EuraStudy
Samenvattingen/Textiele vormgeving/Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)
Samenvattingen · Textiele vormgevingNL · VWO

Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)

Dit onderwerp hoort bij het schoolexamen (SE) en behandelt het technische hart van de textiele praktijk: hoe je textiel maakt en kleurt. Je leert de grondbeginselen van het weven (schering en inslag) en de drie grondbindingen (platbinding, keper, satijn), de belangrijkste vlak- en draadtechnieken (vilten, breien, borduren, macramé, applicatie), en de manieren om textiel te kleuren: verven, reservetechnieken als batik en shibori, en zeefdruk. Ten slotte leer je vezels en materialen kiezen op grond van hun eigenschappen. Deze technieken zijn SE-stof, geen CE-stof, maar de beeldaspecten (kleur, structuur, patroon, materiaal) die je hier leert beheersen, komen op het CE terug in de analyse.

3 Onderdelen·~12 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·121212 / 14
Examenprofiel
SE-praktijk: textiel werk maken met technieken als weven, breien, vilten, borduren, knopen (macramé) en applicatie.Textiel kleuren: verven, reserve (batik, shibori) en zeefdruk correct uitvoeren.Vezels en materialen doelgericht kiezen op grond van hun eigenschappen.De textiele middelen (draad, garen, vlak, kleur, structuur, patroon) inzetten om een beeldend probleem op te lossen.
Operatoren:weefkiesvoer uitonderzoekconstrueerverantwoord

basisniveau

Voor iedereen: de grondbindingen en de belangrijkste vlak-, draad- en kleurtechnieken kennen en correct uitvoeren. Dit is SE-stof, geen CE-stof.

verhoogd niveau

Verdieping: techniek, binding en materiaal bewust combineren en op een beeldend probleem afstemmen, en de keuzes onderbouwen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)
    • 01Weven en de grondbindingen: schering, inslag, platbinding, keper en satijn○
    • 02Vlak- en draadtechnieken: vilten, breien, borduren, macramé en applicatie◐
    • 03Kleur op textiel: verven, reserve, zeefdruk; vezels en materialen◐
§ 01

Weven en de grondbindingen: schering, inslag, platbinding, keper en satijn#

●○○BasisLPexamenblad-textiele-vormgeving-praktijk-technieken-SE

Kernpunten

Weven is het kruisen van twee draadstelsels. De kettingdraden (de schering) lopen in de lengte, strak opgespannen op het weefgetouw; de inslagdraad (de inslag) wordt daar dwars doorheen gevoerd, telkens afwisselend over en onder de kettingdraden. De manier waarop inslag en schering elkaar kruisen heet de binding, en die bepaalt de structuur, sterkte en het aanzien van het weefsel. Er zijn drie grondbindingen waaruit alle andere zijn afgeleid: de platbinding, de keperbinding en de satijnbinding. Afb. 1 toont ze als raster, waarbij een gevulde ruit betekent dat op dat kruispunt de kettingdraad bovenligt.

De drie grondbindingen als raster

platbindingkepersatijn
Afb. 1Afb. 1 — De drie grondbindingen (een gevuld hokje = kettingdraad boven): platbinding (dambord), keper (diagonaal) en satijn (verspreide bindpunten, lange draadsprongen).
De platbinding (linnenbinding) is de eenvoudigste en stevigste: de inslag gaat om en om over en onder elke kettingdraad, zodat een dicht, gelijkmatig dambordpatroon ontstaat. Beide zijden zien er hetzelfde uit en het weefsel is sterk en stabiel, maar relatief stug. Veel gebruikstextiel (katoen, linnen) is in platbinding geweven. Doordat schering en inslag even veel zichtbaar zijn, is de platbinding ideaal wanneer je het garen zelf of een tweekleurig blok- of streeppatroon wilt laten spreken.
De keperbinding laat de inslag telkens één kettingdraad opschuiven ten opzichte van de vorige, waardoor schuine ribbels ontstaan: het karakteristieke diagonale patroon dat je van spijkerstof (denim) en visgraat kent. Keper is soepeler en dichter dan platbinding en valt mooier. De satijnbinding, ten slotte, laat de draden over lange afstand „zweven" (lange draadsprongen of floats) met slechts hier en daar een bindpunt, zodat één draadstelsel het oppervlak overheerst. Daardoor is satijn glad en glanzend — het weerkaatst het licht — maar ook kwetsbaarder, omdat de lange sprongen kunnen blijven haken.
De keuze van de binding is dus een beeldende én functionele beslissing: platbinding voor stevigheid en een egaal vlak, keper voor soepelheid en een diagonale structuur, satijn voor glans en een verzadigde kleur. Op het schoolexamen laat je zien dat je de grondbindingen herkent, kunt tekenen (als patroon of op ruitjespapier) en kunt weven, en dat je een binding kiest die past bij het materiaal en het gewenste effect. De binding bepaalt namelijk direct de beeldaspecten structuur, textuur en glans die je op het CE weer leert analyseren.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste binding kiezen

Je wilt een glanzend, soepel vallend sjaaltje weven waarin een diepe, verzadigde kleur maximaal tot zijn recht komt. Welke binding kies je en waarom?

  1. 01Eis bepalen

    Glans en een soepele val zijn gewenst, en de kleur moet verzadigd ogen.

  2. 02Bindingen afwegen

    Platbinding is stevig maar mat en stug; keper is soepel maar diagonaal gestructureerd; satijn is glad en glanzend.

  3. 03Keuze

    Satijnbinding: de lange draadsprongen geven een glad, glanzend oppervlak dat het licht egaal weerkaatst en de kleur verzadigd laat spreken.

  4. 04Materiaal afstemmen

    Combineer de satijnbinding met een glanzend garen (zijde of viscose) en houd rekening met de kwetsbaarheid van de lange sprongen.

Resultaat: Voor glans, soepele val en verzadigde kleur is de satijnbinding (met glanzend garen) de juiste keuze; de lange draadsprongen maken het oppervlak glad en lichtweerkaatsend.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de drie grondbindingen (platbinding, keper, satijn) herkennen, tekenen en weven, en het verschil in structuur, sterkte en glans benoemen.
  • Examendoel (SE): een binding kiezen die past bij het materiaal en het beoogde effect, en die keuze verantwoorden.

Veelgemaakte fouten

  • Schering en inslag verwisselen: de schering (ketting) staat in de lengte opgespannen, de inslag gaat er dwars doorheen.
  • Denken dat de glans van satijn uit het materiaal alleen komt; ze ontstaat door de lange draadsprongen van de binding, die het licht egaal weerkaatsen.

Actieve herhaling

Teken de drie grondbindingen op ruitjespapier (een gevuld hokje = kettingdraad boven), zoals in Afb. 1. Weef daarna een klein proeflapje in elke binding en beschrijf per binding het verschil in structuur, val en glans.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — textiele technieken: weven (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Vlak- en draadtechnieken: vilten, breien, borduren, macramé en applicatie#

●●○StandaardLPexamenblad-textiele-vormgeving-praktijk-technieken-SE

Kernpunten

Naast het weven is er een breed repertoire aan textiele technieken, elk met een eigen structuur en mogelijkheden. Afb. 2 zet de belangrijkste op een rij met hun principe en effect. Ze vallen grofweg uiteen in draadtechnieken (die met één of enkele draden werken, zoals breien, haken en knopen) en vlaktechnieken (die op of van een vlak werken, zoals borduren, applicatie en vilten). Wie de technieken en hun structuur kent, kan gericht kiezen welke het beste bij een beeldend idee past.

Textiele vlak- en draadtechnieken

Tabel met 3 kolommen en 6 rijen, gemarkeerde cel: viltenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: techniek · principe · structuur / effect; weven · twee kruisende draadstelsels · stabiel vlak; binding bepaalt aanzien; breien / haken · lussen (steken) uit één draad · elastisch, rekbaar weefsel; knopen / macramé · draden in patronen knopen · open, reliëfrijke structuur; vilten · wolvezels verwarren (nat of naald) · dicht, niet-geweven, vrij vormbaar; borduren · steken op een geweven grond · lijn, vlak en reliëf toevoegen; applicatie · stukken stof op een grond naaien · kleurvlakken, textielcollage, gemarkeerde cel: viltenTECHNIEKPRINCIPESTRUCTUUR / EFFECTweventwee kruisende draadstelselsstabiel vlak; bindingbepaalt aanzienbreien / hakenlussen (steken) uit ééndraadelastisch, rekbaar weefselknopen / macramédraden in patronen knopenopen, reliëfrijke structuurviltenwolvezels verwarren (nat ofnaald)dicht, niet-geweven, vrijvormbaarbordurensteken op een geweven grondlijn, vlak en reliëftoevoegenapplicatiestukken stof op een grondnaaienkleurvlakken, textielcollage
Afb. 2Afb. 2 — De belangrijkste textiele technieken met hun principe en de structuur die ze opleveren.
Breien en haken bouwen een elastisch weefsel op uit lussen (steken) van één doorlopende draad; het resultaat rekt en is daarom geschikt voor kleding die met het lichaam meebeweegt. Knopen — waarvan macramé de decoratieve vorm is — verbindt draden door ze in patronen te knopen, wat een open, reliëfrijke structuur geeft (denk aan plantenhangers en wandkleden). Deze technieken hebben geen getouw of grond nodig: de draad vormt zelf het vlak, en hun structuur (rekbaar, open, geknoopt) is meteen een sterk beeldaspect.
Vilten is de enige textieltechniek die geen draad of steek gebruikt: losse wolvezels worden door warmte, vocht en wrijving (natvilten) of door prikken met een naald (naaldvilten) tot een dicht, stevig, niet-geweven vlak verward. Vilt kan plat of ruimtelijk (naadloos hol) worden gevormd en heeft een warme, dichte, enigszins ruwe structuur. Het is een van de oudste textieltechnieken en leent zich goed voor zowel gebruiks- als autonoom werk, juist omdat je er vrije, ronde vormen mee kunt maken.
Borduren en applicatie werken op een bestaande grond. Bij borduren breng je met naald en draad steken op een geweven stof aan, waarmee je lijnen, vlakken, motieven en reliëf kunt maken — van een fijne contour tot een dicht, verhoogd oppervlak. Bij applicatie naai of lijm je stukken stof op een grondstof, zodat je met kleurvlakken werkt als met een collage. Beide technieken voegen kleur, textuur en reliëf toe aan een bestaand vlak. Op het schoolexamen kies en beheers je de techniek die bij je idee past, en verantwoord je hoe de structuur van die techniek (elastisch, open, dicht, reliëfrijk) bijdraagt aan het beeldende resultaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Techniek bij idee kiezen

Je wilt een zacht, warm, naadloos hol object maken met ronde, vrije vormen en een dichte, enigszins ruwe structuur. Welke techniek past het best?

  1. 01Eisen lezen

    Naadloos hol, vrije ronde vormen, dicht en warm, ruwe structuur.

  2. 02Technieken afwegen

    Weven en breien maken vlakken die je moet samenvoegen; macramé is open; borduren werkt op een grond.

  3. 03Keuze

    Vilten: door wolvezels rond een vorm te verwarren kun je een naadloos, hol, dicht object met ronde vormen maken.

  4. 04Verantwoorden

    De dichte, warme, ruwe viltstructuur past bij de gewenste uitstraling, en vilt laat vrije, naadloze vormgeving toe.

Resultaat: Vilten is de juiste keuze: het maakt naadloze, vrije, holle vormen met een dichte, warme structuur — precies wat het idee vraagt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de belangrijkste vlak- en draadtechnieken (vilten, breien, haken, borduren, macramé, applicatie) herkennen en hun structuur en principe benoemen.
  • Examendoel (SE): een techniek kiezen die past bij het beeldende idee en de gewenste structuur, en de keuze uitvoeren en verantwoorden.

Veelgemaakte fouten

  • Vilten als een weeftechniek zien; vilt is niet-geweven en gebruikt geen draad of steek, maar verwarde vezels.
  • Breien en weven verwarren; breien maakt een elastisch lussenweefsel uit één draad, weven een stabiel weefsel uit twee kruisende draadstelsels.

Actieve herhaling

Kies een klein beeldend idee (bijvoorbeeld een reliëfrijk wandobject) en bepaal met behulp van Afb. 2 welke techniek(en) er het best bij passen. Voer een proefje uit en verantwoord hoe de structuur van de gekozen techniek bijdraagt aan het effect.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — textiele technieken: vlak en draad (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Kleur op textiel: verven, reserve, zeefdruk; vezels en materialen#

●●○StandaardLPexamenblad-textiele-vormgeving-praktijk-technieken-SE

Kernpunten

Kleur breng je op textiel op twee hoofdmanieren aan: door de vezel te verven (de kleur dringt in de draad) of door te bedrukken (de kleur ligt als patroon op het oppervlak). Bij het verven dompel je garen of stof in een kleurstofbad; verf je het garen vóór het weven, dan kun je bonte, gemengde kleureffecten weven (optische menging). De felheid en de vastheid van de kleur hangen af van de kleurstof en van de vezel: niet elke vezel neemt elke kleurstof even goed op, iets waar je bij het kiezen van materiaal en verf rekening mee houdt.
Een rijke groep zijn de reservetechnieken: je dekt bewust delen van de stof af, zodat die de kleur níét opnemen en licht blijven. Afb. 3 toont het principe. Bij batik breng je met vloeibare was een patroon aan; de gewaxte delen weren de verf, en na het verven en uitkoken van de was blijft daar de oorspronkelijke kleur staan (de kenmerkende barstjes ontstaan doordat verf in gebroken was dringt). Bij shibori bereik je hetzelfde door de stof te binden, plooien, vouwen of afknijpen vóór het verven: waar de stof is samengeperst, komt de verf niet, wat grillige, organische patronen geeft. Beide zijn reserve: het patroon ontstaat door wat je afdékt, niet door wat je aanbrengt.

Het reserveprincipe (batik en shibori)

was / bindingreserve aangebrachtblijft lichtna het verven
Afb. 3Afb. 3 — Het reserveprincipe: waar de stof is afgedekt (was bij batik, binding bij shibori) neemt ze de verf niet op en blijft ze licht.
Naast reserve is er het directe drukken, waarvan de zeefdruk de belangrijkste is. Bij zeefdruk pers je verf door een fijngeweven zeef waarin een deel is afgedekt (de sjabloon); alleen door de open delen komt de verf op de stof, zodat je een scherp, herhaalbaar patroon krijgt. Zeefdruk is ideaal voor strakke, egale kleurvlakken en voor herhaling (denk aan de pop art van Warhol, maar ook aan bedrukte T-shirts en dessins). Ook blokdruk (met een gesneden stempel) en de moderne digitale textieldruk horen hierbij. Elke druktechniek heeft een eigen karakter: reserve is grillig en ambachtelijk, zeefdruk strak en herhaalbaar.
De basis onder dit alles is de vezel. Afb. 4 groepeert de vezels en hun eigenschappen. Dierlijke vezels (wol, zijde) zijn eiwitvezels: wol is warm, veerkrachtig en mat, zijde sterk, glad en glanzend. Plantaardige vezels (katoen, linnen) zijn cellulosevezels: katoen zacht en absorberend, linnen sterk en koel. Synthetische vezels (polyester, nylon, acryl) zijn uit aardolie gemaakt: sterk, kreukherstellend en goedkoop, maar minder ademend. Elke vezel heeft een eigen val, glans, structuur, kleuropname en sterkte. Op het schoolexamen kies en verantwoord je materiaal, techniek en kleurmethode in samenhang, want ze bepalen samen het beeldende én functionele resultaat.

Vezels en hun eigenschappen

Tabel met 3 kolommen en 3 rijen, gemarkeerde cel: dierlijk (eiwit)Tabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: groep · voorbeelden · eigenschappen; dierlijk (eiwit) · wol, zijde · wol: warm, veerkrachtig, mat; zijde: sterk, glad, glanzend; plantaardig (cellulose) · katoen, linnen · katoen: zacht, absorberend; linnen: sterk, koel; synthetisch · polyester, nylon, acryl · sterk, kreukherstellend, goedkoop, minder ademend, gemarkeerde cel: dierlijk (eiwit)GROEPVOORBEELDENEIGENSCHAPPENdierlijk (eiwit)wol, zijdewol: warm, veerkrachtig,mat; zijde: sterk, glad,glanzendplantaardig (cellulose)katoen, linnenkatoen: zacht, absorberend;linnen: sterk, koelsynthetischpolyester, nylon, acrylsterk, kreukherstellend,goedkoop, minder ademend
Afb. 4Afb. 4 — De vezelgroepen en hun eigenschappen; ze bepalen val, glans, structuur, kleuropname en sterkte.
Uitgewerkt voorbeeld

Een reservepatroon verklaren

Je bindt een katoenen lap op verschillende plekken strak af met touw, dompelt hem in een blauw verfbad en maakt hem daarna los. Er verschijnen grillige lichte cirkels en lijnen. Verklaar het resultaat en benoem de techniek.

  1. 01Techniek benoemen

    Het afbinden vóór het verven is een reservetechniek: shibori (bind-reserve).

  2. 02Principe

    Waar het touw de stof strak samenperst, kan de verf niet doordringen; die plekken blijven licht.

  3. 03Patroon verklaren

    De grillige lichte cirkels en lijnen komen precies overeen met de plekken waar de stof gebonden en geplooid was.

  4. 04Reserve begrijpen

    Het patroon ontstaat door wat je afdekt (bindt), niet door wat je aanbrengt — het omgekeerde van drukken.

Resultaat: Het is shibori: de lichte, grillige patronen zijn de gereserveerde (afgebonden) delen die de blauwe verf niet opnamen — het reserveprincipe in werking.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de reservetechnieken (batik, shibori) en de druktechniek zeefdruk in principe en uitvoering kennen en toepassen.
  • Examendoel (SE): vezels (dierlijk, plantaardig, synthetisch) en hun eigenschappen kennen en materiaal, techniek en kleurmethode op elkaar afstemmen.

Veelgemaakte fouten

  • Reservetechnieken omgekeerd begrijpen: bij batik en shibori ontstaat het patroon door de afgedekte (gewaxte of gebonden) delen die de verf níét opnemen.
  • Vezel en garen verwarren met binding of techniek; de vezel is het grondmateriaal, dat je nog moet spinnen, weven of bewerken.

Actieve herhaling

Voer een reserveproef uit: dek met was (batik) of door binden (shibori) delen van een katoenen lapje af, verf het en bekijk het resultaat (Afb. 3). Beschrijf welk patroon ontstond en verklaar dat vanuit het reserveprincipe; noteer welke vezel je koos en waarom (Afb. 4).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — kleur op textiel en vezels (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Weven en de grondbindingen: schering, inslag, platbinding, keper en satijn○
    • 02Vlak- en draadtechnieken: vilten, breien, borduren, macramé en applicatie◐
    • 03Kleur op textiel: verven, reserve, zeefdruk; vezels en materialen◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~12
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma beeldende vakken vwo — textiele technieken: weven

Vorig onderwerp

Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving

Volgend onderwerp

Praktijk: textiel- en modeontwerp, materiaalonderzoek

EuraStudy·Samenvattingen T·12·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.