EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde A/Visualisatie van data en grafische weergaven
Samenvattingen · Wiskunde ANL · VWO

Visualisatie van data en grafische weergaven

Deze samenvatting laat zien hoe je ruwe data ordent in frequentietabellen — met relatieve en cumulatieve frequenties, ook bij klassen — en hoe je die data weergeeft in staaf-, cirkel- en lijndiagrammen, histogrammen en boxplots. Je leert grafieken lezen én tekenen, de vorm van een verdeling en uitschieters herkennen, en beoordelen of een grafiek een eerlijk beeld geeft.

4 Onderdelen·~27 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0999 / 15
Examenprofiel
Data ordenen in frequentietabellen met relatieve en cumulatieve frequenties, ook bij klassenindeling (domein E2)Een passende grafische weergave kiezen, tekenen en aflezen: staaf-, cirkel- en lijndiagram, histogram en boxplotDe vorm van een verdeling (symmetrisch, scheef, uitschieters) aflezen en verdelingen met boxplots vergelijkenMisleidende grafieken herkennen en kritisch beoordelen of een grafiek een eerlijk beeld geeft
Operatoren:berekenbepaaltekenlees afmaakinterpreteerbeoordeelvergelijkleg uit

basisniveau

Gemeenschappelijke eindexamenstof (domein E2): frequentietabellen met relatieve en cumulatieve frequenties, en het lezen en tekenen van staaf-, cirkel- en lijndiagrammen, histogrammen en boxplots.

verhoogd niveau

Verdieping: verdelingen vergelijken met boxplots, uitschieters opsporen met de 1,5 × IQR-regel en grafieken in bronnen kritisch beoordelen op vertekening.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Visualisatie van data en grafische weergaven
    • 01Frequentietabellen en frequenties○
    • 02Staaf-, cirkel- en lijndiagrammen◐
    • 03Histogram en klassenindeling◐
    • 04Boxplot en het vergelijken van verdelingen●
§ 01

Frequentietabellen en frequenties#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-a-domein-E2

Kernpunten

Statistiek begint bij het ordenen van ruwe data. Zodra je een groot aantal waarnemingen hebt — cijfers, aantallen, meetwaarden — is een ongeordende lijst onleesbaar. Een frequentietabel brengt orde aan: je noteert elke voorkomende waarde (of categorie) en telt hoe vaak die voorkomt. Dat aantal heet de frequentie. In Afb. 1 zie je het staafdiagram van zo'n frequentietabel: aan 25 leerlingen is gevraagd hoe vaak zij per week sporten. De waarde 2 komt 7 keer voor (frequentie 7), de waarde 3 zes keer, enzovoort. De som van alle frequenties is altijd gelijk aan het totale aantal waarnemingen nnn; hier 2+4+7+6+3+3=252+4+7+6+3+3 = 252+4+7+6+3+3=25. Die controle — kloppen de frequenties samen met nnn? — voer je bij elke tabel als eerste uit.

Staafdiagram van een frequentietabel

Aantal keer sporten per week (n = 25)Kolomdiagram: frequentie (leerlingen) naar aantal keer sporten per week, Gegevens: frequentie · 0: 2; frequentie · 1: 4; frequentie · 2: 7; frequentie · 3: 6; frequentie · 4: 3; frequentie · 5: 301234567012345247633frequentie (leerlingen)aantal keer sporten per week
Afb. 1Frequentietabel van „aantal keer sporten per week" voor 25 leerlingen, weergegeven als staafdiagram. Frequenties: 0 → 2, 1 → 4, 2 → 7, 3 → 6, 4 → 3, 5 → 3 (samen 25).
De frequentie zelf zegt weinig zonder het totaal: 7 leerlingen is veel in een klas van 25, maar weinig in een school van 700. Daarom reken je vaak met de relatieve frequentie: de frequentie gedeeld door het totaal. Voor de waarde 2 is dat 725=0,28\frac{7}{25} = 0{,}28257​=0,28, oftewel 28%. Relatieve frequenties zijn getallen tussen 0 en 1 (of tussen 0% en 100%) en tellen samen altijd op tot 1 (100%). Ze maken groepen van verschillende grootte vergelijkbaar: of je nu 25 of 700 leerlingen ondervraagt, met percentages leg je de verdelingen naast elkaar. Reken een relatieve frequentie uit als breuk, als decimaal getal én als percentage — in het examen wordt naar alle drie gevraagd.
Soms wil je niet weten hoe vaak precies een waarde voorkomt, maar hoe vaak een waarde of minder voorkomt. Dat is de cumulatieve frequentie: je telt de frequenties op tot en met een bepaalde waarde. In het sportvoorbeeld sporten 2 leerlingen 0 keer, en 2+4=62+4 = 62+4=6 leerlingen hoogstens 1 keer, en 2+4+7=132+4+7 = 132+4+7=13 leerlingen hoogstens 2 keer. Afb. 2 toont deze oplopende cumulatieve frequenties. De laatste cumulatieve frequentie is altijd nnn (hier 25), want dan heb je iedereen meegeteld. Deel je de cumulatieve frequentie door nnn, dan krijg je de relatieve cumulatieve frequentie: 1325=52%\frac{13}{25} = 52\%2513​=52% van de leerlingen sport hoogstens 2 keer per week. Cumulatieve frequenties zijn de opstap naar mediaan, kwartielen en percentielen: „de waarde waaronder de helft van de data ligt" lees je er direct uit af.

Cumulatieve frequenties

Cumulatieve frequentie (n = 25)Kolomdiagram: cumulatieve frequentie naar aantal keer sporten per week, Gegevens: cumulatieve frequentie · t/m 0: 2; cumulatieve frequentie · t/m 1: 6; cumulatieve frequentie · t/m 2: 13; cumulatieve frequentie · t/m 3: 19; cumulatieve frequentie · t/m 4: 22; cumulatieve frequentie · t/m 5: 250510152025t/m 0t/m 1t/m 2t/m 3t/m 4t/m 52613192225cumulatieve frequentieaantal keer sporten per week
Afb. 2Cumulatieve frequenties van dezelfde data: het aantal leerlingen dat hoogstens 0, 1, 2, 3, 4 of 5 keer sport is 2, 6, 13, 19, 22 en 25. De laatste waarde is n = 25.
Welke tabel past, hangt af van het soort variabele. Bij een kwalitatieve (categoriale) variabele — kleur, vervoermiddel, favoriet vak — zijn de „waarden" categorieën zonder natuurlijke getalswaarde; je telt per categorie. Bij een kwantitatieve variabele met weinig verschillende gehele uitkomsten — aantal broers en zussen, aantal doelpunten — maak je een tabel per waarde, zoals hierboven. Heeft een kwantitatieve variabele juist heel veel verschillende of continue waarden — lengte, tijd, gewicht — dan wordt zo'n tabel te lang en groepeer je de data in klassen (zie de derde paragraaf, over histogrammen). Herken dus eerst het type variabele; dat bepaalt of je per waarde telt of in klassen indeelt.
Een frequentietabel maak je systematisch. Zet alle mogelijke waarden (of categorieën) op een rij, loop de ruwe data één keer door en zet bij elke waarneming een turfje bij de bijbehorende waarde; groepjes van vijf turf je als een blokje van vier met een streep erdoor, zodat optellen makkelijk gaat. Tel daarna de turfjes en noteer de frequenties. Sluit altijd af met de controle dat de frequenties samen nnn vormen — een tel- of turffout valt dan meteen door de mand. Voeg naar behoefte kolommen toe voor de relatieve frequentie (frequentie ÷ n\div\, n÷n) en de cumulatieve frequentie (lopende som). Zo'n complete tabel is de basis waaruit je vervolgens elke grafiek en elk kengetal afleidt.
relatieve frequentie=frequentien×100%\text{relatieve frequentie} = \frac{\text{frequentie}}{n} \times 100\%relatieve frequentie=nfrequentie​×100%

Relatieve frequentie

De frequentie van een waarde gedeeld door het totale aantal waarnemingen n, als deel van het geheel; maal 100% voor een percentage. Alle relatieve frequenties samen zijn 100%.

relatieve cumulatieve frequentie=cumulatieve frequentien\text{relatieve cumulatieve frequentie} = \frac{\text{cumulatieve frequentie}}{n}relatieve cumulatieve frequentie=ncumulatieve frequentie​

Relatieve cumulatieve frequentie

De lopende som van de frequenties, gedeeld door n. De laatste cumulatieve frequentie is altijd gelijk aan n (100%).

Uitgewerkt voorbeeld

Een frequentietabel maken

Aan 20 leerlingen is gevraagd hoeveel broers en zussen zij hebben. De antwoorden zijn: 1, 2, 0, 3, 1, 2, 1, 0, 2, 4, 1, 1, 3, 2, 0, 1, 2, 1, 2, 1. Maak een frequentietabel met de frequentie, de relatieve frequentie (in %) en de cumulatieve frequentie.

  1. 01Bepaal de mogelijke waarden

    De kleinste waarde is 0, de grootste is 4. De mogelijke waarden zijn dus 0, 1, 2, 3 en 4.

  2. 02Turf en tel de frequenties

    Loop de rij één keer door en turf per waarde. Je vindt: 0 komt 3 keer voor, 1 komt 8 keer voor, 2 komt 6 keer voor, 3 komt 2 keer voor en 4 komt 1 keer voor.

  3. 03Controleer met het totaal

    3 + 8 + 6 + 2 + 1 = 20. Dat klopt met het aantal leerlingen, dus er is niet verkeerd geteld.

  4. 04Reken de relatieve frequenties uit

    Deel elke frequentie door 20 en maak er een percentage van: 3/20 = 15%, 8/20 = 40%, 6/20 = 30%, 2/20 = 10%, 1/20 = 5%. Samen 100%.

    820=0,40=40%\frac{8}{20} = 0{,}40 = 40\%208​=0,40=40%
  5. 05Reken de cumulatieve frequenties uit

    Tel de frequenties op tot en met elke waarde: t/m 0 → 3, t/m 1 → 3 + 8 = 11, t/m 2 → 11 + 6 = 17, t/m 3 → 17 + 2 = 19, t/m 4 → 19 + 1 = 20. De laatste is n = 20.

Resultaat: De frequentietabel: waarde 0 (frequentie 3; 15%; cumulatief 3), 1 (8; 40%; 11), 2 (6; 30%; 17), 3 (2; 10%; 19), 4 (1; 5%; 20). Zo lees je bijvoorbeeld af dat 17 van de 20 leerlingen (85%) hoogstens 2 broers en zussen hebben.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een frequentietabel opstellen uit ruwe data en die uitbreiden met relatieve en cumulatieve frequenties.
  • Examendoel: een relatieve frequentie schrijven als breuk, decimaal getal én percentage, en uit een cumulatieve frequentie aflezen welk deel onder of boven een waarde ligt.
  • Examendoel: herkennen wanneer je per waarde telt (weinig gehele uitkomsten) en wanneer je in klassen groepeert (veel of continue waarden).

Veelgemaakte fouten

  • De relatieve frequenties niet controleren: samen moeten ze precies 100% (1) zijn. Wijkt de som af, dan is er een reken- of afrondfout.
  • Cumulatieve frequentie verwarren met relatieve frequentie. Cumulatief is een lopende som (loopt op tot n); relatief is een deel van het geheel (loopt op tot 100%).
  • Bij het turven een waarneming dubbel tellen of overslaan, waardoor de frequenties niet op n uitkomen. Turf systematisch in blokjes van vijf en tel daarna.

Actieve herhaling

In een klas van 30 leerlingen is het aantal huisdieren geteld: 0 huisdieren (7 leerlingen), 1 (11), 2 (8), 3 (3) en 4 (1). Maak een frequentietabel met relatieve frequenties (in %) en cumulatieve frequenties, en bepaal welk percentage van de leerlingen minstens 2 huisdieren heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Staaf-, cirkel- en lijndiagrammen#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-E2

Lijndiagram: verkoop van e-bikes

Verkoop e-bikes 2019–2024Lijndiagram: verkoop (× 1000 stuks) naar jaar, Gegevens: verkoop (× 1000) · 2019: 400; verkoop (× 1000) · 2020: 470; verkoop (× 1000) · 2021: 550; verkoop (× 1000) · 2022: 620; verkoop (× 1000) · 2023: 680; verkoop (× 1000) · 2024: 7300100200300400500600700201920202021202220232024verkoop (× 1000 stuks)jaar
Afb. 5Tijdreeks van de verkoop van e-bikes (× 1000 stuks) van 2019 tot en met 2024: 400, 470, 550, 620, 680, 730. De opgaande lijn toont een duidelijke groeitrend.

Kernpunten

Zodra de data geordend zijn, kies je een grafiek die het patroon zichtbaar maakt. Voor kwalitatieve (categoriale) data is het staafdiagram de standaard. In Afb. 1 zie je hoe 200 leerlingen naar school komen: elke categorie — fiets, lopen, auto, bus/tram, anders — krijgt een staaf waarvan de hoogte de frequentie is. Kenmerkend voor een staafdiagram is dat de staven los van elkaar staan, met een tussenruimte: de categorieën zijn losse groepen zonder natuurlijke volgorde of onderlinge afstand. Je mag de staven in willekeurige volgorde zetten — vaak van hoog naar laag of alfabetisch. De hoogte kun je als frequentie of als relatieve frequentie (percentage) tekenen; de vorm van het diagram blijft gelijk.
Wil je benadrukken hoe de categorieën zich verhouden tot het geheel, dan kies je een cirkeldiagram (taartdiagram). De hele cirkel (360∘360^\circ360∘) staat voor alle 200 leerlingen samen; elke categorie krijgt een taartpunt (sector) waarvan de hoek evenredig is met de relatieve frequentie. De sectorhoek reken je uit met sectorhoek=frequentietotaal×360∘\text{sectorhoek} = \frac{\text{frequentie}}{\text{totaal}} \times 360^\circsectorhoek=totaalfrequentie​×360∘. Voor de fietsers: 96200×360∘=0,48×360∘=172,8∘\frac{96}{200} \times 360^\circ = 0{,}48 \times 360^\circ = 172{,}8^\circ20096​×360∘=0,48×360∘=172,8∘, bijna een halve cirkel — precies 48% (zie Afb. 2). De sectorhoeken tellen samen op tot 360∘360^\circ360∘, net zoals de relatieve frequenties samen 100% vormen. Een cirkeldiagram werkt goed bij weinig categorieën die samen een geheel vormen; bij veel of ongeveer even grote categorieën zijn de taartpunten lastig te vergelijken en is een staafdiagram duidelijker.
Meet je dezelfde grootheid op opeenvolgende momenten, dan gebruik je een lijndiagram. De horizontale as is dan een tijdas (jaren, maanden, uren) en je verbindt de meetpunten met lijnstukken. Zo'n tijdreeks laat de ontwikkeling — stijging, daling, schommeling — in één oogopslag zien. Afb. 3 toont de verkoop van e-bikes over zes jaar: de opgaande lijn maakt de groeitrend zichtbaar. Het verbinden van de punten met een lijn suggereert een doorlopende ontwikkeling; doe dat daarom alleen als tussenliggende momenten betekenis hebben (bij tijd wel, bij losse categorieën niet — daar hoort een staafdiagram). Een lijndiagram is ook geschikt om twee tijdreeksen te vergelijken door beide lijnen in hetzelfde assenstelsel te tekenen.

Staafdiagram: vervoer naar school

Vervoer naar school (n = 200)Kolomdiagram: aantal leerlingen naar vervoermiddel, Gegevens: aantal leerlingen · fiets: 96; aantal leerlingen · lopen: 40; aantal leerlingen · auto: 24; aantal leerlingen · bus/tram: 32; aantal leerlingen · anders: 8020406080fietslopenautobus/tramanders964024328aantal leerlingenvervoermiddel
Afb. 3Vervoermiddel naar school van 200 leerlingen. Frequenties: fiets 96, lopen 40, auto 24, bus/tram 32, anders 8. De staven staan los van elkaar omdat het losse categorieën zijn.
Naast weergaven van één variabele bestaan er grafieken die twee variabelen tegen elkaar zetten. Een spreidingsdiagram (puntenwolk) plaatst bij elke meting een punt met de ene variabele op de xxx-as en de andere op de yyy-as. Zo zie je of er samenhang is: lopen de punten van linksonder naar rechtsboven, dan is er een positief verband (Afb. 4: meer studeren gaat samen met een hoger cijfer); van linksboven naar rechtsonder een negatief verband; een vormloze wolk wijst op weinig samenhang. Een trendlijn (de kleinste-kwadratenlijn) vat het verband samen — hierover meer bij regressie en correlatie. Een steelbladdiagram, ten slotte, ordent getallen door ze te splitsen in een steel (de tientallen) en een blad (de eenheden): het getal 47 wordt steel 4, blad 7. Zo blijven alle oorspronkelijke waarden zichtbaar én zie je meteen de vorm van de verdeling — een kruising tussen een tabel en een histogram.

Cirkeldiagram: vervoer naar school

Vervoer naar school (n = 200)Cirkeldiagram, Gegevens: fiets: 96; lopen: 40; bus/tram: 32; auto: 24; anders: 8fiets 48%lopen 20%bus/tram 16%auto 12%anders 4%
Afb. 4Dezelfde data als cirkeldiagram. Relatieve frequenties en sectorhoeken: fiets 48% (172,8°), lopen 20% (72°), bus/tram 16% (57,6°), auto 12% (43,2°), anders 4% (14,4°). Samen 100% en 360°.
Welke grafiek „de beste" is, hangt af van je data en je boodschap: een staafdiagram voor het vergelijken van losse categorieën, een cirkeldiagram voor delen van één geheel, een lijndiagram voor een ontwikkeling in de tijd, een spreidingsdiagram voor samenhang tussen twee variabelen. Kies bewust, want een verkeerde of oneerlijke grafiek kan misleiden. De beruchtste truc is een afgekapte verticale as: begint de yyy-as niet bij 0 maar bijvoorbeeld bij 48, dan lijkt een staaf van 51 al gauw driemaal zo hoog als een van 49, terwijl het verschil in werkelijkheid klein is. Andere valkuilen: ongelijke klassenbreedtes, een 3D-effect dat de voorste taartpunten groter laat lijken, een te korte of juist te lange tijdas die een trend uitvergroot of verbergt, en verschillende schaalverdelingen naast elkaar. Beoordeel een grafiek daarom altijd kritisch: begint de as bij 0, zijn de schalen eerlijk, en klopt het beeld met de onderliggende getallen?
sectorhoek=frequentietotaal×360∘\text{sectorhoek} = \frac{\text{frequentie}}{\text{totaal}} \times 360^\circsectorhoek=totaalfrequentie​×360∘

Sectorhoek in een cirkeldiagram

De hoek van een taartpunt is de relatieve frequentie maal 360°. Alle sectorhoeken samen vormen 360°.

Spreidingsdiagram: studeren en cijfer

Studeeruren en cijfer (n = 8)Spreidingsdiagram: cijfer naar studeeruren per week, Gegevens: (0, 3.8); (1, 5.2); (2, 4.9); (3, 6.1); (4, 6.4); (5, 6.9); (6, 8.2); (7, 7.8)4567801234567cijferstudeeruren per week
Afb. 6Spreidingsdiagram van studeeruren tegen behaald cijfer voor acht leerlingen. De puntenwolk loopt van linksonder naar rechtsboven: een positief verband. De rechte lijn is de trendlijn (kleinste-kwadratenlijn).
Uitgewerkt voorbeeld

Sectorhoeken voor een cirkeldiagram berekenen

Aan 50 mensen is gevraagd naar hun favoriete ijssmaak: vanille 15, chocola 20, aardbei 10 en overig 5. Bereken voor elke smaak de relatieve frequentie (in %) en de sectorhoek voor een cirkeldiagram.

  1. 01Controleer het totaal

    15 + 20 + 10 + 5 = 50, gelijk aan het aantal ondervraagden. De data zijn compleet.

  2. 02Relatieve frequenties

    Deel elke frequentie door 50: vanille 15/50 = 30%, chocola 20/50 = 40%, aardbei 10/50 = 20%, overig 5/50 = 10%. Samen 100%.

  3. 03Sectorhoeken

    Vermenigvuldig elke relatieve frequentie met 360°. Vanille: 0,30 × 360° = 108°. Chocola: 0,40 × 360° = 144°. Aardbei: 0,20 × 360° = 72°. Overig: 0,10 × 360° = 36°.

    2050×360∘=0,40×360∘=144∘\frac{20}{50} \times 360^\circ = 0{,}40 \times 360^\circ = 144^\circ5020​×360∘=0,40×360∘=144∘
  4. 04Controleer de som

    108° + 144° + 72° + 36° = 360°. De sectorhoeken vullen samen precies de hele cirkel, dus de berekening klopt.

Resultaat: Vanille 30% (108°), chocola 40% (144°), aardbei 20% (72°), overig 10% (36°). Teken met een geodriehoek vanaf een startstraal telkens de volgende hoek af; het grootste stuk (chocola, 144°) valt meteen op.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bij een frequentietabel de sectorhoeken van een cirkeldiagram berekenen (relatieve frequentie × 360°) en het diagram tekenen.
  • Examendoel: de passende grafiek kiezen bij een gegeven datatype — staaf (categorieën), cirkel (delen van een geheel), lijn (tijdreeks), spreiding (twee variabelen).
  • Examendoel: beoordelen of een grafiek een eerlijk beeld geeft, met name of de verticale as bij 0 begint.

Veelgemaakte fouten

  • De staven van een staafdiagram tegen elkaar aan tekenen (als een histogram). Bij losse categorieën horen juist tussenruimtes tussen de staven.
  • Vergeten om bij de sectorhoek met 360° te vermenigvuldigen, of met 100 in plaats van 360 rekenen. Controleer altijd of de sectorhoeken samen 360° zijn.
  • Een afgekapte verticale as niet opmerken. Als de y-as niet bij 0 begint, worden verschillen tussen staven sterk uitvergroot en geeft de grafiek een vertekend beeld.

Actieve herhaling

In een enquête onder 400 mensen koos 140 voor thee, 180 voor koffie, 60 voor water en 20 voor iets anders. Bereken de relatieve frequenties (in %) en de sectorhoeken voor een cirkeldiagram, en leg uit waarom een cirkeldiagram hier passender is dan een lijndiagram.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Histogram en klassenindeling#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-E2

Histogram: lichaamslengte

Lichaamslengte (n = 40)Histogram: aantal leerlingen naar lengte (cm), Gegevens: [150, 160): 3; [160, 170): 9; [170, 180): 15; [180, 190): 10; [190, 200): 3024681012141501601701801902003915103aantal leerlingenlengte (cm)
Afb. 7Lichaamslengte van 40 leerlingen in klassen van 10 cm. Klassenfrequenties: [150,160) → 3, [160,170) → 9, [170,180) → 15, [180,190) → 10, [190,200) → 3 (samen 40). De staven sluiten op elkaar aan; de verdeling is vrijwel symmetrisch.

Kernpunten

Bij een variabele met heel veel verschillende waarden — lengte, tijd, gewicht, inkomen — of bij continue meetgegevens wordt een frequentietabel per waarde onbruikbaar: bijna elke waarde komt maar één keer voor. De oplossing is een klassenindeling: je verdeelt het meetbereik in aaneensluitende intervallen (klassen) van gelijke breedte en telt hoeveel waarnemingen in elke klasse vallen. Het bijbehorende diagram is het histogram (Afb. 1). Daar is de lengte van 40 leerlingen ingedeeld in klassen van 10 cm breed: [150,160)[150, 160)[150,160), [160,170)[160, 170)[160,170), [170,180)[170, 180)[170,180), [180,190)[180, 190)[180,190) en [190,200)[190, 200)[190,200). De staafhoogtes 3, 9, 15, 10 en 3 zijn de klassenfrequenties; samen 40. De piek in het midden en de gelijkmatig aflopende flanken maken dit tot een vrijwel symmetrische verdeling.
Een histogram lijkt op een staafdiagram, maar er is een wezenlijk verschil. In een histogram staat op de horizontale as een doorlopende getallenschaal, en de staven sluiten op elkaar aan (aaneengesloten, zonder tussenruimte), omdat de klassen naadloos in elkaar overgaan: waar de ene klasse eindigt, begint de volgende. In een staafdiagram staan op de horizontale as losse categorieën en hebben de staven juist tussenruimtes. De volgorde van de staven ligt bij een histogram vast (de getallenschaal loopt op), terwijl je categorieën in een staafdiagram mag herschikken. Kort gezegd: histogram = kwantitatieve data in klassen met aaneengesloten staven; staafdiagram = kwalitatieve of losse categorieën met staven met ruimte ertussen. Dit onderscheid is een klassieke examenvraag.
Bij een klassenindeling let je op de grenzen. De klasse [160,170)[160, 170)[160,170) bevat de lengtes vanaf 160 tot (maar niet inclusief) 170; de grenswaarde 170 valt in de volgende klasse. Zo hoort elke meting bij precies één klasse. De klassenbreedte is hier overal 10; het klassenmidden — handig als representatieve waarde van de klasse, bijvoorbeeld om een gemiddelde te schatten — is ondergrens+bovengrens2\frac{\text{ondergrens} + \text{bovengrens}}{2}2ondergrens+bovengrens​, voor [160,170)[160, 170)[160,170) dus 165. Belangrijk: in een histogram is niet de hoogte maar de oppervlakte van een staaf evenredig met de frequentie. Bij gelijke klassenbreedtes valt dat samen met de hoogte, maar heb je ongelijke klassen, dan moet je de hoogte aanpassen (de frequentiedichtheid = frequentie ÷\div÷ klassenbreedte), anders geeft de grafiek een vertekend beeld.
Uit de vorm van een histogram lees je direct het karakter van de data af. Ligt de piek in het midden met even lange flanken, dan is de verdeling symmetrisch (Afb. 1). Zit de piek links met een lange staart naar rechts, dan is de verdeling scheef naar rechts (positief scheef); bij een piek rechts met een staart naar links scheef naar links. Afb. 2 toont de wachttijden bij een kassa: de meeste klanten wachten kort, enkelen lang — de staart naar rechts maakt de verdeling scheef naar rechts. Losstaande staafjes ver van de rest wijzen op uitschieters (extreme waarnemingen). De vorm bepaalt mede welke centrummaat eerlijk is: bij een symmetrische verdeling liggen het gemiddelde en de mediaan dicht bijeen, bij een scheve verdeling trekt de staart het gemiddelde mee, zodat de mediaan vaak een beter beeld geeft.
Een histogram teken je in vaste stappen: kies een aantal klassen (vuistregel: vijf tot vijftien, afgestemd op de hoeveelheid data), bepaal gelijke klassengrenzen die het hele bereik dekken, turf de waarnemingen per klasse en teken aaneengesloten staven met de klassenfrequentie als hoogte. Te weinig klassen verbergen de vorm (alles op één hoop), te veel klassen maken de grafiek grillig. Verbind je de middens van de staaftoppen met lijnstukken, dan ontstaat een frequentiepolygoon, die de vorm van de verdeling als een vloeiende lijn benadrukt en handig is om twee verdelingen te vergelijken. Uit de klassenfrequenties bouw je verder de relatieve en cumulatieve frequenties op, precies zoals bij een gewone frequentietabel.
klassenmidden=ondergrens+bovengrens2\text{klassenmidden} = \frac{\text{ondergrens} + \text{bovengrens}}{2}klassenmidden=2ondergrens+bovengrens​

Klassenmidden

Het midden van een klasse, gebruikt als representatieve waarde van die klasse (bijvoorbeeld om een gemiddelde te schatten).

frequentiedichtheid=frequentieklassenbreedte\text{frequentiedichtheid} = \frac{\text{frequentie}}{\text{klassenbreedte}}frequentiedichtheid=klassenbreedtefrequentie​

Frequentiedichtheid

De staafhoogte waarmee de oppervlakte evenredig met de frequentie blijft; nodig bij ongelijke klassenbreedtes.

Histogram: wachttijd bij de kassa

Wachttijd bij de kassa (n = 20)Histogram: aantal klanten naar wachttijd (s), Gegevens: [0, 20): 2; [20, 40): 8; [40, 60): 6; [60, 80): 40123456780204060802864aantal klantenwachttijd (s)
Afb. 8Wachttijd (in seconden) van 20 klanten in klassen van 20 s. Klassenfrequenties: [0,20) → 2, [20,40) → 8, [40,60) → 6, [60,80) → 4 (samen 20). De piek ligt links en de staart loopt naar rechts: scheef naar rechts.
Uitgewerkt voorbeeld

Een klassenindeling en histogram maken

De wachttijd (in seconden) van 20 klanten is: 12, 35, 48, 22, 67, 51, 29, 44, 73, 58, 31, 19, 42, 66, 55, 38, 27, 39, 61, 24. Deel de data in klassen van 20 seconden breed in ([0,20), [20,40), [40,60), [60,80)), maak de frequentietabel en beschrijf de vorm van het histogram.

  1. 01Bepaal het bereik en de klassen

    De kleinste waarde is 12, de grootste is 73. Klassen van 20 breed die dit bereik dekken: [0,20), [20,40), [40,60) en [60,80). De grens 20 hoort bij [20,40), niet bij [0,20).

  2. 02Turf per klasse

    [0,20): 12 en 19 → 2. [20,40): 35, 22, 29, 31, 38, 27, 39, 24 → 8. [40,60): 48, 51, 44, 58, 42, 55 → 6. [60,80): 67, 73, 66, 61 → 4.

  3. 03Controleer met het totaal

    2 + 8 + 6 + 4 = 20, gelijk aan het aantal klanten. De indeling is compleet.

  4. 04Relatieve en cumulatieve frequenties

    Relatief: 2/20 = 10%, 8/20 = 40%, 6/20 = 30%, 4/20 = 20% (samen 100%). Cumulatief: 2, 10, 16, 20. Zo wacht 80% van de klanten korter dan 60 seconden (16 van de 20).

  5. 05Beschrijf de vorm

    De modale klasse (met de hoogste frequentie) is [20,40). De frequenties lopen na de piek af naar rechts, met een staart richting de hogere wachttijden: de verdeling is scheef naar rechts.

Resultaat: Frequentietabel: [0,20) → 2 (10%), [20,40) → 8 (40%), [40,60) → 6 (30%), [60,80) → 4 (20%). Het histogram (Afb. 2) heeft aaneengesloten staven van hoogte 2, 8, 6 en 4 en is scheef naar rechts; de modale klasse is [20,40).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het verschil tussen een histogram (aaneengesloten staven, klassen op een getallenschaal) en een staafdiagram (losse categorieën met tussenruimte) uitleggen.
  • Examendoel: ruwe data in klassen indelen, de klassenfrequenties bepalen en een histogram tekenen of aflezen.
  • Examendoel: uit de vorm van een histogram aflezen of een verdeling symmetrisch of scheef is en of er uitschieters zijn.

Veelgemaakte fouten

  • Een grenswaarde in de verkeerde klasse tellen. Spreek één afspraak af (meestal ondergrens erbij, bovengrens niet: [160,170) bevat 160 maar niet 170) en tel elke waarneming bij precies één klasse.
  • De staven van een histogram met tussenruimte tekenen. Klassen sluiten op elkaar aan, dus de staven raken elkaar.
  • Bij ongelijke klassenbreedtes de hoogte gelijkstellen aan de frequentie. Dan klopt de oppervlakte niet meer; gebruik de frequentiedichtheid (frequentie ÷ klassenbreedte).

Actieve herhaling

Gegeven de rapportcijfers van 25 leerlingen: 5, 6, 7, 8, 6, 4, 7, 9, 6, 5, 8, 7, 6, 3, 7, 8, 6, 5, 7, 9, 6, 7, 8, 5, 6. Deel de data in de klassen [3,5), [5,7), [7,9) en [9,11) in, maak de frequentietabel en teken het histogram. Is de verdeling symmetrisch of scheef?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Boxplot en het vergelijken van verdelingen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-a-domein-E2

Boxplots vergelijken: klas A en klas B

Cijfers klas A en klas BBoxplot, Gegevens: klas A: min 3, Q1 5, Md 6, Q3 8, max 10; klas B: min 5, Q1 6, Md 7, Q3 8, max 9345678910klas Aklas B
Afb. 9Cijfers van klas A en klas B als boxplots. Vijf-getallensamenvatting klas A: minimum 3, Q1 5, mediaan 6, Q3 8, maximum 10. Klas B: minimum 5, Q1 6, mediaan 7, Q3 8, maximum 9. Klas B ligt hoger en is minder gespreid.

Kernpunten

De boxplot (doosdiagram) vat een verdeling samen in vijf getallen en maakt het vergelijken van groepen bijzonder eenvoudig. Die vijf getallen — samen de vijf-getallensamenvatting — zijn: het minimum, het eerste kwartiel Q1Q_1Q1​, de mediaan (Q2Q_2Q2​), het derde kwartiel Q3Q_3Q3​ en het maximum. De mediaan is de middelste waarneming: de helft van de data ligt eronder, de helft erboven. Q1Q_1Q1​ is de mediaan van de onderste helft, zodat een kwart van de data eronder ligt; Q3Q_3Q3​ is de mediaan van de bovenste helft, zodat driekwart eronder ligt. In Afb. 1 staan twee boxplots boven elkaar, van klas A en klas B, zodat je de verdelingen van hun cijfers direct kunt vergelijken.
Een boxplot lees je van links naar rechts langs een getallenas. De doos (box) loopt van Q1Q_1Q1​ tot Q3Q_3Q3​ en bevat dus de middelste 50% van de data; in de doos staat een streep bij de mediaan. Vanaf de doos lopen twee snorren (whiskers) naar het minimum en het maximum. Zo verdeelt de boxplot de data in vier stukken die elk ongeveer een kwart van de waarnemingen bevatten: van min tot Q1Q_1Q1​, van Q1Q_1Q1​ tot de mediaan, van de mediaan tot Q3Q_3Q3​, en van Q3Q_3Q3​ tot max. Let op: een kort stuk betekent niet weinig data, maar dat een kwart van de data dicht opeen ligt; een lang stuk betekent dat een kwart ver uitwaaiert. Zo zie je in één blik waar de data verdicht zijn en waar ze verspreid liggen.
Uit de vijf getallen lees je meteen twee spreidingsmaten af. Het bereik is max−min\text{max} - \text{min}max−min: de totale breedte van de data. De kwartielafstand (interkwartielafstand, IQR) is IQR=Q3−Q1\text{IQR} = Q_3 - Q_1IQR=Q3​−Q1​: de breedte van de doos, oftewel de spreiding van de middelste 50%. De IQR is robuust — hij wordt niet beïnvloed door een paar extreme waarden aan de uiteinden — terwijl het bereik daar juist heel gevoelig voor is. Voor klas A (Afb. 1) is de vijf-getallensamenvatting 3, 5, 6, 8, 10, dus bereik 10−3=710 - 3 = 710−3=7 en IQR 8−5=38 - 5 = 38−5=3. Voor klas B is die 5, 6, 7, 8, 9, dus bereik 9−5=49 - 5 = 49−5=4 en IQR 8−6=28 - 6 = 28−6=2. Klas B heeft een hogere mediaan (7 tegen 6) én minder spreiding (kleinere IQR en kleiner bereik): klas B scoorde gemiddeld hoger en gelijkmatiger.
Extreme waarnemingen die ver van de rest liggen heten uitschieters. Een veelgebruikte afspraak noemt een waarde een uitschieter als die meer dan 1,5×IQR1{,}5 \times \text{IQR}1,5×IQR onder Q1Q_1Q1​ of boven Q3Q_3Q3​ ligt, dus buiten de grenzen Q1−1,5×IQRQ_1 - 1{,}5 \times \text{IQR}Q1​−1,5×IQR en Q3+1,5×IQRQ_3 + 1{,}5 \times \text{IQR}Q3​+1,5×IQR. In een boxplot met uitschieters teken je zo'n waarde als los punt; de snor stopt dan bij de verste waarneming die nog binnen de grens valt. Afb. 2 toont de reistijden naar het werk: met Q1=24Q_1 = 24Q1​=24 en Q3=33Q_3 = 33Q3​=33 is IQR=9\text{IQR} = 9IQR=9, dus de bovengrens is 33+1,5×9=46,533 + 1{,}5 \times 9 = 46{,}533+1,5×9=46,5. De reistijd van 60 minuten ligt daarboven en is dus een uitschieter (los getekend); de snor loopt tot 35, de grootste gewone waarde. Uitschieters kunnen wijzen op meetfouten, maar ook op echte bijzondere gevallen — gooi ze nooit zomaar weg, maar benoem ze.
Ook de vorm van een verdeling lees je uit een boxplot. Ligt de mediaanstreep midden in de doos en zijn de snorren even lang, dan is de verdeling ongeveer symmetrisch. Zit de mediaan links in de doos en is de rechtersnor langer, dan is de verdeling scheef naar rechts; andersom scheef naar links. Juist voor het vergelijken van twee of meer groepen is de boxplot ideaal: door de boxplots onder elkaar op dezelfde as te tekenen (Afb. 1) vergelijk je in één oogopslag de ligging (via de medianen), de spreiding (via de doosbreedtes en de bereiken) en de vorm. Daarom vraagt het examen vaak om een conclusie: welke groep scoort hoger, welke is homogener? Baseer zo'n conclusie altijd op de kengetallen die je aflas — de mediaan voor het centrum, de IQR en het bereik voor de spreiding — en niet op een losse indruk.
bereik=max−min\text{bereik} = \text{max} - \text{min}bereik=max−min

Bereik (spreidingsbreedte)

Het verschil tussen de grootste en de kleinste waarneming; gevoelig voor uitschieters.

IQR=Q3−Q1\text{IQR} = Q_3 - Q_1IQR=Q3​−Q1​

Kwartielafstand (IQR)

De breedte van de doos: de spreiding van de middelste 50% van de data; robuust tegen uitschieters.

Q1−1,5×IQRenQ3+1,5×IQRQ_1 - 1{,}5 \times \text{IQR} \quad \text{en} \quad Q_3 + 1{,}5 \times \text{IQR}Q1​−1,5×IQRenQ3​+1,5×IQR

Grenzen voor uitschieters

Een waarneming buiten deze twee grenzen geldt als uitschieter en wordt in de boxplot als los punt getekend.

Boxplot met een uitschieter: reistijd

Reistijd naar het werk (n = 11)Boxplot, Gegevens: reistijd (min): min 20, Q1 24, Md 28, Q3 33, max 35202530354045505560reistijd (m…
Afb. 10Reistijd naar het werk (in minuten) van 11 personen. Vijf-getallensamenvatting: minimum 20, Q1 24, mediaan 28, Q3 33; de snor loopt tot 35. De reistijd van 60 minuten ligt boven Q3 + 1,5 × IQR = 46,5 en is een uitschieter (los getekend).
Uitgewerkt voorbeeld

De vijf-getallensamenvatting bepalen

Bepaal de vijf-getallensamenvatting van deze 15 scores: 14, 9, 20, 12, 7, 18, 11, 16, 9, 22, 13, 8, 17, 15, 10. Bereken ook het bereik en de kwartielafstand.

  1. 01Zet de data op volgorde

    Gesorteerd: 7, 8, 9, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20, 22. Het minimum is 7, het maximum is 22.

  2. 02Bepaal de mediaan

    Er zijn 15 waarnemingen (oneven), dus de mediaan is de middelste: de 8e waarde. Dat is 13.

  3. 03Bepaal Q1 en Q3

    De onderste helft (de 7 waarden vóór de mediaan) is 7, 8, 9, 9, 10, 11, 12; de middelste daarvan is 9, dus Q1 = 9. De bovenste helft is 14, 15, 16, 17, 18, 20, 22; de middelste is 17, dus Q3 = 17.

  4. 04Bereik en kwartielafstand

    Bereik = max − min = 22 − 7 = 15. Kwartielafstand = Q3 − Q1 = 17 − 9 = 8.

    IQR=Q3−Q1=17−9=8\text{IQR} = Q_3 - Q_1 = 17 - 9 = 8IQR=Q3​−Q1​=17−9=8

Resultaat: Vijf-getallensamenvatting: minimum 7, Q1 9, mediaan 13, Q3 17, maximum 22. Het bereik is 15 en de kwartielafstand is 8. Hiermee teken je meteen de boxplot: een doos van 9 tot 17 met een streep bij 13 en snorren naar 7 en 22.

Uitgewerkt voorbeeld

Twee boxplots aflezen en vergelijken

Gebruik de boxplots van klas A en klas B uit Afb. 1. a) Lees de vijf-getallensamenvatting van beide klassen af. b) Bereken voor elke klas het bereik en de kwartielafstand. c) Welke klas scoorde hoger en welke klas was gelijkmatiger? Licht toe.

  1. 01a) Aflezen

    Klas A: minimum 3, Q1 5, mediaan 6, Q3 8, maximum 10. Klas B: minimum 5, Q1 6, mediaan 7, Q3 8, maximum 9.

  2. 02b) Spreiding klas A

    Bereik A = 10 − 3 = 7. Kwartielafstand A = 8 − 5 = 3.

  3. 03b) Spreiding klas B

    Bereik B = 9 − 5 = 4. Kwartielafstand B = 8 − 6 = 2.

  4. 04c) Vergelijk het centrum

    De mediaan van klas B (7) is hoger dan die van klas A (6), en de hele doos van B ligt hoger. Dus klas B scoorde gemiddeld hoger.

  5. 05c) Vergelijk de spreiding

    Klas B heeft een kleinere kwartielafstand (2 tegen 3) en een kleiner bereik (4 tegen 7). De cijfers van klas B liggen dus dichter bij elkaar: klas B was gelijkmatiger.

Resultaat: Klas B scoorde zowel hoger (mediaan 7 tegen 6) als gelijkmatiger (kwartielafstand 2 en bereik 4, tegen 3 en 7 bij klas A). Klas A kende meer spreiding, met zowel het laagste (3) als het hoogste (10) cijfer.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vijf-getallensamenvatting (minimum, Q1, mediaan, Q3, maximum) uit ruwe data bepalen en er een boxplot bij tekenen.
  • Examendoel: een boxplot aflezen — de vijf getallen, het bereik en de kwartielafstand — en uitschieters herkennen met de 1,5 × IQR-regel.
  • Examendoel: twee of meer verdelingen met boxplots vergelijken en een onderbouwde conclusie geven over ligging en spreiding.

Veelgemaakte fouten

  • De mediaan bepalen zonder de data eerst te sorteren. Zet altijd eerst alle waarnemingen op volgorde; anders klopt de „middelste" waarde niet.
  • Q1 en Q3 met het gemiddelde verwarren, of de kwartielafstand als Q3 + Q1 uitrekenen in plaats van Q3 − Q1.
  • Denken dat een korte snor of doos „weinig data" betekent. Elk deel van een boxplot bevat ongeveer een kwart van de waarnemingen; de lengte toont de spreiding, niet het aantal.

Actieve herhaling

Van twee webshops is de bezorgtijd (in dagen) gemeten. Webshop P: 1, 2, 2, 3, 3, 4, 4, 5, 5, 6, 7. Webshop Q: 1, 2, 2, 3, 3, 3, 4, 4, 4, 5, 5. Bepaal voor beide de vijf-getallensamenvatting, teken de boxplots boven elkaar op dezelfde as en beoordeel welke webshop sneller en betrouwbaarder bezorgt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Frequentietabellen en frequenties○
    • 02Staaf-, cirkel- en lijndiagrammen◐
    • 03Histogram en klassenindeling◐
    • 04Boxplot en het vergelijken van verdelingen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Visualisatie van data en grafische weergaven

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~27
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — wiskunde A (VWO)

Vorig onderwerp

Probleemstelling en onderzoeksontwerp

Volgend onderwerp

Kwantificering: centrum- en spreidingsmaten

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.