EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Instrumentarium, stemsoorten en bezetting
Samenvattingen · MuziekNL · VWO

Instrumentarium, stemsoorten en bezetting

Om muziek te kunnen benoemen moet je horen wie er speelt. Dit onderwerp behandelt de instrumentfamilies van het orkest (strijkers, houtblazers, koperblazers, slagwerk, toetsen), de wetenschappelijke indeling naar klankopwekking (Hornbostel-Sachs: idiofoon, membranofoon, chordofoon, aerofoon, elektrofoon), de menselijke stemsoorten met hun toonhoogtebereik, en de standaardensembles en bezettingen (strijkkwartet, symfonieorkest, koor, bigband, popband). Bezetting herkennen is een kernvaardigheid van de luistertoets.

3 Onderdelen·~10 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0888 / 16
Examenprofiel
De instrumentfamilies herkennen en instrumenten op gehoor in de juiste familie plaatsen.De Hornbostel-Sachs-indeling (idiofoon, membranofoon, chordofoon, aerofoon, elektrofoon) toepassen op grond van de klankopwekking.Stemsoorten onderscheiden en ensembles/bezettingen (strijkkwartet, symfonieorkest, koor, bigband, popband) op gehoor herkennen.
Operatoren:herkenbenoemplaatsonderscheidbeschrijf

basisniveau

Voor iedereen: leer de vijf instrumentfamilies en de standaardensembles herkennen; dat volstaat voor de meeste bezettingsvragen.

verhoogd niveau

Verdieping: instrumenten indelen naar klankopwekking (Hornbostel-Sachs) en fijnere bezettingen (kamermuziek, bigband) op gehoor benoemen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Instrumentarium, stemsoorten en bezetting
    • 01De instrumentfamilies van het orkest○
    • 02Klankopwekking: de Hornbostel-Sachs-indeling◐
    • 03Stemsoorten, ensembles en bezetting◐
§ 01

De instrumentfamilies van het orkest#

●○○BasisLPexamenblad-muziek-instrumentarium

Kernpunten

De westerse instrumenten worden traditioneel in vier orkestfamilies gegroepeerd, aangevuld met de toetsinstrumenten. Afb. 1 zet ze op een rij met hun manier van klank maken en hun belangrijkste leden. De strijkers (viool, altviool, cello, contrabas) maken klank met een strijkstok over gespannen snaren en vormen de grootste en meest zingende groep van het symfonieorkest — de warme kern van de orkestklank.

De instrumentfamilies

InstrumentfamiliesTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: familie · klankopwekking · voorbeelden; strijkers · strijkstok over gespannen snaren · viool, altviool, cello, contrabas; houtblazers · luchtkolom via riet of aanblaasgat · fluit, hobo, klarinet, fagot; koperblazers · lippen trillen in een mondstuk · trompet, hoorn, trombone, tuba; slagwerk · aanslaan, schudden, roffelen · pauken, trom, bekken, xylofoon; toetsinstrumenten · toetsen bedienen een mechaniek · piano, orgel, klavecimbel, gemarkeerde cel: strijkersFAMILIEKLANKOPWEKKINGVOORBEELDENstrijkersstrijkstok over gespannensnarenviool, altviool, cello,contrabashoutblazersluchtkolom via riet ofaanblaasgatfluit, hobo, klarinet, fagotkoperblazerslippen trillen in eenmondstuktrompet, hoorn, trombone,tubaslagwerkaanslaan, schudden, roffelenpauken, trom, bekken,xylofoontoetsinstrumententoetsen bedienen eenmechaniekpiano, orgel, klavecimbel
Afb. 1Afb. 1 — De instrumentfamilies met hun manier van klank maken en hun belangrijkste leden. De klankopwekking, niet het materiaal, bepaalt de familie.
De houtblazers (fluit, hobo, klarinet, fagot) laten een luchtkolom trillen, aangeblazen via een aanblaasgat (fluit) of een riet (hobo, klarinet, fagot). Ze klinken elk zeer karakteristiek: de fluit helder en zuiver, de hobo nasaal en doordringend, de klarinet rond en wendbaar, de fagot donker en houterig. Ondanks hun naam zijn moderne fluiten van metaal; de familie is bepaald door de klankopwekking, niet door het materiaal.
De koperblazers (trompet, hoorn, trombone, tuba) wekken hun klank op door de lippen te laten trillen in een mondstuk, waarna de luchtkolom in een lange, opgerolde buis resoneert. Ze klinken luid en stralend en dragen ver; de trompet schettert helder, de hoorn klinkt rond en romantisch, de trombone plechtig (met schuif in plaats van kleppen), de tuba diep en fundamenteel. Koper wordt vaak ingezet voor climaxen en plechtige of triomfantelijke passages.
Het slagwerk is de meest diverse familie: alles wat je slaat, schudt of aanstrijkt. Sommige slagwerkinstrumenten hebben een bepaalde toonhoogte (pauken, xylofoon, klokkenspel), andere niet (kleine trom, bekken, triangel). Slagwerk markeert het ritme, geeft accenten en kleur, en kan van een fluistering (een geroffelde trom) tot een donderslag (bekkens en pauken samen) gaan. In veel niet-westerse muziek en in pop is slagwerk juist de dragende laag.
De toetsinstrumenten (piano, orgel, klavecimbel) vormen een groep apart, omdat de speler via een toetsenbord de klank opwekt terwijl daarachter heel verschillende mechanismen zitten: bij de piano slaan hamertjes op snaren, bij het klavecimbel worden snaren getokkeld, bij het orgel klinken pijpen (lucht). Ze kunnen in hun eentje melodie en harmonie tegelijk spelen, wat ze geschikt maakt als solo- en begeleidingsinstrument. Het herkennen van de familie is de eerste, snelste stap bij het bepalen van de bezetting van een fragment.
Uitgewerkt voorbeeld

Een instrument in zijn familie plaatsen

Je hoort een nasaal, doordringend blaasinstrument dat een lange, zingende solo speelt. Om welke familie en welk instrument kan het gaan?

  1. 01Blaasfamilie bepalen

    Een blaasinstrument met een rietachtige, nasale klank hoort bij de houtblazers, niet bij het koper (dat schettert of rond klinkt).

  2. 02Binnen de familie

    Nasaal en doordringend, geschikt voor een zingende solo, past bij de hobo.

  3. 03Uitsluiten

    De fluit is te zuiver/helder, de klarinet ronder, de fagot te donker en laag.

  4. 04Bevestigen

    De typische hobosolo (bijvoorbeeld het stemmen van het orkest of een pastorale melodie) bevestigt de keuze.

Resultaat: Het is een houtblazer, en wel de hobo: nasaal, doordringend en zangerig. Door eerst de familie (hout) en dan het karakter te bepalen, kom je betrouwbaar bij het juiste instrument.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vijf instrumentfamilies benoemen en een gehoord instrument in de juiste familie plaatsen.
  • Examendoel: de karakteristieke klank van de belangrijkste instrumenten (viool, fluit, hobo, trompet, hoorn) herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • De houtblazers indelen naar materiaal; de moderne fluit is van metaal maar hoort door de klankopwekking bij de houtblazers.
  • Alle blazers op een hoop gooien; hout (riet of aanblaasgat) en koper (lippen in mondstuk) zijn aparte families met een andere klank.

Actieve herhaling

Beluister een orkestfragment en noteer welke instrumentfamilies je hoort, met per familie minstens een concreet instrument. Geef aan welke familie de melodie draagt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — instrumentfamilies (CvTE / Examenblad)

§ 02

Klankopwekking: de Hornbostel-Sachs-indeling#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-instrumentarium

Kernpunten

De orkestfamilies zijn praktisch, maar ze passen niet op alle muziek ter wereld. Een wetenschappelijker indeling groepeert instrumenten naar wat er precies trilt om de klank te maken: het Hornbostel-Sachs-systeem. Afb. 2 toont de vijf hoofdklassen. Ze werken over alle culturen heen — of het nu om een viool, een Afrikaanse trom of een Javaanse gong gaat — omdat elk instrument klank maakt door iets in trilling te brengen.

De Hornbostel-Sachs-indeling

KlankopwekkingGraaf, instrument → idiofoon (lichaam trilt), instrument → membranofoon (vel trilt), instrument → chordofoon (snaar trilt), instrument → aerofoon (lucht trilt), instrument → elektrofoon (elektronisch)instrumentidiofoon(lichaam trilt)membranofoon(vel trilt)chordofoon(snaar trilt)aerofoon (luchttrilt)elektrofoon(elektronisch)
Afb. 2Afb. 2 — De Hornbostel-Sachs-indeling naar klankopwekking. Vraag je bij elk instrument af wat er trilt: het lichaam, een vel, een snaar, de lucht of een elektronische schakeling.
Bij een idiofoon trilt het materiaal van het instrument zelf, zonder snaren of vel: denk aan een bekken, een xylofoon, een triangel of een gong. Bij een membranofoon trilt een gespannen vel (membraan): alle trommen en de pauken horen hier. Het verschil is hoorbaar en zichtbaar: sla je op het lichaam van het instrument zelf (idiofoon) of op een gespannen vel (membranofoon)?
Bij een chordofoon trilt een gespannen snaar. Dat verbindt instrumenten die er heel verschillend uitzien: de viool (gestreken snaar), de gitaar en harp (getokkelde snaar) en de piano (aangeslagen snaar) horen alle bij de chordofonen. Bij een aerofoon trilt een luchtkolom: alle blaasinstrumenten, van fluit en trompet tot orgel en mondharmonica. Zo vallen de vertrouwde hout- en koperblazers samen in een klasse, want ze delen het principe (trillende lucht).
De vijfde klasse, de elektrofoon, is in de twintigste eeuw toegevoegd: instrumenten die hun klank elektronisch opwekken of versterken, zoals de synthesizer en de elektrische gitaar. Deze klasse laat zien dat het systeem meegroeit met de techniek. Samen dekken de vijf klassen vrijwel elk instrument ter wereld, wat het systeem geschikt maakt voor het beschrijven van wereldmuziek naast het westerse orkest.
De twee indelingen vullen elkaar aan. De orkestfamilies zijn handig om de klank van westerse muziek snel te benoemen; de Hornbostel-Sachs-klassen zijn nauwkeuriger en universeel toepasbaar, en verklaren waarom instrumenten die er anders uitzien toch verwant klinken. Op het examen moet je een instrument kunnen indelen naar klankopwekking: vraag je altijd af wat er trilt — het lichaam, een vel, een snaar, een luchtkolom of een elektronische schakeling.
Uitgewerkt voorbeeld

Instrumenten indelen naar klankopwekking

Deel een gong, een pauk en een harp in naar Hornbostel-Sachs.

  1. 01Gong

    Bij een gong trilt het metaal van het instrument zelf: een idiofoon.

  2. 02Pauk

    Bij een pauk trilt een gespannen vel over de ketel: een membranofoon.

  3. 03Harp

    Bij een harp trillen gespannen snaren: een chordofoon.

  4. 04Rode draad

    Telkens is de vraag: wat trilt? Lichaam, vel of snaar bepaalt de klasse.

Resultaat: Gong = idiofoon (lichaam trilt), pauk = membranofoon (vel trilt), harp = chordofoon (snaar trilt). De vraag wat trilt er leidt betrouwbaar naar de juiste klasse, ook bij onbekende of niet-westerse instrumenten.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de klankopwekking van een instrument bepalen en het in de juiste Hornbostel-Sachs-klasse plaatsen.
  • Examendoel: uitleggen waarom instrumenten die er verschillend uitzien (viool, gitaar, piano) toch tot dezelfde klasse (chordofoon) horen.

Veelgemaakte fouten

  • De piano bij de idiofonen of het slagwerk plaatsen; er trilt een snaar, dus het is een chordofoon (al wordt die snaar aangeslagen).
  • Idiofoon en membranofoon verwarren: bij een idiofoon trilt het instrument zelf, bij een membranofoon een gespannen vel.

Actieve herhaling

Deel de volgende instrumenten in naar Hornbostel-Sachs: een gong, een pauk, een harp, een trompet en een synthesizer. Zeg bij elk wat er trilt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — indeling van instrumenten (CvTE / Examenblad)

§ 03

Stemsoorten, ensembles en bezetting#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-instrumentarium

Kernpunten

De menselijke stem is het oudste instrument, en de zangstemmen worden ingedeeld naar toonhoogtebereik. Afb. 3 toont de vier hoofdstemsoorten en hun globale bereik: van hoog naar laag de sopraan en alt (doorgaans vrouwenstemmen) en de tenor en bas (doorgaans mannenstemmen). Daartussen liggen de mezzosopraan en de bariton. De bereiken overlappen elkaar deels, wat je in de figuur ziet: een alt en een tenor delen een groot deel van hun tonen, maar klinken door hun stemkleur toch verschillend.

De stemsoorten en hun bereik

Stemsoorten naar bereikGetallenlijn, bas, tenor, alt, sopraan0510bastenoraltsopraan
Afb. 3Afb. 3 — De vier hoofdstemsoorten op een toonhoogte-as van laag naar hoog. De bereiken overlappen; sopraan (accent) is de hoogste, bas de laagste stem.
In vierstemmige koormuziek vormen deze stemmen samen het klassieke SATB-koor: sopraan, alt, tenor en bas. De sopranen dragen meestal de melodie, de bas het harmonisch fundament, en alt en tenor vullen de akkoorden. Deze vierdeling is de basis van eeuwen koormuziek en van het vierstemmig zetten van koralen; ze weerspiegelt de behoefte om met stemmen volledige akkoorden (grondtoon, terts, kwint) te kunnen vormen.
Instrumenten worden gecombineerd tot vaste ensembles, elk met een eigen klank en repertoire. Het strijkkwartet (twee violen, altviool en cello) is het intieme hart van de kamermuziek, waarin vier gelijkwaardige strijkers een fijnmazig gesprek voeren. Het symfonieorkest is het grootste ensemble, met tientallen strijkers plus hout, koper en slagwerk, geleid door een dirigent — het instrument van de symfonie en het concert.
Naast de klassieke ensembles zijn er de bezettingen van jazz en pop. De bigband (jazz) telt secties saxofoons, trompetten en trombones plus een ritmesectie (piano, bas, drums, gitaar) en klinkt vol en swingend. De popband is kleiner: doorgaans zang, gitaar, basgitaar, toetsen en drumstel, vaak elektronisch versterkt. Elke bezetting heeft haar eigen klankbeeld, zodat je aan de combinatie van instrumenten vaak meteen het genre hoort.
Bezetting herkennen is een van de meest gestelde luistervragen, want ze verraadt genre en periode. Een klavecimbel met strijkers wijst op de barok, een strijkkwartet op kamermuziek uit de klassiek of later, een bigband op de swingjazz, een band met versterkte gitaren op pop of rock. Begin daarom bij een luisterfragment altijd met de vraag: welke instrumenten en stemmen hoor ik, en welk ensemble vormen ze samen? Dat antwoord stuurt je hele verdere analyse en datering.
Uitgewerkt voorbeeld

Een bezetting herkennen en dateren

Je hoort een klein ensemble van vier strijkers zonder dirigent, die een fijnmazig, gelijkwaardig samenspel voeren. Welke bezetting is dit en wat zegt het over genre?

  1. 01Instrumenten tellen

    Vier strijkers, geen blazers of slagwerk, geen dirigent.

  2. 02Ensemble benoemen

    Twee violen, een altviool en een cello vormen een strijkkwartet.

  3. 03Genre bepalen

    Het strijkkwartet is bij uitstek kamermuziek: intiem, voor een kleine ruimte.

  4. 04Periode inschatten

    Het strijkkwartet ontstond in de klassieke periode (Haydn) en bleef daarna een kerngenre, dus klassiek of later.

Resultaat: Het is een strijkkwartet (twee violen, altviool, cello): kamermuziek die in de klassieke periode ontstond. De bezetting alleen al verraadt genre en globale periode — vandaar dat je er bij elke luistervraag mee begint.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vier stemsoorten (SATB) onderscheiden en het SATB-koor herkennen.
  • Examendoel: standaardensembles (strijkkwartet, symfonieorkest, bigband, popband) op gehoor herkennen en aan een genre of periode koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • Stemsoorten alleen aan man of vrouw koppelen; het gaat om het toonhoogtebereik (en er bestaan hoge mannenstemmen en lage vrouwenstemmen).
  • Elke groep strijkers een strijkkwartet noemen; een strijkkwartet is precies twee violen, altviool en cello.

Actieve herhaling

Beluister drie fragmenten met verschillende bezettingen (bijvoorbeeld een strijkkwartet, een bigband en een popband) en benoem van elk de bezetting en het waarschijnlijke genre, met onderbouwing uit de gehoorde instrumenten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — stemsoorten en ensembles (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01De instrumentfamilies van het orkest○
    • 02Klankopwekking: de Hornbostel-Sachs-indeling◐
    • 03Stemsoorten, ensembles en bezetting◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Instrumentarium, stemsoorten en bezetting

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~10
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Syllabus muziek vwo — instrumentfamilies

Vorig onderwerp

Dynamiek, articulatie en klankkleur (timbre)

Volgend onderwerp

Vorm en structuur: muzikale vormprincipes en grote vormen

EuraStudy·Samenvattingen T·08·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.