EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen
Samenvattingen · NederlandsNL · VWO

Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen

Literatuurgeschiedenis plaatst werken in hun tijd: je kent de grote perioden en stromingen van de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen tot heden en herkent hun kenmerken. Dit onderwerp voert je langs Middeleeuwen en Renaissance, Verlichting en Romantiek, Realisme, Naturalisme en de Tachtigers, en de twintigste eeuw. Literatuurgeschiedenis hoort nadrukkelijk tot de VWO-stof van domein E en wordt in het schoolexamen (SE) getoetst, niet in het centraal examen.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·141414 / 14
Examenprofiel
De grote perioden en stromingen van de Nederlandse literatuur benoemen en daterenKenmerken van een stroming herkennen in een tekstfragment en met de tijdgeest verbindenEen werk in zijn literair-historische en maatschappelijke context plaatsen
Operatoren:plaats in de tijdwelke stromingnoem kenmerkenleg uitvergelijk

basisniveau

Literatuurgeschiedenis is nadrukkelijk VWO-stof binnen domein E en wordt in het schoolexamen getoetst; het is geen onderdeel van het CE.

verhoogd niveau

Op het VWO verbind je de stromingen met de werken van je leeslijst: je plaatst je gelezen boeken in hun periode en herkent de stromingskenmerken erin.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen
    • 01Middeleeuwen en Renaissance○
    • 02Verlichting en Romantiek◐
    • 03Realisme, Naturalisme en de Tachtigers◐
    • 04De twintigste eeuw: modernisme, oorlog en postmodernisme●
§ 01

Middeleeuwen en Renaissance#

●○○BasisLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-E

Kernpunten

De Nederlandse literatuurgeschiedenis laat zich indelen in grote perioden, weergegeven op de tijdlijn in Afb. 1. De vroegste is de Middeleeuwen (ruwweg 1100–1500). De literatuur is er aanvankelijk mondeling en later handgeschreven, en het wereldbeeld is godsdienstig en op God gericht: de mens staat in dienst van een hogere orde. Auteurs blijven vaak anoniem, want oorspronkelijkheid gold niet als waarde. Kenmerkende genres zijn de hoofse ridderroman (bijvoorbeeld Karel ende Elegast en de Arturromans), de geestelijke literatuur (het Marialegende-verhaal Beatrijs), de didactische literatuur van Jacob van Maerlant, en het satirische dierenepos Van den vos Reynaerde, dat de standen op de hak neemt.

Afb. 1 — Tijdlijn van de Nederlandse literaire stromingen

Nederlandse literaire stromingenGetallenlijn, Middeleeuwen, Renaissance / Gouden Eeuw, Verlichting, Romantiek, Realisme & Tachtigers, Modernisme, Naoorlogs / postmodern12001400160018002000MiddeleeuwenRenaissance /Gouden EeuwVerlichtingRomantiekRealisme &TachtigersModernismeNaoorlogs /postmodern
Afb. 1De grote perioden van de Nederlandse literatuur van de Middeleeuwen tot heden. De stromingen volgen elkaar op als reacties op elkaar en op de tijdgeest; gebruik deze tijdlijn als vast oriëntatiepunt.
Aan het einde van de Middeleeuwen komen twee ontwikkelingen op die het beeld kleuren. De rederijkers — leden van stedelijke rederijkerskamers — beoefenen de dichtkunst als ambacht, met wedstrijden en strikte vormregels. En in genres als het mirakelspel Mariken van Nieumeghen en de moraliteit Elckerlijc (over de mens die voor Gods rechterstoel verantwoording aflegt) klinkt nog het middeleeuwse, religieuze wereldbeeld door, terwijl de vorm al verfijnder wordt. Deze late-middeleeuwse teksten vormen de brug naar de volgende periode, waarin een heel ander mensbeeld doorbreekt.
De Renaissance (in de Nederlanden vooral de zestiende en zeventiende eeuw) betekent letterlijk „wedergeboorte”: de herontdekking van de klassieke oudheid. Het wereldbeeld verschuift van God naar de mens — het humanisme stelt de mens, zijn rede en zijn mogelijkheden centraal, en oorspronkelijkheid en roem worden nu wél nagestreefd. Auteurs putten uit Griekse en Romeinse voorbeelden en voeren nieuwe vormen in, zoals het sonnet. De zeventiende eeuw is tegelijk de Gouden Eeuw, een bloeitijd van welvaart en cultuur waarin de literatuur hoge toppen bereikt.
De Gouden Eeuw kent grote namen die je moet kunnen plaatsen. P.C. Hooft schrijft verfijnde liefdeslyriek en geschiedschrijving; Joost van den Vondel geldt als de grootste dichter-dramaturg, met klassiek gebouwde treurspelen als Gysbreght van Aemstel; Bredero brengt met zijn kluchten en de Spaanschen Brabander het volkse Amsterdamse leven op het toneel; en Constantijn Huygens en Jacob Cats vertegenwoordigen de geleerde respectievelijk de moraliserend-huiselijke poëzie. In deze eeuw verschijnt ook de Statenbijbel (1637), die grote invloed had op de vorming van een eenheidstaal. Het toneel volgt klassieke regels; de literatuur is geleerd, vormbewust en zelfbewust.
Om een fragment aan een van deze perioden toe te wijzen, let je op wereldbeeld, vorm en onderwerp. Een anoniem, religieus getint verhaal met ridders of heiligen wijst naar de Middeleeuwen; een vormvast, aan de klassieke oudheid ontleend en op de mens gericht werk naar de Renaissance. Deze historische plaatsing is precies wat het VWO vraagt: je moet niet alleen de perioden kennen, maar de kenmerken ervan in een concrete tekst herkennen en verbinden met de tijdgeest. De tijdlijn is daarbij je vaste oriëntatiepunt; de volgende secties vullen haar verder in.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment historisch plaatsen

Een tekstfragment is een anoniem, berijmd verhaal waarin een non het klooster verlaat en na een zondig leven door de ingrijpende genade van Maria wordt gered. Tot welke periode behoort het, en waaraan zie je dat?

  1. 01Het wereldbeeld herkennen

    Het verhaal draait om zonde, genade en de tussenkomst van Maria: een godsdienstig, op verlossing gericht wereldbeeld.

  2. 02Vorm en auteurschap wegen

    Het is anoniem en berijmd, met een heilige als spil — kenmerken van de geestelijke middeleeuwse literatuur.

  3. 03De periode bepalen

    Religieus wereldbeeld + anonimiteit + Marialegende plaatsen het in de Middeleeuwen (het is het type verhaal van Beatrijs).

Resultaat: Het fragment hoort tot de Middeleeuwen: het religieuze verlossingsthema, de anonimiteit en de Marialegende zijn kenmerken van de geestelijke middeleeuwse literatuur.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de Middeleeuwen en de Renaissance dateren en hun wereldbeeld (godgericht respectievelijk mensgericht/humanistisch) benoemen.
  • Examendoel (SE): kenmerken en kernwerken van beide perioden in een fragment herkennen (anoniem/religieus versus klassiek/vormbewust).

Veelgemaakte fouten

  • De Renaissance en de Gouden Eeuw als twee losse perioden zien. De Gouden Eeuw is de zeventiende-eeuwse bloeitijd binnen de Nederlandse Renaissance.
  • Anonimiteit als slordigheid uitleggen. In de Middeleeuwen gold oorspronkelijkheid niet als waarde; de auteur trad bewust terug.

Actieve herhaling

Plaats vijf kernwerken (bijvoorbeeld Van den vos Reynaerde, Beatrijs, Elckerlijc, Gysbreght van Aemstel en een sonnet van Hooft) op de tijdlijn en benoem per werk twee kenmerken die de periode verraden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 02

Verlichting en Romantiek#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-E

Kernpunten

De achttiende eeuw staat in het teken van de Verlichting, een beweging die de rede tot maatstaf van alles verheft. Verstand, kritisch denken, tolerantie en vooruitgang zijn de kernwaarden; bijgeloof, willekeurig gezag en onwetendheid worden bestreden. Afb. 2 zet de Verlichting tegenover de Romantiek die erop volgt, want de twee zijn elkaars tegenpool. In de literatuur uit de Verlichting zich in een didactische, moraliserende en beschouwende toon. Kenmerkend zijn de spectatoriale geschriften (tijdschriften die de lezer opvoeden, naar Engels voorbeeld) en de opkomst van de roman: Betje Wolff en Aagje Deken schreven met Sara Burgerhart (1782) een deugdzame, opvoedende briefroman.

Afb. 2 — Verlichting tegenover Romantiek

Verlichting en RomantiekBoomdiagram, 2 paden, Gegevens: Verlichting → rede, orde, nut; Romantiek → gevoel, verbeelding, natuurVerlichtingRomantiekVerlichting ↔ Romantiekrede, orde, nutgevoel, verbeelding, natuur
Afb. 2De Romantiek is een reactie op de Verlichting: waar de Verlichting de rede vooropstelt, kiest de Romantiek voor het gevoel. Deze tegenstelling is het kompas bij het plaatsen van een fragment.
De Romantiek (het einde van de achttiende en de negentiende eeuw) is een reactie op de kille redelijkheid van de Verlichting. Nu staan juist het gevoel, de verbeelding, het individu en de natuur centraal. De romanticus verlangt naar het verhevene en het oneindige, koestert een zwaarmoedig levensgevoel (weltschmerz), en idealiseert het verleden — met name de Middeleeuwen, die nu als kleurrijk en heroïsch worden herontdekt. Waar de verlichtingsdenker de wereld wil ordenen en verbeteren, wil de romanticus haar voelen en verbeelden. Deze omslag van rede naar gevoel is de sleutel om beide stromingen uit elkaar te houden.
In de Nederlandse letteren verloopt de Romantiek milder en later dan in Duitsland of Engeland; men spreekt wel van een getemperde romantiek. Willem Bilderdijk geldt als een romantische, hartstochtelijke dichter; Nicolaas Beets schetst onder het pseudoniem Hildebrand in Camera Obscura (1839) met milde ironie het Nederlandse burgerleven — een werk dat al naar het realisme neigt. De grote uitzondering die de negentiende eeuw openbreekt, is Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker): zijn Max Havelaar (1860), een felle aanklacht tegen het koloniale wanbestuur in Nederlands-Indië, is door zijn vernieuwende vorm en engagement een keerpunt in de Nederlandse literatuur.
De tegenstelling tussen Verlichting en Romantiek herken je in een fragment aan toon en waarden. Een tekst die de lezer met verstand en argumenten wil verbeteren, die helderheid en nut vooropstelt en het bijgeloof hekelt, ademt de Verlichting. Een tekst vol gevoel, verlangen, natuurbeleving, zwaarmoedigheid of verheerlijking van het verleden ademt de Romantiek. Vaak volstaat de vraag: appelleert deze tekst aan mijn verstand of aan mijn gevoel? Dat onderscheid — rede tegenover gevoel — is de kern van Afb. 2 en het handigste kompas bij het plaatsen van een achttiende- of negentiende-eeuws fragment.
Beide stromingen laten zich begrijpen als schakels in een reeks van reacties, en dat inzicht is op het VWO belangrijker dan losse jaartallen. De Verlichting reageert op het gezagsgeloof van voorgaande eeuwen; de Romantiek reageert op de rationaliteit van de Verlichting; en het Realisme, dat volgt, reageert weer op de gevoelsoverdaad van de Romantiek. Literaire stromingen ontstaan zo telkens als tegenbeweging tegen wat eraan voorafging. Wie die pendelbeweging tussen rede en gevoel, tussen orde en vrijheid begrijpt, kan de opeenvolging van stromingen verklaren in plaats van slechts opsommen — precies de historische blik die domein E op het VWO vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Verlichting of Romantiek?

Een gedicht bezingt de eenzame wandelaar die in een woeste bergnatuur zijn tranen de vrije loop laat en verlangt naar een verheven, oneindig gevoel. Tot welke stroming hoort het?

  1. 01De waarden herkennen

    Centraal staan het individuele gevoel, de natuurbeleving, het verlangen naar het verhevene en het oneindige.

  2. 02De toon wegen

    De tekst appelleert aan het gevoel en de verbeelding, niet aan het verstand; van didactiek of nut is geen spoor.

  3. 03De stroming bepalen

    Gevoel, natuur, individu en het verhevene zijn de kernwaarden van de Romantiek.

Resultaat: Het gedicht is romantisch: het eenzame individu, de woeste natuur en het verlangen naar het verhevene en oneindige zijn kenmerkend voor de Romantiek, niet voor de op de rede gerichte Verlichting.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de kernwaarden van de Verlichting (rede, nut, tolerantie) en de Romantiek (gevoel, verbeelding, natuur, verleden) benoemen en tegenover elkaar zetten.
  • Examendoel (SE): een fragment aan een van beide stromingen toewijzen op grond van toon en waarden, en Multatuli's Max Havelaar als keerpunt plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • De Romantiek verwarren met „romantisch” in de zin van liefde. De literaire Romantiek gaat over gevoel, verbeelding, natuur en verleden — een heel levensgevoel, niet romantiek tussen geliefden.
  • Verlichting en Romantiek los van elkaar leren. De Romantiek is juist een reactie op de rationaliteit van de Verlichting; begrijp ze als tegenpolen.

Actieve herhaling

Lees twee negentiende-eeuwse fragmenten, één verlicht-didactisch en één romantisch-gevoelig. Wijs elk aan de juiste stroming toe en onderbouw je keuze met de waarden (rede versus gevoel) die eruit spreken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 03

Realisme, Naturalisme en de Tachtigers#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-E

Kernpunten

Rond het midden van de negentiende eeuw keert de literatuur zich af van de romantische gevoelsoverdaad en zoekt ze de werkelijkheid: het Realisme wil het gewone leven waarheidsgetrouw en objectief weergeven, zonder idealisering. Alledaagse mensen en situaties komen in beeld, nuchter geobserveerd. Uit dit streven groeit tegen het einde van de eeuw het Naturalisme, dat een stap verder gaat: de mens wordt gezien als product van erfelijkheid en milieu. Naar het voorbeeld van de Franse schrijver Émile Zola beschrijft de naturalist de mens haast als een natuurwetenschapper — bepaald door zijn aanleg en omgeving, en daardoor vaak gedoemd. De toon is pessimistisch en deterministisch.
Het Nederlandse Naturalisme heeft in Louis Couperus zijn grootste naam. In Eline Vere (1889) toont hij hoe de overgevoelige, willoze hoofdpersoon te gronde gaat aan haar aanleg en haar verstikkende Haagse milieu — het naturalistische noodlot in optima forma. Ook Marcellus Emants schreef pessimistisch-naturalistisch werk. Kenmerkend voor het Naturalisme zijn de nauwkeurige, bijna wetenschappelijke beschrijving van milieu en psychologie, de neergang van de hoofdpersoon, en de nadruk op onontkoombare krachten. Waar de romanticus zijn gevoel vierde, ontleedt de naturalist de mens als een geval.
Vrijwel gelijktijdig, in de jaren tachtig van de negentiende eeuw, breekt een vernieuwingsbeweging in de poëzie door: de Beweging van Tachtig of de Tachtigers, verzameld rond het tijdschrift De Nieuwe Gids (1885). Zij zetten zich af tegen de brave, moraliserende „domineespoëzie” en verkondigen de kunst om de kunst (l'art pour l'art): de schoonheid is er niet om te stichten, maar om zichzelf. Willem Kloos vatte hun ideaal samen in de beroemde formule dat poëzie „de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie” moet zijn. Herman Gorters lange gedicht Mei (1889) is met zijn zintuiglijke, impressionistische taal het hoogtepunt van de beweging.
Realisme, Naturalisme en de Tachtigers hangen samen maar verschillen in accent, en dat onderscheid wordt getoetst. Realisme en Naturalisme zijn vooral prozastromingen die de werkelijkheid (en bij het Naturalisme haar dwingende wetten) willen tonen; de Tachtigers zijn vooral een poëziebeweging die de individuele, zintuiglijke schoonheidsbeleving vooropstelt. Ze delen de afkeer van de burgerlijke, moraliserende negentiende eeuw, maar het Naturalisme kijkt naar de mens als product van krachten, terwijl de Tachtiger de unieke emotie van het individu viert. Let bij een fragment dus op: gaat het om nuchtere werkelijkheidsweergave (realisme), noodlottige bepaaldheid (naturalisme) of om individuele schoonheidsbeleving (Tachtigers)?
Deze periode markeert de geboorte van de moderne Nederlandse literatuur en toont opnieuw het reactiepatroon. Het Realisme reageert op de Romantiek, het Naturalisme radicaliseert het Realisme, en de Tachtigers reageren op de brave burgermanspoëzie. Bovendien staat aan het begin van deze omwenteling nog Multatuli, wiens Max Havelaar (1860) de vernieuwers inspireerde. Wie deze samenhang overziet, begrijpt hoe de literatuur binnen enkele decennia van romantisch gevoel via nuchtere waarneming naar individuele schoonheidsbeleving schoof — en staat klaar voor de veelvormige twintigste eeuw, het onderwerp van de laatste sectie.
Uitgewerkt voorbeeld

Naturalisme herkennen

In een roman uit 1890 gaat een overgevoelige jonge vrouw langzaam ten onder; de verteller wijt dit uitdrukkelijk aan haar zwakke zenuwgestel én aan het benauwde, deftige milieu waarin zij is opgegroeid. Tot welke stroming hoort dit, en waaraan zie je dat?

  1. 01De verklaring analyseren

    De neergang wordt toegeschreven aan aanleg (zwak zenuwgestel = erfelijkheid) én omgeving (het benauwde milieu).

  2. 02Het patroon herkennen

    Erfelijkheid + milieu die de mens bepalen, plus een onafwendbare neergang, is de kern van het naturalistische determinisme.

  3. 03De stroming en context plaatsen

    Datering (1890) en het thema passen bij het Naturalisme; het roept Couperus' Eline Vere in herinnering.

Resultaat: Het is Naturalisme: de ondergang wordt deterministisch verklaard uit erfelijkheid (aanleg) en milieu, met een pessimistische, onafwendbare neergang — kenmerkend voor werk als Eline Vere (1889).

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): Realisme, Naturalisme en de Tachtigers onderscheiden (nuchtere werkelijkheid, deterministische neergang, individuele schoonheidsbeleving) en dateren.
  • Examendoel (SE): kernwerken en programmapunten plaatsen (Couperus' Eline Vere; De Nieuwe Gids; Kloos' formule; Gorters Mei) en in een fragment herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Realisme en Naturalisme gelijkstellen. Het Naturalisme voegt het determinisme toe: de mens is bepaald door erfelijkheid en milieu en gaat er vaak aan ten onder.
  • De Tachtigers voor een prozastroming aanzien. Het is vooral een poëziebeweging (l'art pour l'art, de individuele emotie) rond De Nieuwe Gids.

Actieve herhaling

Vergelijk een naturalistisch prozafragment met een gedicht van de Tachtigers. Benoem per fragment de stroming en twee kenmerken (determinisme/milieu versus individuele schoonheidsbeleving), en verklaar waartegen elke stroming in opstand kwam.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 04

De twintigste eeuw: modernisme, oorlog en postmodernisme#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-E

Kernpunten

De twintigste eeuw is te veelvormig voor één noemer, maar enkele hoofdlijnen zijn goed te overzien. In het interbellum (tussen de twee wereldoorlogen) breekt het modernisme door: schrijvers experimenteren met vorm en breken met de traditie. Nescio schetst in korte, weemoedige verhalen de mislukking van jeugdidealen; Martinus Nijhoff vernieuwt de poëzie; en de dichters van het expressionisme, zoals de Vlaming Paul van Ostaijen, laten vorm en typografie meespreken. Rond het tijdschrift Forum voeren Menno ter Braak en E. du Perron het beroemde debat „vorm of vent”: telt in de literatuur de kunstige vorm, of de persoonlijkheid (de „vent”) erachter? Zij kozen voor de vent — voor echtheid boven fraaie vorm.
De Tweede Wereldoorlog snijdt diep in de literatuur, en de naoorlogse jaren brengen een grimmige, existentiële toon. Drie schrijvers gaan de geschiedenis in als „de grote drie”: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch. Hermans schetst in De donkere kamer van Damokles (1958) een chaotische, onkenbare werkelijkheid waarin niets zeker is; Reve beschrijft in De avonden (1947) de verveling en leegte van een naoorlogse jongeman; en Mulisch verbindt in romans als De aanslag het individuele lot met de grote geschiedenis. Daarnaast vernieuwen de Vijftigers (met Lucebert voorop) de poëzie radicaal met vrije, experimentele verzen die met de klassieke vorm breken.
Vanaf ongeveer de jaren zeventig komt het postmodernisme op, dat de zekerheden verder ondergraaft. Kenmerkend zijn het spel met vorm en werkelijkheid, de vermenging van feit en fictie, de intertekstualiteit (verwijzingen naar andere teksten) en de ironische, zelfbewuste verteller die eraan herinnert dat je een gemaakt verhaal leest. Waar het modernisme nog zocht naar nieuwe vormen om betekenis te vatten, twijfelt het postmodernisme aan de mogelijkheid van vaste betekenis en waarheid zelf. De grens tussen literatuur en werkelijkheid, tussen ernst en spel, wordt bewust vertroebeld — de lezer wordt medespeler in plaats van toeschouwer.
Om een twintigste-eeuws fragment te plaatsen, let je op de mate en aard van de vernieuwing. Formeel experiment met een nog aanwezig geloof in betekenis wijst naar het modernisme; een grimmige, existentiële toon over een zinloze of onkenbare wereld naar de naoorlogse literatuur; en een speels, ironisch spel met fictie, verwijzingen en de onbetrouwbaarheid van het vertellen naar het postmodernisme. Anders dan bij de oudere perioden lopen deze stromingen deels door elkaar en zijn de grenzen vloeiender; het gaat er dan ook om de dominante houding te herkennen, niet om een sluitend etiket. Datering en toon samen brengen je meestal op het juiste spoor.
Met de twintigste eeuw sluit de reeks stromingen die je van de Middeleeuwen tot heden hebt doorlopen, en de rode draad blijft dezelfde: elke stroming reageert op de vorige en op haar tijd. Voor het schoolexamen verbind je deze kennis met je leeslijst: je plaatst je gelezen werken in hun periode, herkent de stromingskenmerken erin en verklaart ze uit de tijdgeest. Zo komen de drie subdomeinen van domein E samen — de literaire ontwikkeling (je leeservaring), de literaire begrippen (je analyse) en de literatuurgeschiedenis (je historische plaatsing) — tot één geschoolde manier van lezen: met plezier, met inzicht én met historisch besef. Dat is het volle doel van het literatuuronderwijs op het VWO.
Uitgewerkt voorbeeld

Een postmodern fragment herkennen

Een roman uit de jaren tachtig laat de verteller halverwege toegeven dat hij de gebeurtenissen misschien verzint, verwijst voortdurend naar andere boeken en films, en speelt met de vraag wat in het verhaal „echt” is. Tot welke stroming hoort dit?

  1. 01De kenmerken inventariseren

    De verteller ondermijnt zijn eigen betrouwbaarheid, er is veel intertekstualiteit (verwijzingen), en de grens tussen feit en fictie wordt bewust vertroebeld.

  2. 02De houding duiden

    Deze zelfbewuste twijfel aan waarheid en betekenis, plus het spel met fictie, is geen zoektocht naar nieuwe vorm (modernisme) maar een ondergraven van zekerheid.

  3. 03De stroming bepalen

    Datering (jaren tachtig) en de kenmerken — ironie, intertekstualiteit, onbetrouwbaarheid, feit/fictie-spel — wijzen op het postmodernisme.

Resultaat: Het is postmodernisme: de onbetrouwbare, zelfbewuste verteller, de intertekstualiteit en het bewuste spel met feit en fictie zijn de kernkenmerken ervan, passend bij de late twintigste eeuw.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de hoofdlijnen van de twintigste eeuw onderscheiden — modernisme/interbellum, naoorlogse (existentiële) literatuur en postmodernisme — en dateren.
  • Examendoel (SE): kernauteurs en -werken plaatsen (Forum en „vorm of vent”; de grote drie: Hermans, Reve, Mulisch; de Vijftigers) en de eigen leeslijst in de periode situeren.

Veelgemaakte fouten

  • Alle twintigste-eeuwse vernieuwing op één hoop gooien. Onderscheid het modernistische vormexperiment, de naoorlogse existentiële toon en het postmoderne spel met fictie.
  • Verwachten dat de stromingen scherp begrensd zijn. In de twintigste eeuw lopen ze door elkaar; herken de dominante houding, niet een sluitend etiket.

Actieve herhaling

Plaats drie twintigste-eeuwse werken van je leeslijst in hun periode (modernisme, naoorlogs, postmodern) en onderbouw elke plaatsing met kenmerken (vormexperiment, existentiële toon, of spel met fictie). Verbind elk werk kort met de tijd waarin het ontstond.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Middeleeuwen en Renaissance○
    • 02Verlichting en Romantiek◐
    • 03Realisme, Naturalisme en de Tachtigers◐
    • 04De twintigste eeuw: modernisme, oorlog en postmodernisme●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur

Vorig onderwerp

Literaire begrippen en tekstanalyse

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.