EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Tekstsoorten en schrijfdoelen
Samenvattingen · NederlandsNL · VWO

Tekstsoorten en schrijfdoelen

Elke tekstanalyse begint met twee vragen: met welk doel is deze tekst geschreven, en tot welke soort behoort ze? Dit onderwerp leert je het schrijfdoel (informeren, overtuigen, aanzetten tot, amuseren, beschouwen) en de drie centrale teksttypen — uiteenzetting, beschouwing en betoog — betrouwbaar te herkennen. Doel en soort horen bij domein A (Leesvaardigheid) en sturen elke vraag in het centraal examen.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0111 / 14
Examenprofiel
Het schrijfdoel (hoofd- en nevendoel) van een tekst bepalenDe tekstsoort en het teksttype (uiteenzetting, beschouwing, betoog) herkennenFeit, mening en aanname onderscheiden bij het bepalen van doel en soort
Operatoren:bepaalleg uitciteerleg uit / verklaarwelke tekstsoort

basisniveau

Nederlands zit voor alle profielen (nt, ng, em, cm) in het gemeenschappelijk deel; deze leesvaardigheidsstof is voor iedere VWO-kandidaat verplichte CE-stof.

verhoogd niveau

Wie taal- en literatuurgericht denkt, kan het onderscheid tussen doel en soort verdiepen met de klassieke taalfunctieleer (Bühler, Jakobson) — nuttig, maar het examen vraagt alleen de schoolvorm.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tekstsoorten en schrijfdoelen
    • 01Wat is een tekst? Doel en soort als startpunt○
    • 02Schrijfdoelen: hoofddoel en nevendoelen◐
    • 03De drie teksttypen: uiteenzetting, beschouwing, betoog◐
    • 04Publicatievormen, register en toon◐
§ 01

Wat is een tekst? Doel en soort als startpunt#

●○○BasisLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-A

Afb. 4 — Feit, mening en aanname onderscheiden

Feit, mening en aannameBoomdiagram, 3 paden, Gegevens: Feit — controleerbaar; Mening — waardeoordeel; Aanname — vooronderstellingUitspraakFeit — contro…Mening — waar…Aanname — voo…
Afb. 2Drie soorten uitspraken die je in elke tekst tegenkomt. Alleen een feit is objectief controleerbaar; een mening en een aanname moeten worden onderbouwd.

Kernpunten

Voordat je een tekst inhoudelijk kunt analyseren, moet je weten wát voor tekst je voor je hebt — want de tekstsoort bepaalt welke analysevragen überhaupt zinvol zijn. Een „tekst” is daarbij niet zomaar een reeks zinnen, maar een samenhangende, afgescheiden en communicatief functionerende taaluiting (het woord komt van het Latijnse textus, „weefsel”: de zinnen zijn tot één geheel geweven). Het communicatiemodel in Afb. 1 vat die samenhang samen: een zender (de schrijver) codeert een boodschap (de tekst) die een ontvanger (de lezer) decodeert, altijd binnen een situatie en met een bedoeling. Wie een examentekst opslaat, stelt daarom eerst de journalistieke grondvraag: wie zegt hier wat, met welk doel, tegen welk publiek, en in welke situatie?

Afb. 1 — Communicatiemodel: schrijver, tekst en lezer

CommunicatiemodelGraaf, Zender (schrijver) → Boodschap (tekst), Boodschap (tekst) → Ontvanger (lezer)Zender(schrijver)Boodschap(tekst)Ontvanger(lezer)codeertdecodeert
Afb. 1Elke tekst is een boodschap die een zender codeert en een ontvanger decodeert binnen een situatie. De boodschap — de tekst zelf — is het object van je analyse.
Twee eigenschappen maken een reeks zinnen pas tot een tekst: coherentie en cohesie. Coherentie is de inhoudelijke samenhang — de zinnen gaan werkelijk over hetzelfde en bouwen op elkaar voort tot een geheel met een kop en een staart. Cohesie is de zichtbare, grammaticale samenhang aan de oppervlakte: de verbindingswoorden, verwijswoorden en herhalingen die de lezer van zin naar zin loodsen (die middelen behandelen we in het onderwerp „Signaal- en verwijswoorden”). Een goede tekst heeft beide: hij hángt samen én tóónt zijn samenhang. Bij het examen gebruik je die samenhang omgekeerd: je leidt uit de cohesiemiddelen af hoe de tekst coherent in elkaar zit.
Het schrijfdoel is de bedoeling die de schrijver met de tekst nastreeft; het stuurt vervolgens de vorm, de toon en de inhoud. De klassieke taalfunctieleer maakt dit expliciet. Karl Bühler onderscheidt in zijn Organonmodel (1934) drie grondfuncties van een taalteken: Darstellung (het teken staat symbool voor een zaak in de wereld), Ausdruck (het teken drukt de zender uit) en Appell (het teken richt zich als signaal tot de ontvanger). Roman Jakobson breidt dit in 1960 uit tot zes functies. Op school worden daar de hanteerbare grondtypen van gemaakt: informerend (zaakgericht), expressief (zendergericht) en appellerend (ontvangergericht) taalgebruik. De dóminante functie bepaalt waarop je de analyse toespitst.
Doel en soort eerst bepalen loont, omdat het je leesstrategie én je verwachting van de examenvragen vastlegt. Bij een betoog zoek je naar standpunt, argumenten en drogredenen; bij een uiteenzetting naar de logische ordening van informatie; bij een beschouwing naar de tegen elkaar afgewogen invalshoeken. Wie de soort verkeerd inschat, zoekt in de tekst naar dingen die er niet zijn (bijvoorbeeld „het standpunt” in een zuiver informerende tekst) en loopt vast. Bovendien vraagt het CE dit rechtstreeks: vragen als „Met welk doel heeft de schrijver deze tekst geschreven?” of „Tot welke tekstsoort behoort deze tekst?” openen bijna elk examen.
Ten slotte scherp je bij het bepalen van doel en soort ook je oog voor het onderscheid tussen feit, mening en aanname. Een feit is objectief controleerbaar („De opkomst bij de verkiezingen daalde met vier procent”), een mening is een waardeoordeel dat verdedigd moet worden („Die daling is zorgwekkend”), en een aanname is een onbewezen vooronderstelling waarop de redenering rust („Iedereen wil een hoge opkomst”). Een informerende tekst leunt op feiten; een betoog voegt daar meningen en aannames aan toe. Dat onderscheid, uitgewerkt in Afb. 4, is de brug naar het domein argumentatie.
Uitgewerkt voorbeeld

Doel, soort en uitspraaktype bepalen

Een tekst opent zo: „Dat de gemeente opnieuw bezuinigt op de bibliotheken, is een kortzichtige keuze. Wie nu de leeszalen sluit, bespaart een dubbeltje en verliest een generatie lezers.” Bepaal het hoofddoel en de tekstsoort, en typeer de eerste zin als feit, mening of aanname.

  1. 01Signalen van het doel zoeken

    De schrijver oordeelt („kortzichtige keuze”) en wil de lezer meekrijgen tegen de bezuiniging. Dat is een appellerende, sturende functie: overtuigen.

  2. 02Van doel naar soort

    Een tekst die één standpunt verdedigt en de lezer wil overtuigen, is een betoog. Zoek in het vervolg dus naar argumenten en eventuele drogredenen.

  3. 03De eerste zin typeren

    „...is een kortzichtige keuze” is geen controleerbaar gegeven maar een waardeoordeel: het is een mening. De bezuiniging zélf (dát de gemeente bezuinigt) is het onderliggende feit.

Resultaat: Hoofddoel: overtuigen; tekstsoort: betoog. De openingszin bevat een mening (het waardeoordeel „kortzichtig”) over een feit (de bezuiniging).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het hoofddoel én de tekstsoort van een tekst kunnen benoemen en dat met een tekstelement onderbouwen — vrijwel elk CE opent hiermee.
  • Examendoel: uitspraken uit een tekst classificeren als feit, mening of aanname, omdat dat onderscheid de basis vormt voor de argumentatievragen (domein D).

Veelgemaakte fouten

  • Het schrijfdoel verwarren met het onderwerp: „het doel is klimaatverandering” is fout — klimaatverandering is het onderwerp; het doel is bijvoorbeeld de lezer overtuigen dát er ingegrepen moet worden.
  • Een mening voor een feit aanzien omdat ze stellig geformuleerd is. Niet de toon maar de controleerbaarheid beslist: „onmiskenbaar de beste roman van het jaar” blijft een mening.

Actieve herhaling

Lees een opiniestuk uit een landelijke krant. Formuleer in één zin het hoofddoel van de schrijver, bepaal de tekstsoort, en noteer uit de eerste alinea één feit, één mening en één (impliciete) aanname. Verantwoord telkens je keuze met een woord of zinsdeel uit de tekst.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 02

Schrijfdoelen: hoofddoel en nevendoelen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-A

Afb. 2 — Van schrijfdoel naar tekstsoort

Van schrijfdoel naar tekstsoortBoomdiagram, 5 paden, Gegevens: Informeren → uiteenzetting; Overtuigen → betoog; Beschouwen → beschouwing; Activeren → advertentie / oproep; Amuseren → column / verhaalInformerenOvertuigenBeschouwenActiverenAmuserenSchrijfdoeluiteenzettingbetoogbeschouwingadvertentie /…column / verh…
Afb. 3Elk schrijfdoel brengt standaard een tekstsoort voort. De drie CE-teksttypen (uiteenzetting, beschouwing, betoog) horen bij informeren, beschouwen en overtuigen.

Kernpunten

Het schrijfdoel is de leidende bedoeling van de tekst, en de meeste teksten hebben een hoofddoel en daarnaast één of meer nevendoelen. De vijf gangbare schrijfdoelen zijn: informeren (kennis overdragen), overtuigen (de lezer een mening of standpunt laten aanvaarden), aanzetten tot / activeren (de lezer laten handelen), amuseren of ontroeren (de lezer een esthetische of emotionele ervaring geven) en beschouwen (verschillende kanten van een kwestie tegen elkaar afwegen zonder één standpunt op te dringen). Afb. 2 verbindt elk doel met de tekstsoort die er standaard uit voortkomt. Het hoofddoel bepaal je door te vragen: wat wil de schrijver in de eerste plaats bij de lezer bereiken?
Hoofddoel en nevendoel lopen vaak door elkaar, en juist dat maakt de examenvraag lastig. Een column kan amuseren (hoofddoel) én tegelijk een maatschappelijk standpunt binnensmokkelen (nevendoel: overtuigen). Een voorlichtingsfolder informeert (hoofddoel) maar wil je uiteindelijk laten handelen — je griep laten prikken (nevendoel: activeren). De regel is: het hoofddoel is waaraan alle andere elementen ondergeschikt zijn. Vraag je af welk doel zou overblijven als je de tekst tot de kern terugbracht. Wat je schrapt is nevendoel; wat overblijft is hoofddoel.
Elk doel laat sporen na in de tekst, en die sporen zijn je bewijs bij een examenvraag. Informeren herken je aan neutrale, objectieve formuleringen, definities, cijfers en uitleg; overtuigen aan standpunten, argumenten, stellige bewoordingen en een appel op de lezer; activeren aan directe aansporingen, imperatieven en een concrete handelingsoproep; amuseren aan stijlmiddelen, humor, beeldspraak en een verhalende of persoonlijke toon; beschouwen aan vraagzinnen, afwegingen en formuleringen als „enerzijds … anderzijds”. Wie het doel moet benoemen, wijst dus altijd naar zo'n tekstsignaal.
Let op het onderscheid tussen het schrijfdoel (de bedoeling van de schrijver) en het effect op de lezer. Een tekst kan overtuigend bedoeld zijn en de lezer koud laten, of informerend bedoeld zijn en toch ontroeren. Het examen vraagt naar de aantoonbare bedoeling zoals die uit de tekst blijkt, niet naar jouw persoonlijke reactie. Formuleer een schrijfdoel daarom altijd vanuit de schrijver en werkwoordelijk: „de schrijver wil de lezer ervan overtuigen dat …”, niet „ik vond het overtuigend”. Zo maak je van een gevoel een controleerbare bewering.
Ten slotte: het doel bepaalt ook het verwachte tekstverloop, en dat helpt je vooruit te lezen. Een betoog werkt naar een conclusie toe; een uiteenzetting ontvouwt een onderwerp stap voor stap; een beschouwing houdt de balans expres in evenwicht. Als je in de inleiding het hoofddoel goed vaststelt, kun je de rest van de tekst met een gerichte verwachting lezen — en dat scheelt tijd én fouten in het drie uur durende examen.
Uitgewerkt voorbeeld

Hoofddoel en nevendoel scheiden

Een gemeentelijke campagnetekst legt eerst uitgebreid uit hoe zwerfafval het riool verstopt en dieren schaadt, en eindigt met: „Gooi jouw peuk dus in de daarvoor bestemde bak.” Bepaal hoofddoel en nevendoel.

  1. 01Alle doelen inventariseren

    De uitleg over riool en dieren is informerend; de slotzin is een directe aansporing, dus activerend.

  2. 02De ondergeschiktheid bepalen

    De informatie staat er niet om zichzelf, maar om de aansporing te rechtvaardigen: als je alles zou terugbrengen tot de kern, blijft de oproep „gooi je peuk in de bak” over.

  3. 03Conclusie formuleren vanuit de schrijver

    Het hoofddoel is de lezer aanzetten tot gedrag (activeren); het informeren is daaraan ondergeschikt en dus nevendoel.

Resultaat: Hoofddoel: activeren (de lezer laten handelen); nevendoel: informeren (de handeling onderbouwen).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het hoofddoel onderscheiden van een nevendoel en beide met een tekstsignaal onderbouwen.
  • Examendoel: het schrijfdoel formuleren vanuit de schrijver (werkwoordelijk), niet vanuit het effect op jou als lezer.

Veelgemaakte fouten

  • Elk doel dat je in de tekst herkent tot hoofddoel bombarderen. Er is maar één hoofddoel; de rest is ondergeschikt daaraan.
  • Het doel benoemen zonder bewijs. Een schrijfdoel moet je altijd aan een concreet tekstsignaal (woordkeuze, aansporing, stijlmiddel) kunnen ophangen.

Actieve herhaling

Neem drie korte teksten van verschillend type (een nieuwsbericht, een advertentie en een column). Bepaal voor elke tekst het hoofddoel en ten minste één nevendoel, en onderbouw je antwoord telkens met een citaat dat als tekstsignaal fungeert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 03

De drie teksttypen: uiteenzetting, beschouwing, betoog#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-A

Afb. 3 — Teksttypen op de as objectief–subjectief

Objectief — subjectiefGetallenlijn, uiteenzetting (objectief), beschouwing (afwegend), betoog (subjectief)0510uiteenzetting(objectief)beschouwing(afwegend)betoog(subjectief)
Afb. 4De drie CE-teksttypen verschillen in de houding van de schrijver. De uiteenzetting is objectief, het betoog subjectief, de beschouwing houdt het midden.

Kernpunten

Voor het centraal examen zijn drie teksttypen cruciaal, omdat de examenteksten er vrijwel altijd toe behoren: de uiteenzetting, de beschouwing en het betoog. Ze verschillen in de houding die de schrijver tegenover het onderwerp aanneemt, en die houding loopt op van objectief naar subjectief. Afb. 3 zet de drie op één as. De uiteenzetting staat aan de objectieve kant, het betoog aan de subjectieve, en de beschouwing houdt bewust het midden. Wie de drie uit elkaar kan houden, weet meteen welk soort vragen volgt en welke leeshouding past.
De uiteenzetting is de zuiver informerende tekst: de schrijver legt een onderwerp helder en objectief uit, zonder een eigen standpunt op te dringen. Het doel is kennisoverdracht; de toelichting verloopt via definities, indelingen, oorzaken en gevolgen, voorbeelden en verbanden. Een goede uiteenzetting is neutraal en controleerbaar — je zou de tekst kunnen samenvatten zonder ooit „ik vind” tegen te komen. Denk aan een encyclopedisch artikel of een schooltekst over de werking van vaccins. Bij een uiteenzetting vraagt het examen naar structuur, verbanden en hoofdgedachte, niet naar argumentatie.
Het betoog staat lijnrecht tegenover de uiteenzetting: de schrijver verdedigt één duidelijk standpunt en wil de lezer daarvan overtuigen. Alles staat in dienst van dat doel — de argumenten, de stellige toon, de weerlegging van tegenwerpingen, soms ook de retorische stijlmiddelen en (bewust of onbewust) de drogredenen. Een betoog is per definitie subjectief en eenzijdig: het pleit vóór iets. Herken je een betoog, dan schakel je over op de argumentatieve leesvaardigheid van domein D: waar staat het standpunt, welke argumenten dragen het, en houden die argumenten steek?
De beschouwing neemt de tussenpositie in en wordt daarom het vaakst verkeerd getypeerd. De schrijver bekijkt een kwestie van meer kanten, weegt argumenten voor en tegen, en nodigt de lezer uit zélf tot een oordeel te komen — zonder één standpunt door te drukken. Kenmerkend zijn afwegende formuleringen („enerzijds … anderzijds”, „daar staat tegenover”, „het is de vraag of”). Een beschouwing kan best een voorkeur laten doorschemeren, maar het overwegen zélf is de kern, niet het overtuigen. Het verschil met een betoog zit dus in de intentie: overweegt de schrijver (beschouwing) of overtuigt hij (betoog)?
In de praktijk beslis je met één diagnostische vraag: hoeveel standpunten krijgen serieus ruimte? Eén standpunt dat verdedigd wordt → betoog. Geen expliciet standpunt, alleen uitleg → uiteenzetting. Meer standpunten die tegen elkaar worden afgewogen → beschouwing. Let wel: publicatievorm en teksttype zijn niet hetzelfde. Een krantencolumn kan een betoog zijn, een essay kan een beschouwing zijn. Kijk naar de houding van de schrijver in de tekst, niet naar het etiket dat de krant erop plakt.
Uitgewerkt voorbeeld

Uiteenzetting, beschouwing of betoog?

Een tekst over kernenergie zet eerst de voordelen (weinig CO₂, veel vermogen) en de nadelen (afval, veiligheid, kosten) naast elkaar, bespreekt de argumenten van voor- en tegenstanders, en besluit met: „Of kernenergie de toekomst heeft, hangt af van hoe we deze afwegingen wegen.” Bepaal het teksttype.

  1. 01De houding van de schrijver zoeken

    De schrijver drukt geen eigen standpunt door, maar zet voor- en tegenargumenten naast elkaar en laat het oordeel aan de lezer.

  2. 02Aantal standpunten wegen

    Er komen meerdere posities serieus aan bod; geen enkele wordt als de juiste verdedigd. Dat sluit een betoog uit.

  3. 03De slotzin lezen als signaal

    „...hangt af van hoe we deze afwegingen wegen” is een afwegende, open formulering — kenmerkend voor een beschouwing, niet voor een uiteenzetting (die zou het onderwerp alleen uitleggen).

Resultaat: Het is een beschouwing: de schrijver weegt standpunten tegen elkaar af zonder er één op te dringen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een examentekst typeren als uiteenzetting, beschouwing of betoog en dat onderbouwen met de houding van de schrijver (objectief, afwegend of overtuigend).
  • Examendoel: uit het teksttype afleiden welke leeshouding en welk soort vervolgvragen passen (structuur bij een uiteenzetting; argumentatie bij een betoog).

Veelgemaakte fouten

  • Een beschouwing voor een betoog aanzien omdat er meningen in staan. Een beschouwing wéégt meningen tegen elkaar af; een betoog verdedigt er één.
  • Teksttype en publicatievorm gelijkstellen (denken dat een column altijd amuseert of een essay altijd informeert). De houding van de schrijver in de tekst is beslissend, niet de rubriek.

Actieve herhaling

Zoek van hetzelfde onderwerp (bijvoorbeeld sociale media) drie teksten: een informatieve uitleg, een genuanceerde beschouwing en een uitgesproken opiniestuk. Typeer elke tekst en benoem per tekst twee formuleringen die je typering bewijzen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 04

Publicatievormen, register en toon#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-A

Kernpunten

Naast het teksttype (de houding: uiteenzetten, beschouwen, betogen) moet je de publicatievorm herkennen — het genre waarin de tekst verschijnt. Gangbare vormen zijn het nieuwsbericht, het achtergrondartikel, de reportage, het interview, de column, het essay, de recensie, de ingezonden brief en het opiniestuk. Elke vorm heeft eigen conventies: een nieuwsbericht is kort en informerend en zet het belangrijkste vooraan; een column is kort, persoonlijk en vaak geestig; een essay is een langere, persoonlijke verkenning van een idee. Publicatievorm en teksttype vallen niet samen — een column kán een betoog zijn — maar samen bepalen ze wat je van de tekst mag verwachten.
Het register is de mate van formaliteit van het taalgebruik, afgestemd op publiek en situatie. Men onderscheidt globaal formeel, neutraal (standaard) en informeel register. Formeel taalgebruik kenmerkt zich door volledige zinnen, afstandelijke woordkeuze en weinig persoonlijke verwijzing (een beleidsnota, een wetenschappelijk artikel); informeel taalgebruik door spreektaal, aanspreekvormen, korte zinnen en soms straattaal (een blog, een appbericht). Een schrijver kiest zijn register bij zijn doel en publiek: wie een breed publiek wil activeren, schrijft toegankelijker dan wie vakgenoten wil informeren. Bij het examen kun je gevraagd worden het register te typeren of een registerbreuk aan te wijzen.
De toon is de houding die uit de woordkeuze spreekt: zakelijk, ironisch, verontwaardigd, humoristisch, meelevend, cynisch. Toon is een krachtig signaal van het schrijfdoel. Ironie — zeggen wat je niet meent om het tegendeel te laten uitkomen — is een klassieke examenvalkuil, omdat je de tekst dan letterlijk verkeerd begrijpt. Als een schrijver een plan „geniaal” noemt en er vervolgens de spot mee drijft, is „geniaal” ironisch bedoeld en luidt de strekking het tegenovergestelde. Let daarom op de toon: hij vertelt je hoe je de letterlijke woorden moet opvatten.
Publicatievorm, register en toon samen bepalen de context waarin je een uitspraak moet lezen. Dezelfde zin betekent iets anders in een satirische column dan in een beleidsrapport. Bij een examentekst gebruik je die context als interpretatiekader: eerst stel je vorm, register en toon vast, en pas daarna beoordeel je de afzonderlijke zinnen. Zo voorkom je dat je een ironische opmerking serieus neemt of een genuanceerde overweging als een keihard standpunt leest. De context maakt de betekenis.
Uitgewerkt voorbeeld

Toon en ironie herkennen

In een column staat: „Wat een vooruitgang: we hebben nu drie apps nodig om één treinkaartje te kopen.” Bepaal de toon en leg uit wat de schrijver werkelijk bedoelt.

  1. 01Letterlijke en bedoelde betekenis vergelijken

    Letterlijk prijst de schrijver de „vooruitgang”, maar het genoemde gevolg (drie apps voor één kaartje) is juist een verslechtering.

  2. 02De spanning benoemen als ironie

    Het contrast tussen de lovende woorden en het negatieve voorbeeld maakt de opmerking ironisch: er wordt het tegendeel bedoeld van wat er staat.

  3. 03De strekking formuleren

    De schrijver bekritiseert dat de digitalisering het kopen van een treinkaartje juist onnodig ingewikkeld heeft gemaakt.

Resultaat: De toon is ironisch; met „vooruitgang” bedoelt de schrijver het tegendeel — hij hekelt de nodeloze complexiteit van de digitale dienstverlening.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de publicatievorm en het register van een tekst herkennen en aan tekstkenmerken koppelen.
  • Examendoel: de toon (met name ironie) correct interpreteren, omdat een verkeerd begrepen toon de hele tekstbetekenis kantelt.

Veelgemaakte fouten

  • Ironie letterlijk nemen. Als de toon spottend is, betekent een lovend woord vaak het tegendeel — lees mét de toon mee.
  • Register en teksttype door elkaar halen. Register gaat over formaliteit (formeel/informeel), teksttype over de houding (uiteenzetten/beschouwen/betogen).

Actieve herhaling

Neem een satirische column en een beleidsbrief over hetzelfde thema. Typeer per tekst de publicatievorm, het register en de toon, en wijs in de column één ironische passage aan waarvan de bedoelde betekenis het tegendeel is van de letterlijke.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat is een tekst? Doel en soort als startpunt○
    • 02Schrijfdoelen: hoofddoel en nevendoelen◐
    • 03De drie teksttypen: uiteenzetting, beschouwing, betoog◐
    • 04Publicatievormen, register en toon◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tekstsoorten en schrijfdoelen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid

Volgend onderwerp

Tekststructuur en tekstverbanden

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.