyy. Een derde, verwante controle is het afstandscriterium: een lijn raakt de cirkel precies als de afstand van het middelpunt tot de lijn gelijk is aan de straal. Dat is handig om snel te toetsen of een gegeven lijn raakt, zonder de kwadratische vergelijking uit te werken.
Vanuit een punt búiten de cirkel zijn er twee raaklijnen. Je stelt de lijn door dat punt op met een onbekende richtingscoëfficiënt aaa, substitueert in de cirkel, en eist D=0D=0D=0; dat levert meestal twee waarden van aaa en dus twee raaklijnen, symmetrisch ten opzichte van de lijn naar het middelpunt. Raaklijnvraagstukken bundelen zo alle analytische vaardigheden: de cirkel- en lijnvergelijking, de loodrecht-voorwaarde en de discriminant. Benoem in je uitwerking welke methode je kiest en geef de raaklijn(en) als volledige vergelijking.
raaklijn⊥straalaraak=−1astraal\text{raaklijn} \perp \text{straal} \qquad a_{\text{raak}}=-\frac{1}{a_{\text{straal}}}raaklijn⊥straalaraak​=−astraal​1​

Raaklijn in een gegeven raakpunt

De raaklijn staat loodrecht op de straal naar het raakpunt; haar richtingscoëfficiënt is de tegengestelde omgekeerde van die van de straal.

D=b2−4ac:D>0 snijdt,  D=0 raakt,  D<0 mistD=b^2-4ac:\quad D>0\ \text{snijdt},\ \ D=0\ \text{raakt},\ \ D<0\ \text{mist}D=b2−4ac:D>0 snijdt,  D=0 raakt,  D<0 mist

Discriminant van lijn en cirkel

Na substitutie van de lijn in de cirkel ontstaat een kwadratische vergelijking; de discriminant telt de snijpunten.

x0x+y0y=r2x_0x+y_0y=r^2x0​x+y0​y=r2

Raaklijn aan x² + y² = r² in (x₀, y₀)

De snelle formule voor de raaklijn in een punt op een cirkel met middelpunt in de oorsprong.

Uitgewerkt voorbeeld

Raaklijn in een gegeven punt opstellen

Stel de vergelijking op van de raaklijn aan de cirkel x2+y2=25x^2+y^2=25x2+y2=25 in het punt P(3,4)P(3,4)P(3,4), en toon aan dat ze loodrecht op de straal staat.

  1. 01Richtingscoëfficiënt van de straal

    De straal loopt van M(0; 0) naar P(3; 4).

    astraal=4−03−0=43a_{\text{straal}}=\frac{4-0}{3-0}=\frac{4}{3}astraal​=3−04−0​=34​
  2. 02Richtingscoëfficiënt van de raaklijn

    Neem de tegengestelde omgekeerde.

    araak=−14/3=−34a_{\text{raak}}=-\frac{1}{4/3}=-\frac{3}{4}araak​=−4/31​=−43​
  3. 03Vergelijking door P(3; 4)

    Gebruik y − y₀ = a(x − x₀) met P(3; 4).

    y−4=−34(x−3)  ⇒  y=−34x+254  ⇒  3x+4y=25y-4=-\tfrac{3}{4}(x-3)\;\Rightarrow\; y=-\tfrac{3}{4}x+\tfrac{25}{4}\;\Rightarrow\; 3x+4y=25y−4=−43​(x−3)⇒y=−43​x+425​⇒3x+4y=25
  4. 04Controle loodrecht

    Het product van de richtingscoëfficiënten is −1, dus straal en raaklijn staan loodrecht.

    43⋅(−34)=−1\tfrac{4}{3}\cdot\left(-\tfrac{3}{4}\right)=-134​⋅(−43​)=−1

Resultaat: De raaklijn is 3x + 4y = 25 (ofwel y = −¾x + 25/4); wegens ⁴⁄₃ · (−¾) = −1 staat ze loodrecht op de straal.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de raaklijn aan een cirkel in een gegeven punt opstellen met de eigenschap loodrecht op de straal (of met de formule x₀x + y₀y = r²).
  • Examendoel: met de discriminant (D = 0) of het afstandscriterium bepalen of een lijn een cirkel raakt.
  • Examendoel: de snijpunten van een lijn en een cirkel berekenen door substitutie en het oplossen van de kwadratische vergelijking.

Veelgemaakte fouten

  • De richtingscoëfficiënt van de raaklijn gelijkstellen aan die van de straal in plaats van de tegengestelde omgekeerde te nemen.
  • De discriminant fout interpreteren: D = 0 betekent raken, D > 0 snijden in twee punten, D < 0 geen snijpunt.
  • Bij een raaklijn vanuit een extern punt maar één van de twee raaklijnen geven.

Actieve herhaling

Bepaal de raaklijn aan x2+y2=20x^2+y^2=20x2+y2=20 in het punt (2,4)(2,4)(2,4). Onderzoek daarna met de discriminant voor welke waarden van ccc de lijn y=x+cy=x+cy=x+c raakt aan de cirkel x2+y2=8x^2+y^2=8x2+y2=8.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Meetkundige plaatsen en de twee bewijswegen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-D

De middelloodlijn als meetkundige plaats

Middelloodlijn als locusGeometrische Zeichnung, A, B, M, P, PA, PBABMPxymiddelloodlijnPAPB
Afb. 4Afb. 1 — De middelloodlijn van A(−2; 0) en B(2; 0): elk punt P heeft |PA| = |PB|. De plaats is de lijn x = 0, loodrecht op AB door het midden M.

Kernpunten

Een meetkundige plaats (locus) is de verzameling van alle punten die aan een bepaalde voorwaarde voldoen. Het bekendste voorbeeld is de middelloodlijn: de verzameling punten PPP met ∣PA∣=∣PB∣|PA|=|PB|∣PA∣=∣PB∣ voor twee vaste punten AAA en BBB. In Afb. 1 zie je de middelloodlijn van A(−2,0)A(-2,0)A(−2,0) en B(2,0)B(2,0)B(2,0); elk punt PPP erop heeft gelijke afstanden tot AAA en BBB, zichtbaar aan de twee even lange lijnstukken PAPAPA en PBPBPB. De plaats is hier de verticale lijn x=0x=0x=0, die loodrecht op ABABAB door het midden gaat.
Dezelfde eigenschap kun je langs twee wegen bewijzen. Synthetisch: is ∣PA∣=∣PB∣|PA|=|PB|∣PA∣=∣PB∣, dan is driehoek PABPABPAB gelijkbenig, dus ligt PPP op de lijn door het midden MMM van ABABAB loodrecht op ABABAB — de middelloodlijn. Analytisch: neem een algemeen punt P(x,y)P(x,y)P(x,y), schrijf ∣PA∣=∣PB∣|PA|=|PB|∣PA∣=∣PB∣, kwadrateer om de wortels weg te werken, en vereenvoudig tot een vergelijking. Voor A(−2,0)A(-2,0)A(−2,0) en B(2,0)B(2,0)B(2,0) geeft (x+2)2+y2=(x−2)2+y2(x+2)^2+y^2=(x-2)^2+y^2(x+2)2+y2=(x−2)2+y2 na uitwerken 8x=08x=08x=0, dus x=0x=0x=0. De twee wegen leiden tot dezelfde conclusie; de analytische is een berekening, de synthetische een redenering.
Verrassender is de cirkel van Apollonius. Houd je niet de gelijke afstand vast maar een constante verhouding ∣PA∣∣PB∣=k\dfrac{|PA|}{|PB|}=k∣PB∣∣PA∣​=k met k≠1k\neq 1k=1, dan is de meetkundige plaats geen lijn maar een cirkel. Bij k=1k=1k=1 krijg je de middelloodlijn terug; bij elke andere positieve kkk een cirkel waarvan het middelpunt op de lijn ABABAB ligt. Dit resultaat is met een zuivere constructie lastig te zien, maar met coördinaten reken je het rechtstreeks uit — een mooi voorbeeld van de kracht van de analytische methode.
De analytische aanpak van een meetkundige plaats verloopt altijd hetzelfde. Neem een algemeen punt P(x,y)P(x,y)P(x,y); vertaal de voorwaarde met de afstandsformule (of het inproduct) naar een vergelijking in xxx en yyy; kwadrateer waar wortels staan; en vereenvoudig tot een herkenbare vorm. De vorm verraadt de kromme: een lineaire vergelijking ax+by=cax+by=cax+by=c is een lijn, en (x−a)2+(y−b)2=r2(x-a)^2+(y-b)^2=r^2(x−a)2+(y−b)2=r2 is een cirkel. Sluit af met de meetkundige betekenis: „dit is de middelloodlijn van ABABAB” of „dit is een cirkel met middelpunt … en straal …”.
Kunnen wisselen tussen de synthetische en de analytische weg is de kern van dit onderwerp. Soms is een synthetisch argument het kortst en meest inzichtelijk; soms is een berekening met coördinaten zekerder, vooral als de figuur ingewikkeld is of een zuivere constructie niet voor de hand ligt. Een sterke oplossing gebruikt allebei: de synthetische meetkunde om te zien wát er speelt en waarom, en de analytische meetkunde om het waterdicht uit te rekenen. Dat samenspel van redeneren en rekenen is precies wat domein D van je vraagt.
∣PA∣=∣PB∣  ⟺  P op de middelloodlijn van AB|PA|=|PB| \iff P \text{ op de middelloodlijn van } AB∣PA∣=∣PB∣⟺P op de middelloodlijn van AB

Middelloodlijn als meetkundige plaats

Alle punten op gelijke afstand van A en B; kwadrateer |PA| = |PB| en werk uit tot een lineaire vergelijking.

∣PA∣∣PB∣=k (k≠1)  ⇒  cirkel van Apollonius\frac{|PA|}{|PB|}=k \ (k\neq 1) \;\Rightarrow\; \text{cirkel van Apollonius}∣PB∣∣PA∣​=k (k=1)⇒cirkel van Apollonius

Cirkel van Apollonius

Een constante afstandsverhouding ongelijk aan 1 geeft een cirkel; bij k = 1 krijg je de middelloodlijn.

∣PA∣=k ∣PB∣  ⇒  ∣PA∣2=k2 ∣PB∣2|PA|=k\,|PB| \;\Rightarrow\; |PA|^2=k^2\,|PB|^2∣PA∣=k∣PB∣⇒∣PA∣2=k2∣PB∣2

Van verhouding naar vergelijking

Kwadrateer de afstandsvoorwaarde zodat de wortels verdwijnen; werk daarna beide kwadraten uit.

Uitgewerkt voorbeeld

De cirkel van Apollonius bepalen

Bepaal de meetkundige plaats van alle punten P(x,y)P(x,y)P(x,y) met ∣PA∣=2 ∣PB∣|PA|=2\,|PB|∣PA∣=2∣PB∣, waarbij A(0,0)A(0,0)A(0,0) en B(6,0)B(6,0)B(6,0). Toon aan dat het een cirkel is en geef het middelpunt en de straal.

  1. 01Voorwaarde kwadrateren

    Uit |PA| = 2|PB| volgt |PA|² = 4|PB|². Vul de afstanden tot A(0; 0) en B(6; 0) in.

    x2+y2=4[(x−6)2+y2]x^2+y^2=4\bigl[(x-6)^2+y^2\bigr]x2+y2=4[(x−6)2+y2]
  2. 02Haakjes wegwerken

    Werk het rechterlid uit.

    x2+y2=4x2−48x+144+4y2x^2+y^2=4x^2-48x+144+4y^2x2+y2=4x2−48x+144+4y2
  3. 03Vereenvoudigen

    Breng alles naar één kant en deel door 3.

    3x2−48x+144+3y2=0  ⇒  x2−16x+y2+48=03x^2-48x+144+3y^2=0 \;\Rightarrow\; x^2-16x+y^2+48=03x2−48x+144+3y2=0⇒x2−16x+y2+48=0
  4. 04Kwadraatafsplitsen

    Splits x² − 16x af als (x − 8)² − 64.

    (x−8)2−64+y2+48=0  ⇒  (x−8)2+y2=16(x-8)^2-64+y^2+48=0 \;\Rightarrow\; (x-8)^2+y^2=16(x−8)2−64+y2+48=0⇒(x−8)2+y2=16

Resultaat: De meetkundige plaats is de cirkel van Apollonius met middelpunt (8; 0) en straal 4.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vergelijking van een meetkundige plaats bepalen door de voorwaarde met de afstandsformule naar een vergelijking in x en y te vertalen.
  • Examendoel: dezelfde eigenschap zowel synthetisch (met stellingen) als analytisch (met coördinaten) bewijzen.
  • Examendoel: de cirkel van Apollonius herkennen als de meetkundige plaats bij een constante afstandsverhouding k ≠ 1, en de middelloodlijn als het geval k = 1.

Veelgemaakte fouten

  • De afstandsvoorwaarde niet kwadrateren, waardoor de wortels blijven staan en de vergelijking onhanteerbaar wordt.
  • Bij Apollonius denken dat de plaats een lijn is; bij k ≠ 1 is het een cirkel, alleen bij k = 1 de middelloodlijn.
  • Na het rekenen de meetkundige betekenis (middelpunt en straal, of „middelloodlijn”) niet benoemen.

Actieve herhaling

Bepaal de meetkundige plaats van de punten op gelijke afstand van A(1,2)A(1,2)A(1,2) en B(5,−2)B(5,-2)B(5,−2) — zowel met een berekening als met een synthetisch argument. Bepaal daarna de meetkundige plaats van de punten PPP met ∣PA∣=2 ∣PB∣|PA|=2\,|PB|∣PA∣=2∣PB∣ voor A(0,0)A(0,0)A(0,0) en B(3,0)B(3,0)B(3,0).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Synthetische meetkunde: stellingen en bewijzen◐
    • 02Analytische meetkunde: lijnen en de cirkel◐
    • 03Raaklijnen en snijpunten●
    • 04Meetkundige plaatsen en de twee bewijswegen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Analytische en synthetische methoden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~19
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO)

Vorig onderwerp

Toepassingen van discrete en continue dynamische systemen

Volgend onderwerp

Kegelsneden: synthetisch en in coördinaten

EuraStudy·Samenvattingen T·12·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.