EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Stijlperiode: barok
Samenvattingen · MuziekNL · VWO

Stijlperiode: barok

De barok (ca. 1600-1750) is de periode van de basso continuo, de functionele tonaliteit, de terrasdynamiek en de doorgaande beweging, met een muziek die per deel een enkele affect (gemoedstoestand) uitdrukt. Ze bracht grote genres voort: opera, oratorium, cantate en passie, het concerto grosso en het soloconcert, de fuga en de suite. Dit onderwerp behandelt de kenmerken, de genres en de representatieve componisten (Monteverdi, Vivaldi, Handel, Bach), en het op gehoor herkennen en dateren van barokmuziek — CE-muziekgeschiedenis.

3 Onderdelen·~10 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·111111 / 16
Examenprofiel
De kenmerken van de barok (basso continuo, tonaliteit, terrasdynamiek, doorgaande beweging, affectenleer) herkennen.De barokgenres (opera, oratorium, cantate/passie, concerto grosso, soloconcert, fuga, suite) benoemen.Barokmuziek dateren en representatieve componisten en werken (Monteverdi, Vivaldi, Handel, Bach) plaatsen.
Operatoren:herkenbeschrijfdateerverklaarbenoem

basisniveau

Voor iedereen: leer de basso continuo en de terrasdynamiek op gehoor herkennen; die twee zijn de betrouwbaarste barokaanwijzingen.

verhoogd niveau

Verdieping: de barokgenres aan bezetting en vorm herkennen en de affectenleer en het concertoprincipe (ritornello) toelichten.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Stijlperiode: barok
    • 01Kenmerken van de barokstijl○
    • 02De genres van de barok◐
    • 03Componisten en werken; dateren op gehoor◐
§ 01

Kenmerken van de barokstijl#

●○○BasisLPexamenblad-muziek-geschiedenis-barok

Kernpunten

De barok bracht een fundamenteel nieuwe manier van componeren. Het meest kenmerkende is de basso continuo (doorlopende bas): onder de muziek klinkt voortdurend een baslijn, gespeeld door een baspartij (cello, fagot) en tegelijk door een akkoordinstrument (klavecimbel, orgel, luit) dat daarboven de akkoorden invult. Afb. 1 vat deze en de andere kenmerken samen. De continuo is het fundament waarop de hele barokmuziek rust en levert haar herkenbare, stuwende onderlaag.

Kenmerken van de barok

BarokkenmerkenTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: kenmerk · uitleg; basso continuo · doorlopende bas plus akkoordinstrument (klavecimbel, orgel); functionele tonaliteit · majeur en mineur met T-S-D-functies vervangen de modaliteit; terrasdynamiek · abrupte wisselingen luid-zacht, geen geleidelijk zwellen; doorgaande beweging · een gelijkmatig voortstuwend, onvermoeibaar ritme; affectenleer · een deel drukt een enkele, volgehouden gemoedstoestand uit, gemarkeerde cel: basso continuoKENMERKUITLEGbasso continuodoorlopende bas plusakkoordinstrument(klavecimbel, orgel)functionele tonaliteitmajeur en mineur met T-S-D-functies vervangen demodaliteitterrasdynamiekabrupte wisselingen luid-zacht, geen geleidelijkzwellendoorgaande bewegingeen gelijkmatigvoortstuwend, onvermoeibaarritmeaffectenleereen deel drukt een enkele,volgehouden gemoedstoestanduit
Afb. 1Afb. 1 — De kernkenmerken van de barokstijl. De basso continuo is de doorlopende bas met akkoordinstrument die de hele periode kenmerkt.
Met de basso continuo hangt de doorbraak van de functionele tonaliteit samen: het systeem van majeur en mineur met de functies tonica, subdominant en dominant verving definitief de oude modaliteit. Voor het eerst stuurt de harmonie de muziek met haar spel van spanning en ontspanning (de cadensen uit het harmoniehoofdstuk). Deze harmonische taal, in de barok ontwikkeld, bleef tot in de romantiek en de pop de basis van de westerse muziek.
De dynamiek in de barok verloopt in terrassen: luide en zachte passages wisselen elkaar abrupt af, zonder geleidelijke crescendo's. Dat hangt deels samen met de instrumenten (het klavecimbel kan niet geleidelijk zwellen) en deels met het concertoprincipe, waarin groepen tegen elkaar worden uitgespeeld. Daarnaast kent de barok een doorgaande beweging: een gelijkmatig voortstuwend ritme dat een deel van begin tot eind draagt, alsof de muziek niet stilstaat.
De uitdrukking is in de barok gebonden aan de affectenleer: elk deel drukt een enkele, duidelijke gemoedstoestand (affect) uit — vreugde, verdriet, woede, rust — die van begin tot eind wordt volgehouden. Anders dan in de latere muziek, waar binnen een deel de stemming wisselt, houdt een barokdeel zijn ene affect vast. Componisten gebruikten daarvoor vaste muzikale figuren (bepaalde ritmes, intervallen, toonschildering) die met een affect verbonden waren.
Samen geven deze kenmerken de barok haar herkenbare klank: een stuwende continuobas, heldere majeur-mineur-harmonie met sterke cadensen, terrasdynamiek, een doorgaand ritme en een volgehouden stemming. Hoor je een doorlopende bas met daarboven klavecimbelakkoorden, terrasdynamiek en een onvermoeibaar voortgaand ritme, dan wijst dat sterk op de barok. In de volgende secties zie je hoe deze stijl in verschillende genres gestalte kreeg.
Uitgewerkt voorbeeld

Barok herkennen aan de kenmerken

Een fragment heeft een doorlopende cellobas met klavecimbelakkoorden, een onophoudelijk stuwend ritme en plotselinge wisselingen tussen luid en zacht. Wat zeggen deze kenmerken?

  1. 01Bas

    De doorlopende cellobas met klavecimbelakkoorden is een basso continuo.

  2. 02Ritme

    Het onophoudelijk stuwende ritme is de doorgaande beweging.

  3. 03Dynamiek

    Plotselinge luid-zachtwisselingen zonder overgang zijn terrasdynamiek.

  4. 04Optellen

    Continuo, doorgaande beweging en terrasdynamiek wijzen alle op de barok.

Resultaat: De drie kenmerken samen (basso continuo, doorgaande beweging, terrasdynamiek) dateren het fragment als barok (ca. 1600-1750). Een enkel kenmerk zou minder overtuigen; de combinatie maakt het sterk.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de barok herkennen aan basso continuo, functionele tonaliteit, terrasdynamiek en doorgaande beweging.
  • Examendoel: de affectenleer uitleggen (een deel drukt een enkele, volgehouden gemoedstoestand uit).

Veelgemaakte fouten

  • Terrasdynamiek verwarren met geleidelijke crescendo's; die laatste komen pas vanaf de klassiek in zwang.
  • Barok als modaal denken; juist in de barok breekt de functionele majeur-mineur-tonaliteit door.

Actieve herhaling

Beluister een barokfragment en wijs de basso continuo aan (de doorlopende bas met akkoordinstrument). Beschrijf ook de dynamiek (terras of geleidelijk) en het ritme (doorgaand of niet).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — kenmerken van de barok (CvTE / Examenblad)

§ 02

De genres van de barok#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-geschiedenis-barok

Kernpunten

De barok bracht een reeks genres voort die de muziekgeschiedenis blijvend hebben bepaald. Het spectaculairst was de opera, aan het begin van de periode uitgevonden: een gezongen toneelstuk met solisten, koor en orkest, waarin het drama in muziek wordt verteld. Claudio Monteverdi bracht met L'Orfeo (1607) de opera meteen tot grote hoogte. De verwante genres oratorium (een gezongen, meestal bijbels verhaal zonder toneelenscenering, zoals Handels Messiah) en cantate en passie (Bachs Matthauspassie) delen de vocale, dramatische aanpak.
Even belangrijk was de instrumentale muziek, die zich in de barok voor het eerst als gelijkwaardige kunst emancipeerde. Het concertoprincipe — het tegenover elkaar zetten van klankgroepen — leidde tot het concerto grosso, waarin een kleine groep solisten (het concertino) afwisselt met het volledige orkest (het tutti of ripieno). Afb. 2 toont die ritornellovorm: een terugkerend orkestthema (ritornello) wisselt af met episoden voor de solisten. Uit dit principe groeide ook het soloconcert, met een enkele solist tegenover het orkest, waarvan Vivaldi's Le quattro stagioni (De vier jaargetijden) het beroemdste voorbeeld is.

De ritornellovorm van het concerto

Concerto: ritornellovormGraaf, ritornello (tutti) → episode (soli), episode (soli) → ritornello (tutti), ritornello (tutti) → episode (soli), episode (soli) → ritornello (tutti)ritornello(tutti)episode (soli)ritornello(tutti)episode (soli)ritornello(tutti)
Afb. 2Afb. 2 — De ritornellovorm van het barokconcert: een terugkerend orkestthema (ritornello, tutti, accent) wisselt af met episoden voor de solisten (concertino).
De fuga is het hoogtepunt van de barokke polyfonie, vervolmaakt door Johann Sebastian Bach. Ze begint met een thema (het subject) dat door een enkele stem wordt ingezet en daarna door de andere stemmen wordt overgenomen en geimiteerd, waarna de stemmen zich in een streng en tegelijk levend contrapunt verweven. Bachs Das wohltemperierte Klavier en Die Kunst der Fuge zijn de encyclopedieen van deze kunst. De fuga vraagt van de luisteraar dat hij meerdere gelijkwaardige lijnen tegelijk volgt.
Voor de instrumentale huismuziek en het hof was er de suite: een reeks gestileerde dansdelen (zoals allemande, courante, sarabande en gigue), elk met een eigen maat en karakter, achter elkaar in dezelfde toonsoort. De suite bood afwisseling binnen eenheid: verschillende dansen, maar samengebonden door de toonsoort. Ook de sonate (een meerdelig stuk voor een of enkele instrumenten met continuo) hoorde bij dit kamermuzikale repertoire.
Deze genres delen alle de barokke kenmerken uit de vorige sectie: een basso continuo als fundament, functionele harmonie, terrasdynamiek en een doorgaande beweging. Wie een genre wil herkennen, let op de bezetting en de vorm: zangsolisten met een dramatisch verhaal (opera, oratorium, passie), afwisseling van soligroep en orkest (concerto), een enkel thema dat door de stemmen jaagt (fuga), of een reeks dansdelen (suite). Zo verbind je de abstracte kenmerken met concrete muziek.
Uitgewerkt voorbeeld

Een barokgenre herkennen

Je hoort een orkestthema dat telkens terugkeert, afgewisseld met passages waarin een enkele viool virtuoos soleert. Welk genre en welke vorm is dit?

  1. 01Afwisseling horen

    Een orkestthema keert steeds terug, met daartussen solopassages.

  2. 02Vorm benoemen

    Een terugkerend orkestthema (ritornello) met soloepisoden is de ritornellovorm.

  3. 03Solist tellen

    Er soleert een enkele viool, niet een groepje solisten.

  4. 04Genre bepalen

    Een enkele solist tegenover het orkest is een soloconcert (geen concerto grosso).

Resultaat: Dit is een soloconcert in ritornellovorm: het terugkerende orkestthema omlijst de solo-episoden van de vioolsolist. Was er een groepje solisten geweest, dan zou het een concerto grosso zijn.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de barokgenres (opera, oratorium, cantate/passie, concerto grosso, soloconcert, fuga, suite) aan bezetting en vorm herkennen.
  • Examendoel: het concerto grosso en de ritornellovorm (afwisseling tutti-concertino) uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Opera en oratorium gelijkstellen; een oratorium wordt niet op toneel geensceneerd, een opera wel.
  • Een concerto grosso (kleine solistengroep tegenover orkest) verwarren met een soloconcert (een enkele solist).

Actieve herhaling

Beluister een barokconcert en wijs de afwisseling tussen tutti (het hele orkest) en concertino of solist aan. Bepaal of het om een concerto grosso of een soloconcert gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — barokgenres (CvTE / Examenblad)

§ 03

Componisten en werken; dateren op gehoor#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-geschiedenis-barok

Kernpunten

De barok kent een reeks meesters die de tijdlijn markeren. Afb. 3 plaatst de belangrijkste. Aan het begin staat Claudio Monteverdi, die met L'Orfeo de opera lanceerde en de brug sloeg van de renaissance naar de barok. In Italie ontwikkelden Arcangelo Corelli en vooral Antonio Vivaldi het concert; Vivaldi's Vier jaargetijden zijn programmatische soloconcerten die de seizoenen in klank schilderen.

Tijdlijn van de barok

De barokTijdlijn van 1600 tot 1760, 1607: Monteverdi: L'Orfeo, 1685: Bach en Handel geboren, 1723: Vivaldi: Vier jaargetijden, 1742: Handel: Messiah, 1750: dood van Bach, 1600–1750: barok16001760jaarbarok1607Monteverdi:L'Orfeo1685Bach en Handelgeboren1723Vivaldi: Vierjaargetijden1742Handel: Messiah1750dood van Bach
Afb. 3Afb. 3 — Tijdlijn van de barok (ca. 1600-1750) met sleutelmomenten en componisten, van Monteverdi's L'Orfeo tot de dood van Bach.
Het hoogtepunt en einde van de barok valt samen met twee tijdgenoten, beiden in 1685 geboren. Georg Friedrich Handel, een kosmopoliet die in Londen furore maakte, schreef opera's en beroemde oratoria als Messiah (met het Halleluja-koor). Johann Sebastian Bach, in Duitsland werkzaam als kerkmusicus, bracht de barokke polyfonie tot volmaaktheid in zijn cantates, passies (de Matthauspassie), orgelwerken en fuga's. Bachs dood in 1750 geldt als het symbolische einde van de barok.
Elk van deze componisten belichaamt de barokstijl, maar met een eigen accent. Vivaldi is virtuoos, kleurrijk en direct; Handel groots en publieksgericht; Bach diepzinnig en polyfoon vernuftig; Monteverdi dramatisch en tekstexpressief. Toch delen ze het gemeenschappelijke fundament: basso continuo, functionele harmonie, terrasdynamiek en doorgaande beweging. Voor het examen hoef je geen levensbeschrijvingen te kennen, maar wel deze namen aan de barok en aan enkele kenmerkende werken te kunnen koppelen.
Bij het dateren van een barokfragment combineer je opnieuw meerdere aanwijzingen. Een doorlopende continuobas met klavecimbel, functionele majeur-mineur-harmonie met sterke cadensen, terrasdynamiek en een onvermoeibaar doorgaand ritme wijzen samen betrouwbaar op de barok. Let ook op de bezetting: strijkers met klavecimbel is een typisch barokensemble, terwijl een piano of een groot romantisch orkest de barok uitsluit.
De barok is scharnierpunt in de muziekgeschiedenis: hier ontstonden de tonaliteit en veel genres (opera, concert, sonate) die de eeuwen daarna zouden domineren. Uit de barokke doorgaande beweging en de volgehouden affect groeide, via een reactie erop, de helderder en meer contrasterende klassieke stijl van het volgende onderwerp. Op het examen laat je zien dat je barokmuziek niet alleen herkent, maar haar plaats in de ontwikkeling begrijpt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment als barok dateren

Een fragment voor strijkers en klavecimbel heeft een doorlopende bas, sterke V-I-cadensen, plotselinge dynamische wisselingen en een stuwend, gelijkmatig ritme. Dateer en onderbouw.

  1. 01Bezetting

    Strijkers met klavecimbel is een typisch barokensemble.

  2. 02Harmonie en bas

    Een doorlopende bas met sterke V-I-cadensen wijst op basso continuo en functionele tonaliteit.

  3. 03Dynamiek en ritme

    Plotselinge dynamische wisselingen (terrasdynamiek) en een stuwend ritme (doorgaande beweging).

  4. 04Optellen

    Bezetting, continuo, tonaliteit, terrasdynamiek en doorgaande beweging wijzen alle op de barok.

Resultaat: Het fragment is barok (ca. 1600-1750): klavecimbelensemble, basso continuo, functionele cadensen, terrasdynamiek en doorgaande beweging vallen samen. Vijf kenmerken maken de datering zeer stevig.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: representatieve barokcomponisten (Monteverdi, Vivaldi, Handel, Bach) en enkele kenmerkende werken plaatsen.
  • Examendoel: een fragment als barok dateren op grond van meerdere samenvallende kenmerken en de bezetting.

Veelgemaakte fouten

  • Een barokfragment met piano dateren; de piano bestond nog nauwelijks, het toetsinstrument van de barok is het klavecimbel.
  • Bach en Handel in verschillende periodes plaatsen; ze zijn tijdgenoten (beiden 1685 geboren) en beiden barok.

Actieve herhaling

Beluister een fragment en dateer het als barok met minstens drie onderbouwende kenmerken (bijvoorbeeld basso continuo, terrasdynamiek, doorgaande beweging, klavecimbel in de bezetting).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — barokcomponisten (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Kenmerken van de barokstijl○
    • 02De genres van de barok◐
    • 03Componisten en werken; dateren op gehoor◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Stijlperiode: barok

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~10
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Syllabus muziek vwo — kenmerken van de barok

Vorig onderwerp

Stijlperioden: middeleeuwen en renaissance

Volgend onderwerp

Stijlperioden: klassieke periode en romantiek

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.