EuraStudy
Samenvattingen/Natuurkunde/Kracht en beweging (vectoren, wetten van Newton)
Samenvattingen · NatuurkundeNL · VWO

Kracht en beweging (vectoren, wetten van Newton)

Dit subdomein (C1) verbindt de beschrijving van beweging — met x,tx,tx,t-, v,tv,tv,t- en a,ta,ta,t-diagrammen — aan de oorzaak ervan: de krachten. De drie wetten van Newton vormen de kern: een voorwerp verandert zijn snelheid alleen door een resulterende kracht, en die verandering is a=Fres/ma=F_{\text{res}}/ma=Fres​/m. Van de hellingbaan tot de cirkelbeweging draait alles om het correct tekenen en ontbinden van krachten.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0222 / 17
Examenprofiel
C1 · Bewegingen beschrijven met x,t-, v,t- en a,t-diagrammenC1 · De drie wetten van Newton toepassenC1 · Krachten tekenen, ontbinden en de resultante bepalenC1 · Cirkelbeweging en middelpuntzoekende kracht
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaartoon aanteken

basisniveau

Kracht en beweging is CE-kernstof voor beide profielen (nt en ng); het krachtendiagram en de tweede wet van Newton komen in vrijwel elk examen terug.

verhoogd niveau

De cirkelbeweging en het combineren van krachten in twee dimensies vragen in nt extra precisie in de vectorontbinding.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Kracht en beweging (vectoren, wetten van Newton)
    • 01Beweging beschrijven met grafieken○
    • 02De drie wetten van Newton◐
    • 03Krachten ontbinden en de hellingbaan◐
    • 04Cirkelbeweging en middelpuntzoekende kracht●
§ 01

Beweging beschrijven met grafieken#

●○○BasisLPexamenblad-natuurkunde-C1

Kernpunten

Een beweging leg je vast in drie samenhangende diagrammen: het plaats-tijddiagram (x,tx,tx,t), het snelheid-tijddiagram (v,tv,tv,t) en het versnelling-tijddiagram (a,ta,ta,t). De helling van het x,tx,tx,t-diagram is de snelheid, en de helling van het v,tv,tv,t-diagram is de versnelling; omgekeerd is de oppervlakte onder het v,tv,tv,t-diagram de verplaatsing en die onder het a,ta,ta,t-diagram de snelheidsverandering. Afb. 1 toont een x,tx,tx,t-parabool van een eenparig versnelde beweging: de raaklijn in een punt geeft de momentane snelheid, die steeds groter wordt omdat de parabool steiler loopt.

x,t-diagram van een eenparig versnelde beweging

Eenparig versnelde bewegingSchaubild von x(t) = ½a·t², Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 512345510152025raaklijn: v(2)x(t) = ½a·t²x (m)t (s)
Afb. 1Afb. 1 — De helling van de raaklijn aan de x,tx,tx,t-parabool is de momentane snelheid; die neemt toe omdat de kromme steiler wordt.
Bij een eenparige beweging is de snelheid constant: het x,tx,tx,t-diagram is een rechte lijn, het v,tv,tv,t-diagram een horizontale lijn en de versnelling nul. Bij een eenparig versnelde beweging is de versnelling constant: het v,tv,tv,t-diagram is een schuine rechte lijn en het x,tx,tx,t-diagram een parabool. Het onderscheid tussen momentane en gemiddelde snelheid is essentieel: de momentane snelheid is de helling van de raaklijn in één punt, de gemiddelde snelheid is de totale verplaatsing gedeeld door de totale tijd.
Voor de eenparig versnelde beweging gelden vaste bewegingsformules. Uit a=a=a= constant volgt v=v0+a tv=v_0+a\,tv=v0​+at (de snelheid groeit lineair) en x=x0+v0 t+12a t2x=x_0+v_0\,t+\tfrac{1}{2}a\,t^{2}x=x0​+v0​t+21​at2 (de plaats groeit kwadratisch). Door de tijd te elimineren krijg je de handige tijdloze relatie v2=v02+2a (x−x0)v^{2}=v_0^{2}+2a\,(x-x_0)v2=v02​+2a(x−x0​), die je gebruikt wanneer de tijd niet gegeven is — bijvoorbeeld bij een remweg. Let goed op de tekens: kies een positieve richting en geef een vertraging (afremmen) een negatieve aaa.
De vrije val is het belangrijkste voorbeeld van een eenparig versnelde beweging: bij verwaarloosbare luchtweerstand valt elk voorwerp met dezelfde valversnelling g≈9,81 m/s2g\approx 9{,}81\ \text{m/s}^{2}g≈9,81 m/s2, onafhankelijk van zijn massa. Een verticale worp omhoog is dezelfde beweging met a=−ga=-ga=−g: de snelheid neemt af, wordt boven in het hoogste punt nul (maar de versnelling blijft ggg naar beneden), en neemt daarna weer toe. Het symmetrische karakter — de tijd omhoog is gelijk aan de tijd omlaag naar hetzelfde punt — volgt direct uit de bewegingsformules.
v=v0+a tv = v_0 + a\,tv=v0​+at

Snelheid bij constante versnelling

De snelheid verandert lineair met de tijd.

x=x0+v0 t+12a t2x = x_0 + v_0\,t + \tfrac{1}{2}a\,t^{2}x=x0​+v0​t+21​at2

Plaats bij constante versnelling

De plaats groeit kwadratisch; de oppervlakte onder de v,t-lijn.

v2=v02+2a (x−x0)v^{2} = v_0^{2} + 2a\,(x-x_0)v2=v02​+2a(x−x0​)

Tijdloze bewegingsrelatie

Handig als de tijd niet gegeven is, bijvoorbeeld bij een remweg.

Uitgewerkt voorbeeld

Remweg met de tijdloze relatie

Een fietser rijdt 8,0 m/s8{,}0\ \text{m/s}8,0 m/s en remt eenparig af tot stilstand over 16 m16\ \text{m}16 m. Bereken de versnelling en de remtijd.

  1. 01Tijdloze relatie

    Eindsnelheid nul; gebruik v2=v02+2a Δxv^2=v_0^2+2a\,\Delta xv2=v02​+2aΔx.

    0=8,02+2a⋅160 = 8{,}0^{2} + 2a\cdot 160=8,02+2a⋅16
  2. 02Versnelling oplossen

    Los aaa op; de negatieve waarde bevestigt afremmen.

    a=−6432=−2,0 m/s2a = \frac{-64}{32} = -2{,}0\ \text{m/s}^2a=32−64​=−2,0 m/s2
  3. 03Remtijd

    Gebruik v=v0+a tv=v_0+a\,tv=v0​+at met v=0v=0v=0.

    t=0−8,0−2,0=4,0 st = \frac{0-8{,}0}{-2{,}0} = 4{,}0\ \text{s}t=−2,00−8,0​=4,0 s

Resultaat: De versnelling is −2,0 m/s2-2{,}0\ \text{m/s}^2−2,0 m/s2 en het remmen duurt 4,0 s4{,}0\ \text{s}4,0 s.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: schakel tussen x,tx,tx,t-, v,tv,tv,t- en a,ta,ta,t-diagrammen en gebruik helling en oppervlakte om snelheid, versnelling en verplaatsing te bepalen.
  • Examendoel: pas de bewegingsformules van de eenparig versnelde beweging toe, inclusief de tijdloze relatie v2=v02+2a Δxv^2=v_0^2+2a\,\Delta xv2=v02​+2aΔx en de vrije val.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat in het hoogste punt van een verticale worp de versnelling nul is — de snelheid is daar nul, maar de valversnelling ggg werkt onverminderd door.
  • Het teken van de versnelling verkeerd kiezen bij afremmen, of de gemiddelde en momentane snelheid verwarren.

Actieve herhaling

Een auto rijdt 30 m/s30\ \text{m/s}30 m/s en remt eenparig af tot stilstand over een afstand van 75 m75\ \text{m}75 m. Bereken de (constante) versnelling en de tijd die het remmen duurt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein C1 (kracht en beweging) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De drie wetten van Newton#

●●○StandaardLPexamenblad-natuurkunde-C1

Krachtendiagram van een getrokken blok

Blok getrokken over de grondKrachtenschema, F_z: 270°, F_N: 90°, F_trek: 0°, F_w: 180°FzFNFtrekFw
Afb. 2Afb. 1 — Vier krachten op een blok: de resultante is horizontaal (trekkracht min wrijving); verticaal heffen FNF_NFN​ en FzF_zFz​ elkaar op.

Kernpunten

De eerste wet (traagheidswet) zegt dat een voorwerp in rust blijft of eenparig rechtlijnig blijft bewegen zolang de resulterende kracht nul is. Beweging heeft dus géén kracht nodig om te blíjven bestaan — alleen snelheidsverandering vraagt een kracht. In Afb. 1 staat het krachtendiagram van een over de grond getrokken blok: als de trekkracht en de wrijvingskracht elkaar precies opheffen (en normaalkracht en zwaartekracht ook), is de resultante nul en beweegt het blok met constante snelheid.
De tweede wet is de rekenwet: de resulterende kracht geeft een versnelling in dezelfde richting, met grootte Fres=m aF_{\text{res}}=m\,aFres​=ma. Hoe groter de kracht, hoe groter de versnelling; hoe groter de massa (de traagheid), hoe kleiner de versnelling bij dezelfde kracht. Om deze wet toe te passen teken je altijd eerst een krachtendiagram, bepaal je de resultante (via componenten), en pas je dan a=Fres/ma=F_{\text{res}}/ma=Fres​/m toe. De zwaartekracht op een voorwerp is zelf Fz=m gF_z=m\,gFz​=mg — een bijzonder geval van een kracht, niet van de tweede wet.
De derde wet (actie is min reactie) zegt dat krachten altijd in paren voorkomen: oefent voorwerp A een kracht op B uit, dan oefent B een even grote, tegengesteld gerichte kracht op A uit. Cruciaal is dat deze twee krachten op verschíllende voorwerpen aangrijpen — ze heffen elkaar dus nooit op in één krachtendiagram. Loop je vooruit, dan duw je met je voet naar achteren tegen de grond, en de grond duwt jou naar voren; die voorwaartse kracht op jou versnelt je.
Een terugkerend struikelblok is het onderscheid tussen normaalkracht en zwaartekracht. De zwaartekracht Fz=mgF_z=mgFz​=mg werkt altijd verticaal naar beneden; de normaalkracht FNF_NFN​ is de kracht die een oppervlak loodrecht op zichzelf uitoefent en past zich aan de situatie aan. Op horizontale grond zonder verticale versnelling is FN=FzF_N=F_zFN​=Fz​, maar in een versnellende lift, op een helling of bij een extra verticale kracht is dat niet zo. Behandel elke as apart: langs elke richting geldt de tweede wet met de som van de componenten in die richting.
∑F⃗=0 ⇒ rust of eenparige beweging\sum \vec{F} = 0 \ \Rightarrow\ \text{rust of eenparige beweging}∑F=0 ⇒ rust of eenparige beweging

Eerste wet (traagheid)

Zonder resulterende kracht verandert de snelheid niet.

Fres=m aF_{\text{res}} = m\,aFres​=ma

Tweede wet

De resulterende kracht bepaalt de versnelling; a wijst met F_res mee.

F⃗A→B=−F⃗B→A\vec{F}_{A\to B} = -\vec{F}_{B\to A}FA→B​=−FB→A​

Derde wet (actie = −reactie)

Krachten in paren op verschillende voorwerpen.

Uitgewerkt voorbeeld

Versnelling en normaalkracht

Een kist van 10 kg10\ \text{kg}10 kg wordt horizontaal getrokken met 50 N50\ \text{N}50 N; de wrijvingskracht is 20 N20\ \text{N}20 N. Bereken de versnelling en de normaalkracht (g=9,81 m/s2g=9{,}81\ \text{m/s}^2g=9,81 m/s2).

  1. 01Resulterende horizontale kracht

    Trek de wrijving van de trekkracht af.

    Fres=50−20=30 NF_{\text{res}} = 50 - 20 = 30\ \text{N}Fres​=50−20=30 N
  2. 02Versnelling (tweede wet)

    Deel door de massa.

    a=3010=3,0 m/s2a = \frac{30}{10} = 3{,}0\ \text{m/s}^2a=1030​=3,0 m/s2
  3. 03Normaalkracht

    Verticaal is er geen versnelling, dus FN=FzF_N=F_zFN​=Fz​.

    FN=Fz=10⋅9,81=98 NF_N = F_z = 10\cdot 9{,}81 = 98\ \text{N}FN​=Fz​=10⋅9,81=98 N

Resultaat: De versnelling is 3,0 m/s23{,}0\ \text{m/s}^23,0 m/s2 en de normaalkracht 98 N98\ \text{N}98 N.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: teken een correct en volledig krachtendiagram (alle werkelijke krachten, elk op het juiste voorwerp) en bepaal de resulterende kracht.
  • Examendoel: pas Fres=maF_{\text{res}}=maFres​=ma toe, onderscheid de drie wetten en herken actie-reactieparen op verschillende voorwerpen.

Veelgemaakte fouten

  • Actie en reactie in hetzelfde krachtendiagram tekenen en denken dat ze elkaar opheffen — ze werken op verschillende voorwerpen.
  • Aannemen dat de normaalkracht altijd gelijk is aan de zwaartekracht, ook op een helling of in een versnellende lift.

Actieve herhaling

Een blok van 4,0 kg4{,}0\ \text{kg}4,0 kg wordt over een horizontale vloer getrokken met een horizontale kracht van 20 N20\ \text{N}20 N; de wrijvingskracht is 8,0 N8{,}0\ \text{N}8,0 N. Bereken de versnelling van het blok en de normaalkracht van de vloer.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein C1 (wetten van Newton) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Krachten ontbinden en de hellingbaan#

●●○StandaardLPexamenblad-natuurkunde-C1

Krachtenontbinding op een hellingbaan

Blok op een helling van 30°Krachtenschema, F_z: 270°, F_N: 120°, F_z,//: 210°, F_w: 30°FzFNFz,//Fw
Afb. 3Afb. 1 — Op de helling ontbindt F⃗z\vec{F}_zFz​ in Fzsin⁡αF_z\sin\alphaFz​sinα (langs) en Fzcos⁡αF_z\cos\alphaFz​cosα (loodrecht); FNF_NFN​ heft de loodrechte component op.

Kernpunten

De hellingbaan is dé klassieke toepassing van vectorontbinding. Op een voorwerp op een helling met hellingshoek α\alphaα werken de zwaartekracht (recht naar beneden), de normaalkracht (loodrecht op de helling) en eventueel wrijving (langs de helling). Omdat de beweging langs de helling verloopt, kies je de assen langs en loodrecht op de helling en ontbind je de zwaartekracht. In Afb. 1 zie je hoe F⃗z\vec{F}_zFz​ uiteenvalt in een component langs de helling, Fz,∥=Fzsin⁡αF_{z,\parallel}=F_z\sin\alphaFz,∥​=Fz​sinα, en een component loodrecht op de helling, Fz,⊥=Fzcos⁡αF_{z,\perp}=F_z\cos\alphaFz,⊥​=Fz​cosα.
De component langs de helling, Fzsin⁡αF_z\sin\alphaFz​sinα, is de kracht die het voorwerp naar beneden trekt langs het oppervlak — de „motor” van het afglijden. De component loodrecht op de helling, Fzcos⁡αF_z\cos\alphaFz​cosα, wordt precies opgeheven door de normaalkracht (zolang het voorwerp op de helling blijft), dus FN=Fzcos⁡αF_N=F_z\cos\alphaFN​=Fz​cosα. Merk op: hoe steiler de helling, hoe groter sin⁡α\sin\alphasinα en dus de hellingcomponent, en hoe kleiner cos⁡α\cos\alphacosα en dus de normaalkracht. Bij α=90∘\alpha=90^\circα=90∘ (verticale wand) is er geen normaalkracht meer en valt het voorwerp vrij.
Voor de beweging langs de helling pas je de tweede wet toe op de as langs de helling: Fzsin⁡α−Fw=m aF_{z}\sin\alpha - F_{w}=m\,aFz​sinα−Fw​=ma, waarbij FwF_wFw​ de wrijvingskracht is die de beweging tegenwerkt. Is er geen wrijving, dan glijdt het voorwerp met versnelling a=gsin⁡αa=g\sin\alphaa=gsinα — onafhankelijk van de massa, net als bij de vrije val (waarvan dit het „afgeremde” broertje is). Is de hellingcomponent kleiner dan de maximale statische wrijving, dan blijft het voorwerp liggen.
De maximale wrijvingskracht hangt af van de normaalkracht: Fw,max=f⋅FNF_{w,\text{max}}=f\cdot F_NFw,max​=f⋅FN​, met fff de wrijvingscoëfficiënt. Op een helling betekent dit Fw,max=f Fzcos⁡αF_{w,\text{max}}=f\,F_z\cos\alphaFw,max​=fFz​cosα. Het voorwerp begint pas te glijden als de hellingcomponent deze grens overschrijdt: Fzsin⁡α>f Fzcos⁡αF_z\sin\alpha > f\,F_z\cos\alphaFz​sinα>fFz​cosα, oftewel tan⁡α>f\tan\alpha > ftanα>f. De hoek waarbij het net gaat glijden (de grenshoek) hangt dus alleen van de wrijvingscoëfficiënt af, niet van de massa — een verrassend en toetsvaardig resultaat.
Fz,∥=Fzsin⁡α,Fz,⊥=Fzcos⁡αF_{z,\parallel} = F_z\sin\alpha, \qquad F_{z,\perp} = F_z\cos\alphaFz,∥​=Fz​sinα,Fz,⊥​=Fz​cosα

Zwaartekracht op een helling

De component langs de helling drijft de beweging; loodrecht bepaalt de normaalkracht.

a=gsin⁡α−Fwma = g\sin\alpha - \frac{F_w}{m}a=gsinα−mFw​​

Versnelling langs de helling

Zonder wrijving is a = g·sin α, onafhankelijk van de massa.

Fw,max=f FN=f Fzcos⁡α ⇒ glijdt als tan⁡α>fF_{w,\text{max}} = f\,F_N = f\,F_z\cos\alpha \ \Rightarrow\ \text{glijdt als } \tan\alpha > fFw,max​=fFN​=fFz​cosα ⇒ glijdt als tanα>f

Wrijving en grenshoek

Afglijden begint als de hellingcomponent de maximale wrijving overschrijdt.

Uitgewerkt voorbeeld

Afglijden van een wrijvingsloze helling

Een blok van 6,0 kg6{,}0\ \text{kg}6,0 kg ligt op een wrijvingsloze helling van 30∘30^\circ30∘. Bereken de versnelling langs de helling en de normaalkracht (g=9,81 m/s2g=9{,}81\ \text{m/s}^2g=9,81 m/s2).

  1. 01Zwaartekracht

    Bereken Fz=mgF_z=mgFz​=mg.

    Fz=6,0⋅9,81=58,9 NF_z = 6{,}0\cdot 9{,}81 = 58{,}9\ \text{N}Fz​=6,0⋅9,81=58,9 N
  2. 02Versnelling langs de helling

    Zonder wrijving: a=gsin⁡αa=g\sin\alphaa=gsinα.

    a=9,81⋅sin⁡30∘=4,9 m/s2a = 9{,}81\cdot\sin 30^\circ = 4{,}9\ \text{m/s}^2a=9,81⋅sin30∘=4,9 m/s2
  3. 03Normaalkracht

    De loodrechte component wordt door FNF_NFN​ opgeheven.

    FN=Fzcos⁡30∘=58,9⋅0,866=51 NF_N = F_z\cos 30^\circ = 58{,}9\cdot 0{,}866 = 51\ \text{N}FN​=Fz​cos30∘=58,9⋅0,866=51 N

Resultaat: De versnelling is 4,9 m/s24{,}9\ \text{m/s}^24,9 m/s2 langs de helling en de normaalkracht 51 N51\ \text{N}51 N.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: ontbind de zwaartekracht op een helling correct in Fzsin⁡αF_z\sin\alphaFz​sinα (langs) en Fzcos⁡αF_z\cos\alphaFz​cosα (loodrecht) en bepaal de normaalkracht.
  • Examendoel: bepaal de versnelling langs een helling met en zonder wrijving, en de voorwaarde tan⁡α>f\tan\alpha>ftanα>f voor afglijden.

Veelgemaakte fouten

  • De sinus en cosinus verwisselen: de component lángs de helling krijgt sin⁡α\sin\alphasinα, de component loodrecht op de helling cos⁡α\cos\alphacosα.
  • De normaalkracht gelijkstellen aan de volledige zwaartekracht FzF_zFz​ in plaats van aan Fzcos⁡αF_z\cos\alphaFz​cosα.

Actieve herhaling

Een slee van 25 kg25\ \text{kg}25 kg glijdt zonder wrijving van een helling van 20∘20^\circ20∘. Bereken de versnelling en de normaalkracht (g=9,81 m/s2g=9{,}81\ \text{m/s}^2g=9,81 m/s2).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein C1 (krachten) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Cirkelbeweging en middelpuntzoekende kracht#

●●●VerdiepingLPexamenblad-natuurkunde-C1

Eenparige cirkelbeweging: snelheid en middelpuntzoekende kracht

CirkelbewegingGeometrische Zeichnung, O, P, F_mpz, vOPx1x2Fmpzv
Afb. 4Afb. 1 — De snelheid v⃗\vec{v}v staat raaklijnig aan de baan; de kracht F⃗mpz\vec{F}_{\text{mpz}}Fmpz​ wijst naar het middelpunt en verandert alleen de richting van v⃗\vec{v}v.

Kernpunten

Bij een eenparige cirkelbeweging is de grootte van de snelheid constant, maar de rìchting verandert voortdurend. Omdat snelheid een vector is, is er dus toch een versnelling: de middelpuntzoekende (centripetale) versnelling, die altijd naar het middelpunt van de cirkel wijst. In Afb. 1 staat een voorwerp op een cirkelbaan met de snelheid v⃗\vec{v}v raaklijnig aan de baan en de kracht F⃗mpz\vec{F}_{\text{mpz}}Fmpz​ naar het middelpunt gericht. Zonder die naar binnen gerichte kracht zou het voorwerp rechtdoor vliegen (eerste wet).
De middelpuntzoekende versnelling heeft grootte ampz=v2ra_{\text{mpz}}=\dfrac{v^{2}}{r}ampz​=rv2​, met vvv de baansnelheid en rrr de straal. Volgens de tweede wet hoort daar een resulterende kracht bij, de middelpuntzoekende kracht Fmpz=m v2rF_{\text{mpz}}=\dfrac{m\,v^{2}}{r}Fmpz​=rmv2​, eveneens naar het middelpunt gericht. Belangrijk: „middelpuntzoekende kracht” is geen nieuwe, aparte kracht, maar de naam voor de resultante van de échte krachten (zwaartekracht, spankracht, normaalkracht, wrijving) in de richting van het middelpunt. Je moet dus eerst uitzoeken wélke kracht in een situatie de rol van middelpuntzoekende kracht speelt.
Met de omlooptijd TTT (de tijd voor één ronde) leg je het verband met de baansnelheid: het voorwerp legt in één omloop de omtrek 2πr2\pi r2πr af, dus v=2πrTv=\dfrac{2\pi r}{T}v=T2πr​. Hieruit volgt ook ampz=4π2rT2a_{\text{mpz}}=\dfrac{4\pi^{2}r}{T^{2}}ampz​=T24π2r​. Deze relaties koppelen de meetbare omlooptijd aan de snelheid en de benodigde kracht — onmisbaar bij satellieten, draaimolens en bochten. De hoeksnelheid ω=2πT\omega=\dfrac{2\pi}{T}ω=T2π​ geeft de compacte vorm v=ωrv=\omega rv=ωr en Fmpz=mω2rF_{\text{mpz}}=m\omega^{2}rFmpz​=mω2r.
In toepassingen bepaal je eerst de richting naar het middelpunt en stelt dan de som van de krachtcomponenten in die richting gelijk aan mv2r\dfrac{mv^{2}}{r}rmv2​. In een horizontale bocht levert de wrijving tussen band en weg de middelpuntzoekende kracht: Fw=mv2rF_w=\dfrac{mv^{2}}{r}Fw​=rmv2​; wordt de gevraagde kracht groter dan de maximale wrijving, dan slipt de auto naar buiten. Bij een slinger of een looping combineer je zwaartekracht en spankracht/normaalkracht. Een veelgemaakte denkfout is een naar buiten gerichte „middelpuntvliedende kracht” tekenen — die bestaat niet in het krachtendiagram; het naar buiten „geduwd worden” is het traagheidsgevoel, niet een echte kracht op het voorwerp.
ampz=v2r,Fmpz=m v2ra_{\text{mpz}} = \frac{v^{2}}{r}, \qquad F_{\text{mpz}} = \frac{m\,v^{2}}{r}ampz​=rv2​,Fmpz​=rmv2​

Middelpuntzoekende versnelling en kracht

Beide wijzen naar het middelpunt; F_mpz is de resultante van de echte krachten.

v=2πrT,ω=2πT,v=ωrv = \frac{2\pi r}{T}, \qquad \omega = \frac{2\pi}{T}, \qquad v = \omega rv=T2πr​,ω=T2π​,v=ωr

Baansnelheid en omlooptijd

Eén omloop is de omtrek 2πr in de tijd T.

Uitgewerkt voorbeeld

Kracht in een bocht

Een wielrenner (samen met fiets 75 kg75\ \text{kg}75 kg) rijdt met 12 m/s12\ \text{m/s}12 m/s door een bocht met straal 30 m30\ \text{m}30 m. Bereken de middelpuntzoekende kracht.

  1. 01Formule kiezen

    Gebruik Fmpz=mv2/rF_{\text{mpz}}=mv^2/rFmpz​=mv2/r.

    Fmpz=m v2rF_{\text{mpz}} = \frac{m\,v^{2}}{r}Fmpz​=rmv2​
  2. 02Invullen

    Vul massa, snelheid en straal in.

    Fmpz=75⋅12230=1080030F_{\text{mpz}} = \frac{75\cdot 12^{2}}{30} = \frac{10800}{30}Fmpz​=3075⋅122​=3010800​
  3. 03Uitrekenen

    Deel uit en rond af op twee significante cijfers.

    Fmpz=3,6⋅102 NF_{\text{mpz}} = 3{,}6\cdot10^{2}\ \text{N}Fmpz​=3,6⋅102 N

Resultaat: De benodigde kracht is 3,6⋅102 N3{,}6\cdot10^{2}\ \text{N}3,6⋅102 N, geleverd door de wrijving tussen band en weg (gericht naar het middelpunt van de bocht).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bereken de middelpuntzoekende versnelling en kracht met ampz=v2/ra_{\text{mpz}}=v^2/rampz​=v2/r en Fmpz=mv2/rF_{\text{mpz}}=mv^2/rFmpz​=mv2/r, en gebruik v=2πr/Tv=2\pi r/Tv=2πr/T.
  • Examendoel: benoem welke werkelijke kracht (wrijving, spankracht, zwaartekracht, normaalkracht) in een gegeven situatie de middelpuntzoekende kracht levert.

Veelgemaakte fouten

  • Een naar buiten gerichte „middelpuntvliedende kracht” in het krachtendiagram tekenen — de resulterende kracht wijst juist naar binnen.
  • De baansnelheid en de omlooptijd verwarren of v=2πr/Tv=2\pi r/Tv=2πr/T verkeerd toepassen (bijvoorbeeld de omtrek vergeten).

Actieve herhaling

Een auto van 1,2⋅103 kg1{,}2\cdot10^{3}\ \text{kg}1,2⋅103 kg rijdt met 20 m/s20\ \text{m/s}20 m/s door een bocht met straal 80 m80\ \text{m}80 m. Bereken de benodigde middelpuntzoekende kracht en leg uit welke kracht deze levert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein C1 (cirkelbeweging) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Beweging beschrijven met grafieken○
    • 02De drie wetten van Newton◐
    • 03Krachten ontbinden en de hellingbaan◐
    • 04Cirkelbeweging en middelpuntzoekende kracht●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kracht en beweging (vectoren, wetten van Newton)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma natuurkunde vwo — subdomein C1 (kracht en beweging)

Vorig onderwerp

Vaardigheden (rekenen met vectoren, onderzoeken, modelleren)

Volgend onderwerp

Energie en wisselwerking (arbeid, energie, warmte)

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.