EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde B/Standaardfuncties en transformaties
Samenvattingen · Wiskunde BNL · VWO

Standaardfuncties en transformaties

Een handvol standaardfuncties — machtsfuncties, de wortelfunctie, de exponentiële en de logaritmische functie, de gebroken functie 1x\tfrac{1}{x}x1​ en de absolute-waardefunctie — vormt de basisvormen waaruit vrijwel elke functie in wiskunde B is opgebouwd. Door deze grafieken te transformeren (verschuiven, vermenigvuldigen/rekken en spiegelen) krijg je alle verwante functies. Wie de standaardvormen kent en de vier transformatieregels beheerst, kan een grafiek schetsen en een functievoorschrift lezen zonder puntsgewijs te rekenen.

5 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1

T·0333 / 16
Examenprofiel
B1 · De standaardfuncties (macht, wortel, exponentieel, logaritme, gebroken, absolute waarde) en hun grafiekenVerschuiven van grafieken (translaties): f(x-a)+bVermenigvuldigen (rekken/krimpen) en spiegelen van grafiekenSamengestelde transformaties a·f\bigl(b(x-c)\bigr)+d herkennen en toepassen
Operatoren:schetstekengeefbeschrijfbepaalleg uittransformeer

basisniveau

De standaardfuncties en de transformaties verschuiven, vermenigvuldigen en spiegelen horen tot de centraal-examenstof van subdomein B1.

verhoogd niveau

Verdieping zit in het combineren van meerdere transformaties in de juiste volgorde en in het terugvinden van de transformaties uit een gegeven functievoorschrift of grafiek.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Standaardfuncties en transformaties
    • 01De standaardfuncties en hun grafieken○
    • 02Verschuiven van grafieken (translaties)◐
    • 03Vermenigvuldigen: rekken en krimpen◐
    • 04Spiegelen in de assen◐
    • 05Samengestelde transformaties●
§ 01

De standaardfuncties en hun grafieken#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-b-subdomein-B1

Kernpunten

De standaardfuncties zijn de „grondvormen” waarvan je de grafiek uit het hoofd hoort te kennen. De machtsfuncties y=x2y=x^{2}y=x2 (dalparabool) en y=x3y=x^{3}y=x3 (buigende S-vorm door de oorsprong) ken je al; daarnaast zijn er de wortelfunctie y=xy=\sqrt{x}y=x​ (domein x≥0x\ge 0x≥0, stijgt afvlakkend), de exponentiële functie y=gxy=g^{x}y=gx, de logaritmische functie y=log⁡(x)y=\log(x)y=log(x) of y=ln⁡(x)y=\ln(x)y=ln(x), de gebroken functie y=1xy=\dfrac{1}{x}y=x1​ (twee takken, met de assen als asymptoten) en de absolute-waardefunctie y=∣x∣y=|x|y=∣x∣ (een V met de knik in de oorsprong). Elke grondvorm heeft een karakteristiek verloop, karakteristieke snijpunten en soms asymptoten.
De exponentiële functie y=gxy=g^{x}y=gx (met grondtal g>0g>0g>0, g≠1g\neq 1g=1) is bijzonder belangrijk. In Afb. 1 staat y=exy=e^{x}y=ex, met het natuurlijke grondtal e≈2,72e\approx 2{,}72e≈2,72. Kenmerkend: de grafiek gaat door (0,1)(0,1)(0,1) want g0=1g^{0}=1g0=1, hij is overal positief, en hij heeft de xxx-as (y=0y=0y=0) als horizontale asymptoot aan de linkerkant. Voor g>1g>1g>1 is de functie stijgend (exponentiële groei), voor 0<g<10<g<10<g<1 dalend (exponentieel verval). De eee-macht y=exy=e^{x}y=ex is de exponentiële functie die je later differentieert en integreert; haar bijzondere eigenschap (exe^{x}ex is haar eigen afgeleide) maakt haar de natuurlijke keuze in de analyse.

De exponentiële functie y = eˣ

y = eˣSchaubild von y = eˣ, y-Achsenabschnitt bei y = 1, steigend, im Bereich x von -3 bis 2, waagerechte Asymptote bei y = 0−3−2−1121234567(0; 1)asymptoot y = 0y = eˣyx
Afb. 1Afb. 1 — De exponentiële functie y = eˣ gaat door (0; 1) en heeft de x-as (y = 0) als horizontale asymptoot.
De logaritmische functie is de tegenhanger (inverse) van de exponentiële functie: log⁡g(x)\log_{g}(x)logg​(x) is de exponent waarmee je ggg moet verheffen om xxx te krijgen. In wiskunde B gebruik je vooral de natuurlijke logaritme ln⁡(x)=log⁡e(x)\ln(x)=\log_{e}(x)ln(x)=loge​(x). De grafiek van y=ln⁡(x)y=\ln(x)y=ln(x) heeft domein x>0x>0x>0, gaat door (1,0)(1,0)(1,0) (want ln⁡1=0\ln 1=0ln1=0), stijgt afvlakkend en heeft de yyy-as (x=0x=0x=0) als verticale asymptoot. Omdat exponentiële en logaritmische functies elkaars inverse zijn, zijn hun grafieken elkaars spiegelbeeld in de lijn y=xy=xy=x — een verband dat je in het onderwerp inverse functies uitwerkt.
De gebroken functie y=1xy=\dfrac{1}{x}y=x1​ en de absolute-waardefunctie y=∣x∣y=|x|y=∣x∣ vullen het rijtje aan. De gebroken functie bestaat uit twee takken (voor x>0x>0x>0 en x<0x<0x<0), heeft de yyy-as als verticale en de xxx-as als horizontale asymptoot, en is puntsymmetrisch in de oorsprong. De absolute-waardefunctie y=∣x∣y=|x|y=∣x∣ maakt van elk getal zijn niet-negatieve „afstand tot nul”: ∣3∣=3|3|=3∣3∣=3 en ∣−3∣=3|-3|=3∣−3∣=3; de grafiek is een V met een knik in (0,0)(0,0)(0,0). Deze twee grondvormen hebben elk een eigen bijzonderheid (asymptoten respectievelijk een knik) die bij transformaties meebeweegt.
Waarom deze grondvormen zo centraal staan, is dat elke ingewikkelder functie eruit ontstaat door transformeren. y=2(x−3)2+1y=2(x-3)^{2}+1y=2(x−3)2+1 is „de parabool x2x^{2}x2, verschoven en gerekt”; y=e−x+4y=e^{-x}+4y=e−x+4 is „de eee-macht, gespiegeld en omhoog geschoven”. Wie de grondvorm en de transformaties herkent, schetst de grafiek in enkele seconden en leest omgekeerd uit een grafiek het voorschrift af. Daarom is het loont om de grondvormen — met hun snijpunten, asymptoten en symmetrie — echt paraat te hebben; ze zijn het alfabet van de functieanalyse in wiskunde B.
y=gx: door (0,1), asymptoot y=0y=ln⁡(x): door (1,0), asymptoot x=0y=g^{x}:\ \text{door }(0,1),\ \text{asymptoot }y=0\qquad y=\ln(x):\ \text{door }(1,0),\ \text{asymptoot }x=0y=gx: door (0,1), asymptoot y=0y=ln(x): door (1,0), asymptoot x=0

Exponentieel en logaritme

De exponentiële functie en de logaritme zijn elkaars inverse; hun karakteristieke punten en asymptoten zijn verwisseld.

∣x∣={xx≥0−xx<0|x|=\begin{cases} x & x\ge 0\\ -x & x<0\end{cases}∣x∣={x−x​x≥0x<0​

Absolute waarde

De absolute waarde is de afstand tot nul: altijd niet-negatief; de grafiek is een V met de knik in de oorsprong.

Uitgewerkt voorbeeld

Kenmerken van een standaardfunctie benoemen

Geef voor f(x)=ln⁡(x)f(x)=\ln(x)f(x)=ln(x) het domein, het snijpunt met de xxx-as, de asymptoot en het gedrag van de grafiek.

  1. 01Domein

    Het argument van een logaritme moet positief zijn.

    Df:  x>0D_{f}:\; x>0Df​:x>0
  2. 02Snijpunt met de x-as

    Los ln⁡(x)=0\ln(x)=0ln(x)=0 op; dat betekent x=e0=1x=e^{0}=1x=e0=1.

    ln⁡(x)=0  ⇒  x=1  ⇒  (1; 0)\ln(x)=0\;\Rightarrow\; x=1\;\Rightarrow\;(1;\,0)ln(x)=0⇒x=1⇒(1;0)
  3. 03Asymptoot en gedrag

    Voor x↓0x\downarrow 0x↓0 gaat ln⁡(x)→−∞\ln(x)\to-\inftyln(x)→−∞: de yyy-as is verticale asymptoot. Voor grote xxx stijgt ln⁡(x)\ln(x)ln(x) onbegrensd maar steeds langzamer.

Resultaat: Domein x>0x>0x>0; snijpunt (1; 0)(1;\,0)(1;0); verticale asymptoot x=0x=0x=0; stijgend en afvlakkend.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de grafiek en de kenmerken (domein, snijpunten, asymptoten, symmetrie) van de standaardfuncties uit het hoofd kennen en schetsen.
  • Examendoel: de exponentiële functie en de logaritme herkennen als elkaars inverse, met verwisselde karakteristieke punten en asymptoten.
  • Examendoel: de absolute-waardefunctie en de gebroken functie met hun knik respectievelijk asymptoten beschrijven.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat y=gxy=g^{x}y=gx ook negatieve waarden aanneemt; een exponentiële functie is altijd positief (asymptoot y=0y=0y=0, nooit eronder).
  • Het domein van ln⁡(x)\ln(x)ln(x) vergeten: xxx moet positief zijn, dus ln⁡(0)\ln(0)ln(0) en ln⁡\lnln van een negatief getal bestaan niet.
  • ∣−3∣=−3|{-3}|=-3∣−3∣=−3 schrijven; de absolute waarde is altijd niet-negatief, dus ∣−3∣=3|{-3}|=3∣−3∣=3.
  • De gebroken functie 1x\dfrac{1}{x}x1​ als één doorlopende kromme tekenen in plaats van twee gescheiden takken met asymptoten.

Actieve herhaling

Geef voor f(x)=1xf(x)=\dfrac{1}{x}f(x)=x1​ het domein, het bereik, de asymptoten en de symmetrie, en schets de grafiek. Waarom bestaat f(0)f(0)f(0) niet?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Verschuiven van grafieken (translaties)#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-b-subdomein-B1

De parabool y = x² verschoven naar y = (x − 2)² + 1

y = x² en y = (x − 2)² + 1Schaubild von y = x², Tiefpunkt bei (0, 0), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -2.5 bis 5, Schaubild von y = (x−2)²+1, Tiefpunkt bei (2, 1), y-Achsenabschnitt bei y = 5, im Bereich x von -2.5 bis 5−2−1123452468top (0; 0)top (2; 1)y = x²y = (x−2)²+1yx
Afb. 2Afb. 1 — y = x² (top in de oorsprong) en de verschoven parabool y = (x − 2)² + 1 met top (2; 1): 2 naar rechts en 1 omhoog.

Kernpunten

Een translatie verschuift de hele grafiek zonder haar vorm te veranderen. Een verticale verschuiving krijg je door bij de functie een getal op te tellen: y=f(x)+by=f(x)+by=f(x)+b schuift de grafiek bbb omhoog (of omlaag als b<0b<0b<0). Dit is intuïtief: elke functiewaarde wordt met bbb verhoogd, dus elk punt gaat bbb omhoog. Een horizontale verschuiving werkt met een min-teken in de invoer: y=f(x−a)y=f(x-a)y=f(x−a) schuift de grafiek aaa naar rechts (naar links als a<0a<0a<0). Het min-teken is contra-intuïtief — x−ax-ax−a schuift naar de positieve kant — en is de meest gemaakte fout bij transformaties.
Waarom schuift f(x−a)f(x-a)f(x−a) naar rechts en niet naar links? Kijk naar één punt: bij de nieuwe functie g(x)=f(x−a)g(x)=f(x-a)g(x)=f(x−a) krijg je de topwaarde van fff (die bij x=0x=0x=0 hoorde) nu pas als x−a=0x-a=0x−a=0, dus bij x=ax=ax=a. Het „kenmerkende punt” is dus aaa opgeschoven in positieve richting. In Afb. 1 zie je de basisparabool y=x2y=x^{2}y=x2 (top in de oorsprong) en y=(x−2)2+1y=(x-2)^{2}+1y=(x−2)2+1: die is 222 naar rechts en 111 omhoog verschoven, zodat de top in (2,1)(2,1)(2,1) ligt. De vorm van de parabool is identiek; alleen haar plaats verandert.
De twee verschuivingen combineer je in de standaardvorm y=f(x−a)+by=f(x-a)+by=f(x−a)+b: dit is de grafiek van fff, verschoven aaa naar rechts en bbb omhoog. Het punt dat bij fff in de oorsprong lag, ligt nu in (a,b)(a,b)(a,b). Deze vorm is bij veel functies de handigste manier om ze te lezen. Bij een parabool heet y=(x−a)2+by=(x-a)^{2}+by=(x−a)2+b de topvorm, want je leest de top (a,b)(a,b)(a,b) er meteen uit af. Bij een gebroken functie y=1x−a+by=\dfrac{1}{x-a}+by=x−a1​+b verschuiven de asymptoten mee naar x=ax=ax=a (verticaal) en y=by=by=b (horizontaal).
Bij het verschuiven bewegen alle bijzondere kenmerken van de grondvorm mee: snijpunten, toppen, knikken én asymptoten. Verschuif je y=xy=\sqrt{x}y=x​ (randpunt in de oorsprong) tot y=x−3+2y=\sqrt{x-3}+2y=x−3​+2, dan ligt het randpunt in (3,2)(3,2)(3,2) en is het domein x≥3x\ge 3x≥3. Verschuif je y=exy=e^{x}y=ex (asymptoot y=0y=0y=0) tot y=ex+4y=e^{x}+4y=ex+4, dan schuift de horizontale asymptoot mee naar y=4y=4y=4. Het bijhouden van deze kenmerken is precies wat een correcte schets vereist: teken eerst de verschoven asymptoten en het verschoven kenmerkende punt, en trek dan de grondvorm daaromheen.
Andersom kun je uit een gegeven voorschrift de verschuiving aflezen, en uit een grafiek het voorschrift reconstrueren. Zie je een parabool met top in (−1,3)(-1,3)(−1,3), dan is het voorschrift y=(x+1)2+3y=(x+1)^{2}+3y=(x+1)2+3 (let op: top-xxx is −1-1−1, dus x−(−1)=x+1x-(-1)=x+1x−(−1)=x+1). Zie je een wortelkromme met randpunt (4,−1)(4,-1)(4,−1), dan is het y=x−4−1y=\sqrt{x-4}-1y=x−4​−1. Deze heen-en-weerbeweging tussen formule en grafiek — verschuiving aflezen en verschuiving toepassen — is een kernvaardigheid die op het examen zowel bij het schetsen als bij het opstellen van een voorschrift getoetst wordt.
y=f(x−a)+by=f(x-a)+by=f(x−a)+b

Translatie

De grafiek van fff verschoven aaa naar rechts en bbb omhoog; het punt dat in de oorsprong lag, ligt nu in (a,b)(a,b)(a,b).

y=(x−a)2+b (topvorm),top (a,b)y=(x-a)^{2}+b\ \text{(topvorm)},\qquad \text{top }(a,b)y=(x−a)2+b (topvorm),top (a,b)

Topvorm van een parabool

Uit de topvorm lees je de top (a,b)(a,b)(a,b) direct af; let op het minteken bij aaa.

Uitgewerkt voorbeeld

Verschuiving toepassen en aflezen

De grafiek van f(x)=xf(x)=\sqrt{x}f(x)=x​ wordt 333 naar rechts en 222 omlaag verschoven. Geef het voorschrift van de nieuwe functie ggg, haar domein en het randpunt.

  1. 01Horizontale verschuiving

    333 naar rechts geeft x−3\sqrt{x-3}x−3​ (min-teken in de invoer).

    x↦x−3x\mapsto \sqrt{x-3}x↦x−3​
  2. 02Verticale verschuiving

    222 omlaag geeft −2-2−2 bij het geheel.

    g(x)=x−3−2g(x)=\sqrt{x-3}-2g(x)=x−3​−2
  3. 03Domein en randpunt

    Het argument x−3≥0x-3\ge 0x−3≥0 geeft het domein; het randpunt van x\sqrt{x}x​ (oorsprong) verschuift naar (3,−2)(3,-2)(3,−2).

    Dg:  x≥3,randpunt (3; −2)D_{g}:\; x\ge 3,\qquad \text{randpunt }(3;\,-2)Dg​:x≥3,randpunt (3;−2)

Resultaat: g(x)=x−3−2g(x)=\sqrt{x-3}-2g(x)=x−3​−2, domein x≥3x\ge 3x≥3, randpunt (3; −2)(3;\,-2)(3;−2).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een grafiek verschuiven met y=f(x−a)+by=f(x-a)+by=f(x−a)+b en de verschoven kenmerken (top, randpunt, asymptoten) correct plaatsen.
  • Examendoel: uit een voorschrift de translatie aflezen en omgekeerd uit een verschoven grafiek het voorschrift opstellen.
  • Examendoel: het min-teken bij een horizontale verschuiving correct interpreteren (x−ax-ax−a schuift naar rechts).

Veelgemaakte fouten

  • f(x−a)f(x-a)f(x−a) naar links verschuiven in plaats van naar rechts (het min-teken keert de intuïtieve richting om).
  • Een verticale verschuiving in de invoer stoppen of een horizontale bij de uitvoer optellen.
  • De asymptoot of het randpunt niet meeverschuiven bij een gebroken functie of wortelfunctie.
  • Bij het aflezen van een top (−1,3)(-1,3)(−1,3) het voorschrift y=(x−1)2+3y=(x-1)^{2}+3y=(x−1)2+3 schrijven in plaats van y=(x+1)2+3y=(x+1)^{2}+3y=(x+1)2+3.

Actieve herhaling

De grafiek van f(x)=1xf(x)=\dfrac{1}{x}f(x)=x1​ wordt 222 naar links en 333 omhoog verschoven. Geef het voorschrift van ggg, de vergelijkingen van de beide asymptoten en het domein.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Vermenigvuldigen: rekken en krimpen#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-b-subdomein-B1

Verticale vermenigvuldiging: y = √x en y = 2√x

y = √x en y = 2√xSchaubild von y = √x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 9, Schaubild von y = 2√x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 92468123456(4; 2)(4; 4)y = √xy = 2√xyx
Afb. 3Afb. 1 — Verticale vermenigvuldiging met factor 2: y = 2√x is overal twee keer zo hoog als y = √x; de x-as blijft vast.

Kernpunten

Naast verschuiven kun je een grafiek uitrekken of indrukken door te vermenigvuldigen. Een verticale vermenigvuldiging krijg je door de hele functie met een factor aaa te vermenigvuldigen: y=a⋅f(x)y=a\cdot f(x)y=a⋅f(x). Voor a>1a>1a>1 wordt de grafiek verticaal uitgerekt (elke functiewaarde aaa keer zo hoog), voor 0<a<10<a<10<a<1 verticaal ingedrukt. In Afb. 1 staan y=xy=\sqrt{x}y=x​ en y=2xy=2\sqrt{x}y=2x​: de tweede grafiek is overal twee keer zo hoog. Belangrijk: de xxx-as blijft bij een verticale vermenigvuldiging op zijn plaats, want punten óp de xxx-as (y=0y=0y=0) worden met aaa vermenigvuldigd tot a⋅0=0a\cdot 0=0a⋅0=0 en bewegen dus niet.
Een horizontale vermenigvuldiging werkt in de invoer: y=f(b⋅x)y=f(b\cdot x)y=f(b⋅x) drukt de grafiek horizontaal in met factor 1b\dfrac{1}{b}b1​ (voor b>1b>1b>1 smaller, voor 0<b<10<b<10<b<1 breder). Ook hier is de werking „omgekeerd” aan de intuïtie: de factor bbb in de invoer verkleint de grafiek in plaats van hem te vergroten. Dat komt doordat je dezelfde functiewaarde nu al bij een bbb keer kleinere xxx bereikt. Bij een horizontale vermenigvuldiging blijft de yyy-as op zijn plaats, want x=0x=0x=0 blijft 000 na vermenigvuldigen. Horizontale vermenigvuldigingen zijn vooral belangrijk bij goniometrische functies, waar factor bbb de periode bepaalt.
Het onderscheid tussen verticaal en horizontaal vermenigvuldigen is dus: staat de factor buiten de functie (a⋅f(x)a\cdot f(x)a⋅f(x)), dan werkt hij verticaal en laat de xxx-as vast; staat de factor binnen de functie bij de xxx (f(bx)f(bx)f(bx)), dan werkt hij horizontaal en laat de yyy-as vast. Een verticale vermenigvuldiging met aaa maakt de grafiek aaa keer zo hoog; een horizontale met bbb maakt hem 1b\tfrac{1}{b}b1​ keer zo breed. Bij het schetsen bepaal je eerst welke as vast blijft en rek je dan de andere richting.
Bij vermenigvuldigen bewegen de kenmerken mee volgens dezelfde logica. Een verticale vermenigvuldiging met aaa vermenigvuldigt de yyy-coördinaat van elk kenmerkend punt met aaa (een top (2,3)(2,3)(2,3) wordt (2,3a)(2,3a)(2,3a)), maar laat de xxx-coördinaten en verticale asymptoten ongemoeid; een horizontale asymptoot y=cy=cy=c gaat naar y=acy=acy=ac. Een horizontale vermenigvuldiging met bbb deelt de xxx-coördinaten door bbb (een nulpunt bij x=6x=6x=6 gaat naar x=6/bx=6/bx=6/b) en laat de yyy-waarden en horizontale asymptoten met rust; een verticale asymptoot x=px=px=p gaat naar x=p/bx=p/bx=p/b. Wie deze regels per kenmerk toepast, tekent de getransformeerde grafiek foutloos.
Verticale vermenigvuldiging bepaalt bij een sinusoïde de amplitude en bij veel modellen de „sterkte” van het effect; horizontale vermenigvuldiging bepaalt bij een sinusoïde de periode en bij groeimodellen de tijdschaal. Omdat een verticale vermenigvuldiging met aaa hetzelfde is als de hele grafiek aaa keer zo hoog maken, kun je haar ook zien als het „schalen” van de eenheid op de yyy-as. Dit inzicht helpt je later bij het opstellen van een sinusformule y=asin⁡(b(x−c))+dy=a\sin\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=asin(b(x−c))+d, waarin aaa en bbb precies deze twee vermenigvuldigingen zijn.
y=a⋅f(x)y=a\cdot f(x)y=a⋅f(x)

Verticale vermenigvuldiging

Factor aaa buiten de functie: elke functiewaarde wordt aaa keer zo groot; de xxx-as blijft vast.

y=f(b⋅x)y=f(b\cdot x)y=f(b⋅x)

Horizontale vermenigvuldiging

Factor bbb bij de xxx: de grafiek wordt 1b\tfrac{1}{b}b1​ keer zo breed; de yyy-as blijft vast.

Uitgewerkt voorbeeld

Verticaal en horizontaal vermenigvuldigen

De grafiek van f(x)=x2−4f(x)=x^{2}-4f(x)=x2−4 heeft nulpunten x=±2x=\pm 2x=±2 en een dal (0,−4)(0,-4)(0,−4). Bepaal de nulpunten en het dal van g(x)=3f(x)g(x)=3f(x)g(x)=3f(x) en van h(x)=f(2x)h(x)=f(2x)h(x)=f(2x).

  1. 01Verticale vermenigvuldiging g = 3f

    Factor 333 buiten de functie: de yyy-waarden worden 333 keer zo groot, de xxx-waarden blijven. Nulpunten (waar y=0y=0y=0) blijven daarom staan.

    g(x)=3x2−12: nulpunten x=±2, dal (0; −12)g(x)=3x^{2}-12:\ \text{nulpunten }x=\pm 2,\ \text{dal }(0;\,-12)g(x)=3x2−12: nulpunten x=±2, dal (0;−12)
  2. 02Horizontale vermenigvuldiging h = f(2x)

    Factor 222 bij de xxx: de xxx-waarden worden gedeeld door 222, de yyy-waarden blijven. De nulpunten ±2\pm 2±2 gaan naar ±1\pm 1±1, het dal blijft op hoogte −4-4−4.

    h(x)=4x2−4: nulpunten x=±1, dal (0; −4)h(x)=4x^{2}-4:\ \text{nulpunten }x=\pm 1,\ \text{dal }(0;\,-4)h(x)=4x2−4: nulpunten x=±1, dal (0;−4)

Resultaat: g(x)=3x2−12g(x)=3x^{2}-12g(x)=3x2−12: nulpunten ±2\pm 2±2, dal (0;−12)(0;-12)(0;−12). h(x)=4x2−4h(x)=4x^{2}-4h(x)=4x2−4: nulpunten ±1\pm 1±1, dal (0;−4)(0;-4)(0;−4).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een grafiek verticaal (a⋅f(x)a\cdot f(x)a⋅f(x)) en horizontaal (f(bx)f(bx)f(bx)) vermenigvuldigen en de juiste as vast houden.
  • Examendoel: de kenmerken (toppen, nulpunten, asymptoten) correct meeschalen bij een vermenigvuldiging.
  • Examendoel: onderscheiden of een factor verticaal (buiten de functie) of horizontaal (bij de xxx) werkt.

Veelgemaakte fouten

  • Een horizontale vermenigvuldiging met factor bbb voor een verbreding aanzien in plaats van een versmalling (de werking is 1b\tfrac{1}{b}b1​).
  • Bij een verticale vermenigvuldiging de xxx-coördinaten mee vermenigvuldigen, of bij een horizontale de yyy-coördinaten.
  • De factor bij het verkeerde deel plaatsen: 2f(x)2f(x)2f(x) (verticaal) verwarren met f(2x)f(2x)f(2x) (horizontaal).
  • Vergeten dat een verticale vermenigvuldiging de nulpunten laat staan (want a⋅0=0a\cdot 0=0a⋅0=0).

Actieve herhaling

De grafiek van f(x)=xf(x)=\sqrt{x}f(x)=x​ wordt verticaal met factor 333 vermenigvuldigd en daarna horizontaal met factor 12\tfrac{1}{2}21​ (dus xxx wordt 12x\tfrac{1}{2}x21​x). Geef het voorschrift van de resulterende functie en bereken de functiewaarde bij x=8x=8x=8.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Spiegelen in de assen#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-b-subdomein-B1

Spiegelen in de y-as: y = 2ˣ en y = 2⁻ˣ

y = 2ˣ en y = 2⁻ˣSchaubild von y = 2ˣ, y-Achsenabschnitt bei y = 1, steigend, im Bereich x von -3 bis 3, Schaubild von y = 2⁻ˣ, y-Achsenabschnitt bei y = 1, fallend, im Bereich x von -3 bis 3, waagerechte Asymptote bei y = 0−3−2−112312345678(0; 1)asymptoot y = 0y = 2ˣy = 2⁻ˣyx
Afb. 4Afb. 1 — y = 2ˣ en zijn spiegelbeeld in de y-as, y = 2⁻ˣ. Beide gaan door (0; 1) — het punt op de spiegelas.

Kernpunten

Spiegelen is het bijzondere geval van vermenigvuldigen met factor −1-1−1. Spiegelen in de xxx-as krijg je door de hele functie van teken te wisselen: y=−f(x)y=-f(x)y=−f(x). Elk punt (x,y)(x,y)(x,y) gaat naar (x,−y)(x,-y)(x,−y): wat boven de xxx-as lag, komt eronder en omgekeerd. Een dalparabool wordt zo een bergparabool. Spiegelen in de yyy-as krijg je door de invoer van teken te wisselen: y=f(−x)y=f(-x)y=f(−x). Elk punt (x,y)(x,y)(x,y) gaat naar (−x,y)(-x,y)(−x,y): de grafiek klapt om naar de andere kant van de yyy-as. In Afb. 1 zie je y=2xy=2^{x}y=2x en zijn spiegelbeeld in de yyy-as, y=2−x=(12)xy=2^{-x}=\bigl(\tfrac{1}{2}\bigr)^{x}y=2−x=(21​)x; beide gaan door (0,1)(0,1)(0,1), want dat punt ligt op de spiegelas.
De twee spiegelingen zijn dus elkaars „tegenpolen”: −f(x)-f(x)−f(x) spiegelt verticaal (in de xxx-as, teken van de uitvoer om), f(−x)f(-x)f(−x) spiegelt horizontaal (in de yyy-as, teken van de invoer om). Punten óp de spiegelas blijven op hun plaats: bij spiegelen in de xxx-as blijven de nulpunten liggen (daar is y=0y=0y=0), bij spiegelen in de yyy-as blijft het snijpunt met de yyy-as liggen (daar is x=0x=0x=0). Dit geeft je meteen twee vaste punten om je schets aan te controleren.
Bij spiegelen bewegen de kenmerken volgens dezelfde logica mee. Spiegel je in de xxx-as, dan wisselen de yyy-coördinaten van teken (een top (2,3)(2,3)(2,3) wordt een dal (2,−3)(2,-3)(2,−3)) en een horizontale asymptoot y=cy=cy=c gaat naar y=−cy=-cy=−c; de xxx-coördinaten en verticale asymptoten blijven. Spiegel je in de yyy-as, dan wisselen de xxx-coördinaten van teken (een nulpunt bij x=4x=4x=4 gaat naar x=−4x=-4x=−4) en een verticale asymptoot x=px=px=p gaat naar x=−px=-px=−p; de yyy-waarden en horizontale asymptoten blijven. Zo teken je de gespiegelde grafiek kenmerk voor kenmerk.
Spiegelen legt ook symmetrie van functies bloot. Een functie is even als spiegelen in de yyy-as niets verandert, dus als f(−x)=f(x)f(-x)=f(x)f(−x)=f(x); haar grafiek is symmetrisch in de yyy-as (zoals y=x2y=x^{2}y=x2 of y=cos⁡xy=\cos xy=cosx). Een functie is oneven als f(−x)=−f(x)f(-x)=-f(x)f(−x)=−f(x); dan is spiegelen in de yyy-as gelijk aan spiegelen in de xxx-as en is de grafiek puntsymmetrisch in de oorsprong (zoals y=x3y=x^{3}y=x3 of y=1xy=\dfrac{1}{x}y=x1​). Dit begrip van even en oneven functies werk je in het onderwerp functies en grafieken verder uit; hier zie je dat het rechtstreeks uit de spiegelregels volgt.
In de praktijk combineer je spiegelen vaak met verschuiven. y=−x+3y=-\sqrt{x}+3y=−x​+3 is „de wortelfunctie, gespiegeld in de xxx-as en 333 omhoog”: de kromme daalt vanuit het randpunt (0,3)(0,3)(0,3). y=e−xy=e^{-x}y=e−x is „de eee-macht, gespiegeld in de yyy-as”: hij daalt in plaats van te stijgen en modelleert exponentieel verval. Let bij het combineren op de volgorde en op welk teken bij welk deel hoort — een min voor de functie spiegelt verticaal, een min bij de xxx spiegelt horizontaal. Deze bouwstenen samen (verschuiven, vermenigvuldigen, spiegelen) leveren de complete transformatiegereedschapskist die je in de volgende paragraaf tot één formule verenigt.
y=−f(x) (spiegel in de x-as)y=f(−x) (spiegel in de y-as)y=-f(x)\ (\text{spiegel in de }x\text{-as})\qquad y=f(-x)\ (\text{spiegel in de }y\text{-as})y=−f(x) (spiegel in de x-as)y=f(−x) (spiegel in de y-as)

Spiegelen

Een min voor de functie spiegelt verticaal; een min bij de invoer spiegelt horizontaal.

even: f(−x)=f(x)oneven: f(−x)=−f(x)\text{even: } f(-x)=f(x)\qquad \text{oneven: } f(-x)=-f(x)even: f(−x)=f(x)oneven: f(−x)=−f(x)

Even en oneven

Even functies zijn symmetrisch in de yyy-as; oneven functies puntsymmetrisch in de oorsprong.

Uitgewerkt voorbeeld

Spiegelen en symmetrie onderzoeken

Geef de gespiegelde van f(x)=x2−2xf(x)=x^{2}-2xf(x)=x2−2x in de yyy-as, en onderzoek of g(x)=x3−xg(x)=x^{3}-xg(x)=x3−x even, oneven of geen van beide is.

  1. 01Spiegelen in de y-as

    Vervang xxx door −x-x−x in fff.

    f(−x)=(−x)2−2(−x)=x2+2xf(-x)=(-x)^{2}-2(-x)=x^{2}+2xf(−x)=(−x)2−2(−x)=x2+2x
  2. 02Even/oneven van g: bereken g(−x)

    Vervang xxx door −x-x−x in ggg en let op de haakjes.

    g(−x)=(−x)3−(−x)=−x3+xg(-x)=(-x)^{3}-(-x)=-x^{3}+xg(−x)=(−x)3−(−x)=−x3+x
  3. 03Vergelijken met −g(x)

    Bereken −g(x)-g(x)−g(x) en vergelijk met g(−x)g(-x)g(−x).

    −g(x)=−(x3−x)=−x3+x=g(−x)-g(x)=-(x^{3}-x)=-x^{3}+x=g(-x)−g(x)=−(x3−x)=−x3+x=g(−x)

Resultaat: De spiegeling in de yyy-as is y=x2+2xy=x^{2}+2xy=x2+2x. Omdat g(−x)=−g(x)g(-x)=-g(x)g(−x)=−g(x) is ggg oneven (puntsymmetrisch in de oorsprong).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een grafiek spiegelen in de xxx-as (−f(x)-f(x)−f(x)) of in de yyy-as (f(−x)f(-x)f(−x)) en de kenmerken correct spiegelen.
  • Examendoel: met f(−x)=f(x)f(-x)=f(x)f(−x)=f(x) of f(−x)=−f(x)f(-x)=-f(x)f(−x)=−f(x) onderzoeken of een functie even, oneven of geen van beide is.
  • Examendoel: spiegelen combineren met verschuiven en het juiste teken bij het juiste deel plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • −f(x)-f(x)−f(x) (spiegel in de xxx-as) verwarren met f(−x)f(-x)f(−x) (spiegel in de yyy-as).
  • Bij het onderzoeken van symmetrie de haakjes bij (−x)3(-x)^{3}(−x)3 of (−x)2(-x)^{2}(−x)2 fout uitwerken.
  • Concluderen dat een functie even én oneven is, of dat elke functie een van beide moet zijn (de meeste zijn geen van beide).
  • Bij spiegelen in de xxx-as de xxx-coördinaten van teken wisselen (die blijven juist gelijk).

Actieve herhaling

Gegeven f(x)=xf(x)=\sqrt{x}f(x)=x​. Geef het voorschrift van de grafiek die je krijgt door fff eerst in de xxx-as te spiegelen en daarna 222 omhoog te schuiven. Onderzoek verder of h(x)=x4−3x2h(x)=x^{4}-3x^{2}h(x)=x4−3x2 even, oneven of geen van beide is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 05

Samengestelde transformaties#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-b-subdomein-B1

Samengestelde transformatie van y = x²

y = x² en y = 2(x − 1)² − 3Schaubild von y = x², Tiefpunkt bei (0, 0), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -2 bis 4, Schaubild von y = 2(x−1)²−3, Nullstellen bei x = -0.225, 2.225, Tiefpunkt bei (1, -3), y-Achsenabschnitt bei y = -1, im Bereich x von -2 bis 4−2−11234−4−22468top (1; −3)top (0; 0)y = x²y = 2(x−1)²−3yx
Afb. 5Afb. 1 — y = x² en de samengestelde y = 2(x − 1)² − 3: verticaal ×2, 1 naar rechts, 3 omlaag; top (1; −3).

Kernpunten

Alle transformaties samen vat je in één standaardvorm: y=a⋅f(b(x−c))+dy=a\cdot f\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=a⋅f(b(x−c))+d. Hierin herken je de vier bouwstenen: aaa is de verticale vermenigvuldiging (en spiegeling als a<0a<0a<0), bbb de horizontale vermenigvuldiging (en spiegeling als b<0b<0b<0), ccc de horizontale verschuiving (naar rechts) en ddd de verticale verschuiving (omhoog). In Afb. 1 staat de basisparabool y=x2y=x^{2}y=x2 en de samengestelde y=2(x−1)2−3y=2(x-1)^{2}-3y=2(x−1)2−3: verticaal met 222 vermenigvuldigd, 111 naar rechts en 333 omlaag geschoven, met top (1,−3)(1,-3)(1,−3).
De volgorde waarin je de transformaties uitvoert, luistert nauw. Bij het opbouwen vanuit de standaardvorm werk je van binnen naar buiten: eerst de bewerkingen op de invoer xxx (de horizontale: eerst met bbb vermenigvuldigen, dan met ccc verschuiven — of andersom, afhankelijk van hoe de haakjes staan), daarna de bewerkingen op de uitvoer (de verticale: eerst met aaa vermenigvuldigen, dan met ddd verschuiven). Cruciaal is dat verticaal vermenigvuldigen vóór verticaal verschuiven gebeurt: in a⋅f(…)+da\cdot f(\ldots)+da⋅f(…)+d wordt eerst met aaa vermenigvuldigd en pas dan ddd opgeteld, niet andersom.
Het handigst is te werken per kenmerkend punt: neem een punt (x0,y0)(x_{0},y_{0})(x0​,y0​) van de grondvorm en bereken waar het terechtkomt. De xxx-coördinaat ondergaat de horizontale bewerkingen: x0↦x0b+cx_{0}\mapsto \dfrac{x_{0}}{b}+cx0​↦bx0​​+c. De yyy-coördinaat ondergaat de verticale: y0↦a⋅y0+dy_{0}\mapsto a\cdot y_{0}+dy0​↦a⋅y0​+d. Voor y=2(x−1)2−3y=2(x-1)^{2}-3y=2(x−1)2−3 gaat de top (0,0)(0,0)(0,0) van y=x2y=x^{2}y=x2 dus naar x=0+1=1x=0+1=1x=0+1=1 en y=2⋅0−3=−3y=2\cdot 0-3=-3y=2⋅0−3=−3: de top (1,−3)(1,-3)(1,−3), precies wat de figuur laat zien. Deze puntsgewijze aanpak voorkomt fouten met de „omgekeerde” werking van de horizontale factoren.
Bij het herkennen van de transformaties uit een gegeven voorschrift lees je aaa, bbb, ccc en ddd rechtstreeks af — mits het voorschrift in de standaardvorm a⋅f(b(x−c))+da\cdot f\bigl(b(x-c)\bigr)+da⋅f(b(x−c))+d staat. Staat het dat niet, dan breng je het eerst in die vorm. Bij y=4x−8y=\sqrt{4x-8}y=4x−8​ bijvoorbeeld haal je binnen de wortel eerst de factor 444 buiten haakjes: 4(x−2)=4⋅x−2=2x−2\sqrt{4(x-2)}=\sqrt{4}\cdot\sqrt{x-2}=2\sqrt{x-2}4(x−2)​=4​⋅x−2​=2x−2​, zodat je ziet dat het y=xy=\sqrt{x}y=x​ is met b=1b=1b=1 effectief, c=2c=2c=2 en a=2a=2a=2. Het „netjes buiten haakjes halen” om b(x−c)b(x-c)b(x−c) zichtbaar te maken is de sleutelstap, vooral bij goniometrische functies waar je zo de faseverschuiving vindt.
Samengestelde transformaties zijn het gereedschap waarmee je bijna elke functie uit een grondvorm opbouwt en omgekeerd elke grafiek tot een grondvorm herleidt. Ze bereiden ook direct het onderwerp goniometrische functies voor: de algemene sinusoïde y=asin⁡(b(x−c))+dy=a\sin\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=asin(b(x−c))+d is precies deze standaardvorm toegepast op f(x)=sin⁡xf(x)=\sin xf(x)=sinx, waarbij aaa de amplitude, 2πb\tfrac{2\pi}{b}b2π​ de periode, ccc de horizontale (fase)verschuiving en ddd de evenwichtslijn is. Wie de vier parameters hier begrijpt, leest straks elke sinusformule feilloos. Oefen daarom met beide richtingen: uit een voorschrift de transformaties halen, en uit een reeks transformaties het voorschrift opstellen.
y=a⋅f(b(x−c))+dy=a\cdot f\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=a⋅f(b(x−c))+d

Algemene transformatievorm

aaa verticaal rekken/spiegelen, bbb horizontaal rekken/spiegelen, ccc horizontaal verschuiven (rechts), ddd verticaal verschuiven (omhoog).

(x0,y0) ⟼ (x0b+c,  a y0+d)(x_{0},y_{0})\ \longmapsto\ \left(\frac{x_{0}}{b}+c,\; a\,y_{0}+d\right)(x0​,y0​) ⟼ (bx0​​+c,ay0​+d)

Beeld van een punt

Reken per kenmerkend punt: de xxx-coördinaat ondergaat de horizontale bewerkingen, de yyy-coördinaat de verticale.

Uitgewerkt voorbeeld

Transformaties aflezen en een punt volgen

Beschrijf de transformaties waarmee g(x)=−12x−4+1g(x)=-\tfrac{1}{2}\sqrt{x-4}+1g(x)=−21​x−4​+1 uit f(x)=xf(x)=\sqrt{x}f(x)=x​ ontstaat, en bepaal het randpunt van ggg.

  1. 01Parameters aflezen

    Vergelijk met a f(b(x−c))+da\,f(b(x-c))+daf(b(x−c))+d: hier a=−12a=-\tfrac{1}{2}a=−21​, b=1b=1b=1, c=4c=4c=4, d=1d=1d=1.

    g(x)=−12 x−4+1g(x)=-\tfrac{1}{2}\,\sqrt{x-4}+1g(x)=−21​x−4​+1
  2. 02Transformaties benoemen

    a=−12a=-\tfrac{1}{2}a=−21​: verticaal met 12\tfrac{1}{2}21​ indrukken én in de xxx-as spiegelen; c=4c=4c=4: 444 naar rechts; d=1d=1d=1: 111 omhoog.

  3. 03Randpunt volgen

    Het randpunt (0,0)(0,0)(0,0) van x\sqrt{x}x​ gaat naar x=0+4=4x=0+4=4x=0+4=4 en y=−12⋅0+1=1y=-\tfrac{1}{2}\cdot 0+1=1y=−21​⋅0+1=1.

    (0,0)↦(4, 1)(0,0)\mapsto (4,\,1)(0,0)↦(4,1)

Resultaat: ggg ontstaat door x\sqrt{x}x​ verticaal met 12\tfrac{1}{2}21​ in te drukken, in de xxx-as te spiegelen, 444 naar rechts en 111 omhoog te schuiven; het randpunt is (4; 1)(4;\,1)(4;1).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een functie opbouwen of ontleden met de standaardvorm y=a f(b(x−c))+dy=a\,f\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=af(b(x−c))+d en de vier parameters correct interpreteren.
  • Examendoel: een kenmerkend punt door alle transformaties volgen via (x0,y0)↦(x0b+c, ay0+d)(x_{0},y_{0})\mapsto\bigl(\tfrac{x_{0}}{b}+c,\,a y_{0}+d\bigr)(x0​,y0​)↦(bx0​​+c,ay0​+d).
  • Examendoel: een voorschrift eerst in de standaardvorm brengen (factor binnen de functie buiten haakjes halen) voordat je de transformaties afleest.

Veelgemaakte fouten

  • Verticaal verschuiven vóór verticaal vermenigvuldigen doen: in af(…)+da f(\ldots)+daf(…)+d wordt eerst met aaa vermenigvuldigd en dan pas ddd opgeteld.
  • De factor bbb binnen de functie niet buiten haakjes halen, waardoor de horizontale verschuiving ccc fout wordt gelezen (bij 4x−8\sqrt{4x-8}4x−8​ is c=2c=2c=2, niet 888).
  • De horizontale factoren „gewoon” toepassen in plaats van omgekeerd (xxx wordt gedeeld door bbb).
  • Het teken van aaa of bbb negeren en zo een spiegeling missen.

Actieve herhaling

Geef het voorschrift van de functie die ontstaat door f(x)=x2f(x)=x^{2}f(x)=x2 verticaal met factor 12\tfrac{1}{2}21​ te vermenigvuldigen, in de xxx-as te spiegelen, 333 naar links en 222 omhoog te schuiven. Bepaal de top en zeg of het een maximum of minimum is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01De standaardfuncties en hun grafieken○
    • 02Verschuiven van grafieken (translaties)◐
    • 03Vermenigvuldigen: rekken en krimpen◐
    • 04Spiegelen in de assen◐
    • 05Samengestelde transformaties●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Standaardfuncties en transformaties

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — wiskunde B (VWO)

Vorig onderwerp

Formules en functies

Volgend onderwerp

Functies, grafieken en samenstellen

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.