EuraStudy
Samenvattingen/Latijnse taal en cultuur/Conjunctief, modaliteit en oratio obliqua
Samenvattingen · Latijnse taal en cultuurNL · VWO

Conjunctief, modaliteit en oratio obliqua

De coniunctivus (aanvoegende wijs) is de wijs van het niet-feitelijke: van wens, aansporing, mogelijkheid, doel en gevolg. In de hoofdzin draagt hij een modale kleur; in de bijzin is hij het vaste teken van talloze zinssoorten — finale en consecutieve zinnen, cum-zinnen, indirecte vragen en de indirecte rede (oratio obliqua). Dit onderwerp behandelt de vorming van de vier coniunctivustijden, hun gebruik in hoofd- en bijzin, de consecutio temporum en de oratio obliqua. Zonder de coniunctivus blijft het grootste deel van de bijzinnen in een examentekst gesloten.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 1 · Verdieping 3

T·0444 / 16
Examenprofiel
De vier tijden van de coniunctivus (praesens, imperfectum, perfectum, plusquamperfectum) vormen en herkennenDe modale betekenis van de coniunctivus in de hoofdzin benoemen (adhortativus, optativus, dubitativus, potentialis, irrealis)De coniunctivus in bijzinnen interpreteren: finalis, consecutivus, cum + coniunctivus, indirecte vraagDe consecutio temporum toepassen en de oratio obliqua (indirecte rede) herkennen
Operatoren:determineerbenoem de functieverklaarvertaalgeef de tijdverhouding

basisniveau

De coniunctivus is het herkenningsteken van veel bijzinnen: leer eerst de vormen, zodat je een coniunctivus nooit voor een indicatief aanziet.

verhoogd niveau

In redevoeringen en geschiedwerk draagt de coniunctivus fijne betekenisnuances (irrealis, potentialis, oratio obliqua). Wie die nuances proeft, leest de argumentatie en de verteltrant scherper.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Conjunctief, modaliteit en oratio obliqua
    • 01De vorming van de vier coniunctivustijden◐
    • 02De coniunctivus in de hoofdzin: modaliteit●
    • 03De coniunctivus in de bijzin: cum, ut/nē en de indirecte vraag●
    • 04Consecutio temporum en oratio obliqua●
§ 01

De vorming van de vier coniunctivustijden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-coniunctivus

Kernpunten

De coniunctivus heeft in het actief (en met passieve uitgangen ook in het passief) vier tijden, elk met een eigen, herkenbaar vormkenmerk. Afb. 1 geeft ze voor „amāre”. Het praesens coniunctivus wordt gevormd met een klinkerteken: bij de eerste conjugatie verandert de stamklinker -a- in -e- („amem, amēs, amet …”), bij de tweede, derde en vierde komt er een -a- („moneam”, „regam”, „audiam”). Het imperfectum coniunctivus is het eenvoudigst: neem de infinitivus en voeg de uitgangen toe („amārem, amārēs, amāret …”, „regerem”, „audīrem”) — vandaar de ezelsbrug „infinitivus + -m”.

Afb. 1 — De vier coniunctivustijden van amāre

Coniunctivus actief van amāreTabel met 4 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Tijd · Vormkenmerk · Voorbeeld (1 ev.) · Benadering; Praesens · praesensstam + a/e-teken · amem · (moge ik) beminnen; Imperfectum · infinitivus + -m · amārem · (dat ik) beminde; Perfectum · perfectumstam + -erim · amāverim · (dat ik) heb bemind; Plusquamperfectum · perfectumstam + -issem · amāvissem · (dat ik) had bemindTIJDVORMKENMERKVOORBEELD (1 EV.)BENADERINGPraesenspraesensstam + a/e-tekenamem(moge ik) beminnenImperfectuminfinitivus + -mamārem(dat ik) bemindePerfectumperfectumstam + -erimamāverim(dat ik) heb bemindPlusquamperfectumperfectumstam + -issemamāvissem(dat ik) had bemind
Afb. 1De vier coniunctivustijden. Elk heeft een vast vormkenmerk; de betekenis hangt af van hoofd- of bijzin.
De twee tijden van het perfectumsysteem gebruiken de perfectumstam. Het perfectum coniunctivus voegt -erim toe („amāverim, amāverīs, amāverit …”), het plusquamperfectum coniunctivus voegt -issem toe („amāvissem, amāvissēs, amāvisset …”). Ook hier geldt: één stam, voorspelbare uitgangen. Afb. 2 laat zien hoe het klinkerteken van het praesens coniunctivus per conjugatie werkt — het is dé plek waar beginnende Latinisten struikelen, omdat de eerste conjugatie afwijkt van de andere drie.

Afb. 2 — Het praesens coniunctivus per conjugatie

Praesens coniunctivus per conjugatieTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Conjugatie · Praesens coni. (3 ev.) · Klinkerteken; 1e (amāre) · amet · a → e; 2e (monēre) · moneat · + a; 3e (regere) · regat · + a; 3e-io (capere) · capiat · + a; 4e (audīre) · audiat · + aCONJUGATIEPRAESENS CONI. (3 EV.)KLINKERTEKEN1e (amāre)ameta → e2e (monēre)moneat+ a3e (regere)regat+ a3e-io (capere)capiat+ a4e (audīre)audiat+ a
Afb. 2Het klinkerteken van het praesens coniunctivus: eerste conjugatie -e-, de andere -a-.
De grootste valkuil is dat sommige coniunctivusvormen samenvallen met andere vormen. „Regam” is coniunctivus praesens én futurum indicatief; „amet” is coniunctivus, maar „amāt” (met lange a) is indicatief — het verschil zit soms enkel in de klinkerlengte, die in een onbeklemtoonde tekst niet altijd zichtbaar is. „Amēs” is coniunctivus, „amās” indicatief. Je lost zulke dubbelzinnigheden op met de context: staat de vorm in een bijzin die om een coniunctivus vraagt (na „ut”, „cum”, „nē”), of draagt de hoofdzin een modale kleur, dan is het een coniunctivus. Vorm en syntaxis werken opnieuw samen.
Waarom is deze wijs zo belangrijk? Omdat de coniunctivus in het Latijn twee heel verschillende taken vervult. In de hoofdzin drukt hij een houding of modaliteit uit — een wens, een aansporing, een mogelijkheid, een onwerkelijkheid — die je in het Nederlands met woorden als „moge”, „laten we”, „zou” weergeeft. In de bijzin is hij daarentegen vaak een puur grammaticaal teken: hij verschijnt automatisch na bepaalde voegwoorden (finaal „ut/nē”, consecutief „ut”, „cum” + coniunctivus) en in indirecte vragen, zonder dat je hem apart „modaal” vertaalt. Dit dubbele karakter — betekenisdrager in de hoofdzin, structuurteken in de bijzin — bepaalt hoe je hem in beide gevallen aanpakt, en vormt de rode draad van de volgende onderdelen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een coniunctivus determineren

Determineer „vidērēmus” volledig en geef aan waarom het een coniunctivus is.

  1. 01De stam en het teken

    De vorm bevat de infinitivus „vidēre” + de uitgang. „Infinitivus + -m/-mus” is het kenmerk van het imperfectum coniunctivus.

  2. 02De uitgang

    -mus is de eerste persoon meervoud: „wij”. Genus actief.

  3. 03Coniunctivus bevestigen

    De indicatief imperfectum zou „vidēbāmus” (met -bā-) zijn; „vidērēmus” heeft geen -bā- maar de infinitivus als basis, dus coniunctivus.

Resultaat: „vidērēmus” = eerste persoon meervoud imperfectum coniunctivus actief van „vidēre”. Herkenbaar aan „infinitivus (vidēre) + -mus”, tegenover de indicatief „vidēbāmus”.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een coniunctivusvorm determineren (tijd en persoon) en herkennen aan het vormkenmerk (praesens a/e-teken, imperfectum = infinitivus + -m, perfectum -erim, plqpf -issem).
  • Examendoel: een coniunctivus onderscheiden van een gelijkende indicatief- of futurumvorm (regam, amēs) met behulp van de context.

Veelgemaakte fouten

  • Het praesens coniunctivus van de eerste conjugatie („amem”) niet herkennen omdat het teken -e- is, terwijl de andere conjugaties het teken -a- hebben.
  • Een coniunctivus als indicatief lezen (of omgekeerd) bij gelijkende vormen zoals „regam” of „amēs”, zonder de context (voegwoord, modaliteit) mee te wegen.

Actieve herhaling

Determineer tijd en persoon van elke coniunctivus: (1) „laudent”, (2) „vidērēmus”, (3) „dīxerit”, (4) „cēpissēs”. Geef bij (1) aan hoe je ziet dat het geen indicatief is, en noem de conjugatie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De coniunctivus in de hoofdzin: modaliteit#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-coniunctivus

Kernpunten

In een hoofdzin drukt de coniunctivus geen feit uit maar een houding van de spreker — een modaliteit. Afb. 3 ordent het hele gebruik van de coniunctivus, met links de hoofdzinnelijke (modale) functies en rechts de bijzinnelijke. De coniunctivus adhortativus spoort aan en staat in de eerste persoon meervoud: „eāmus!” (laten we gaan), „gaudeāmus!” (laten we blij zijn). De coniunctivus optativus drukt een wens uit, vaak ingeleid door „utinam”: „utinam veniat!” (moge hij komen!), „utinam nē pereat!” (moge hij niet omkomen!). Deze twee vormen vertaal je met „laten we …” en „moge …”.

Afb. 3 — Het gebruik van de coniunctivus

Coniunctivus — gebruikBoomdiagram, 10 paden, Gegevens: In de hoofdzin (modaliteit) → adhortativus (laten we); In de hoofdzin (modaliteit) → optativus (moge, wens); In de hoofdzin (modaliteit) → dubitativus (wat te doen?); In de hoofdzin (modaliteit) → potentialis / irrealis (zou); In de hoofdzin (modaliteit) → prohibitivus (nē + verbod); In de bijzin (structuurteken) → finalis (ut / nē, doel); In de bijzin (structuurteken) → consecutivus (ut, gevolg); In de bijzin (structuurteken) → cum + coniunctivus; In de bijzin (structuurteken) → indirecte vraag; In de bijzin (structuurteken) → oratio obliquaIn de hoofdzin (modaliteit)In de bijzin (structuurteken)Coniunctivusadhortativus (laten we)optativus (moge, wens)dubitativus (wat te doen?)potentialis / irrealis (zou)prohibitivus (nē + verbod)finalis (ut / nē, doel)consecutivus (ut, gevolg)cum + coniunctivusindirecte vraagoratio obliqua
Afb. 3De twee gezichten van de coniunctivus: modale betekenisdrager in de hoofdzin, grammaticaal teken in de bijzin.
Andere modale functies verfijnen het beeld. De coniunctivus dubitativus stelt een vertwijfelde vraag: „quid faciam?” (wat moet ik doen?). De coniunctivus potentialis drukt een mogelijkheid uit („dīcat aliquis” — iemand zou kunnen zeggen). De coniunctivus irrealis geeft een onwerkelijkheid weer: met het imperfectum voor het heden („sī adesset, gaudērem” — als hij er wás, zou ik blij zijn — maar hij is er niet) en met het plusquamperfectum voor het verleden („sī vēnisset, gāvīsus essem” — als hij gekomen wás, zou ik blij zijn geweest). De tijd van de coniunctivus draagt hier dus betekenis: praesens/perfectum = mogelijk, imperfectum/plusquamperfectum = onwerkelijk.
Ook het bevel en het verbod maken gebruik van de coniunctivus. Naast de gewone imperativus („venī!” — kom!) bestaat de coniunctivus prohibitivus voor een verbod, gevormd met „nē” + coniunctivus perfectum: „nē timueris!” (wees niet bang!, letterlijk „moge je niet gevreesd hebben”). Deze constructie is een geliefd examenpunt omdat de vorm (perfectum coniunctivus) niet overeenstemt met de vertaling (een gebod in het heden). Het verbod met „nē” + coniunctivus onderscheidt zich zo van de gewone ontkenning met „nōn” + indicatief.
De sleutel bij een hoofdzinnelijke coniunctivus is dat je hem áltijd modaal vertaalt: er hoort een woord als „laten we”, „moge”, „zou”, „moet” bij. Verschijnt de coniunctivus daarentegen in een bijzin na een voegwoord dat hem oproept, dan is hij vaak alleen een structuurteken en vertaal je hem gewoon (zie het volgende onderdeel). Het herkennen van het verschil — modale hoofdzin tegenover grammaticale bijzin — begint dus altijd met de vraag: staat deze coniunctivus in een hoofdzin of in een bijzin? Dat bepaalt of je hem als betekenisdrager of als teken behandelt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een modaliteit in de hoofdzin benoemen

Benoem de functie van de coniunctivus in „Gaudeāmus igitur!” en vertaal.

  1. 01De vorm

    „gaudeāmus” is eerste persoon meervoud praesens coniunctivus van „gaudēre” (blij zijn): „laten wij …”.

  2. 02De functie

    Een coniunctivus in de eerste persoon meervoud die aanspoort, is een coniunctivus adhortativus (aansporing).

  3. 03Vertalen

    „igitur” = dus/daarom. De adhortativus geef je weer met „laten we …”.

Resultaat: „gaudeāmus” is een coniunctivus adhortativus (eerste persoon meervoud, aansporing). Vertaling: „Laten wij dus blij zijn!”

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een hoofdzinnelijke coniunctivus naar functie benoemen (adhortativus, optativus, dubitativus, potentialis, irrealis, prohibitivus) en modaal vertalen.
  • Examendoel: de irrealis van heden (imperfectum) en verleden (plusquamperfectum) onderscheiden en de juiste voorwaardelijke vertaling geven.

Veelgemaakte fouten

  • Een hoofdzinnelijke coniunctivus als een gewone indicatief vertalen en zo de modale kleur (wens, aansporing, mogelijkheid) verliezen.
  • Het verbod „nē + coniunctivus perfectum” („nē timueris”) letterlijk als verleden tijd vertalen in plaats van als een gebod in het heden („wees niet bang”).

Actieve herhaling

Benoem de functie van elke coniunctivus en vertaal: (1) „Vīvāmus atque amēmus!” (2) „Utinam pater adsit!” (3) „Quid dīcam?” (4) „Sī dīves essem, tibi auxilium darem.” Geef bij (4) aan of het om heden of verleden gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De coniunctivus in de bijzin: cum, ut/nē en de indirecte vraag#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-coniunctivus

Kernpunten

In de bijzin is de coniunctivus meestal een structuurteken dat automatisch bij bepaalde voegwoorden hoort; je vertaalt hem dan gewoon, zonder aparte modale toevoeging. De belangrijkste is „cum” + coniunctivus. Afb. 4 zet de betekenissen op een rij: „cum historicum” (toen, verhalend, meestal met imperfectum of plusquamperfectum: „cum vēnisset” — toen hij gekomen was), „cum causale” (omdat/daar: „cum aeger esset” — omdat hij ziek was) en „cum concessivum” (hoewel: „cum dīves esset” — hoewel hij rijk was). Let op het contrast met „cum” + indicatief, dat een puur tijdstip aangeeft („cum vēnit” — op het moment dat hij komt/kwam).

Afb. 4 — cum + coniunctivus

cum + coniunctivusTabel met 4 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Type · Betekenis · Voorbeeld · Vertaling; cum historicum · toen (verhalend) · cum vēnisset · toen hij gekomen was; cum causale · omdat / daar · cum aeger esset · omdat hij ziek was; cum concessivum · hoewel · cum dīves esset · hoewel hij rijk was; cum + indicatief · tijdstip · cum vēnit · op het moment dat hij komtTYPEBETEKENISVOORBEELDVERTALINGcum historicumtoen (verhalend)cum vēnissettoen hij gekomen wascum causaleomdat / daarcum aeger essetomdat hij ziek wascum concessivumhoewelcum dīves essethoewel hij rijk wascum + indicatieftijdstipcum vēnitop het moment dat hij komt
Afb. 4De betekenissen van „cum” + coniunctivus, met het contrast van „cum” + indicatief (louter tijdstip).
De finale bijzin drukt een doel uit met „ut” (opdat) of „nē” (opdat niet) + coniunctivus: „Vēnit ut tē videat” (hij komt om je te zien / opdat hij je ziet). De consecutieve bijzin drukt een gevolg uit, eveneens met „ut” + coniunctivus, en wordt in de hoofdzin vaak aangekondigd door een woord als „tam”, „tantus”, „ita” of „adeō” (zo, zozeer): „Tam fortis est ut omnēs eum laudent” (hij is zo dapper dat allen hem prijzen). Het onderscheid finaal/consecutief zit in de betekenis (doel tegenover gevolg) en in dat aankondigende woord: staat er „tam/ita/adeō”, dan is het gevolg, en is de ontkenning „ut … nōn” in plaats van „nē”.
Ook de indirecte (afhankelijke) vraag krijgt een coniunctivus. Waar een directe vraag „Quis vēnit?” (wie is gekomen?) een indicatief heeft, staat de indirecte vraag na een werkwoord van vragen, weten of twijfelen in de coniunctivus: „Rogō quis vēnerit” (ik vraag wie er gekomen is), „Nesciō ubi sit” (ik weet niet waar hij is). Je herkent de indirecte vraag aan een vraagwoord („quis”, „ubi”, „cūr”, „num”, „-ne”) dat een bijzin inleidt na zo'n hoofdwerkwoord. De coniunctivus vertaal je hier níet apart modaal; hij is enkel het teken dat de vraag afhankelijk is geworden.
Deze bijzinnen laten mooi zien hoe je de coniunctivus in de bijzin behandelt: herken eerst het inleidende woord („cum”, „ut”, „nē”, een vraagwoord), stel dan vast welk type bijzin het is, en vertaal de coniunctivus vervolgens gewoon in de passende Nederlandse tijd. De tijd van die vertaling wordt geregeld door de consecutio temporum, het onderwerp van het laatste onderdeel. Zo vormt de coniunctivus in de bijzin een gesloten systeem: het voegwoord bepaalt het type, de consecutio temporum bepaalt de tijd, en de betekenis van de hoofdzin bepaalt de nuance.
Uitgewerkt voorbeeld

cum + coniunctivus interpreteren

Bepaal het type en vertaal „Cum mīlitēs fessī essent, Caesar castra posuit.”

  1. 01De constructie

    „cum” + „essent” (imperfectum coniunctivus van „esse”) is „cum” + coniunctivus. Er zijn drie betekenissen mogelijk: toen, omdat, hoewel.

  2. 02De context wegen

    „De soldaten waren moe” en „Caesar sloeg een kamp op” — het moe zijn is de logische reden voor het opslaan van een kamp. Dat wijst op een cum causale (omdat).

  3. 03Vertalen

    „Omdat de soldaten moe waren, sloeg Caesar een kamp op.” Een temporele weergave („toen …”) is ook denkbaar, maar de oorzaak-gevolgrelatie is hier het sterkst.

Resultaat: „Cum … essent” is „cum” + coniunctivus, hier het beste als cum causale: „Omdat de soldaten moe waren, sloeg Caesar een kamp op.”

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een bijzin met „cum” + coniunctivus naar type interpreteren (historicum, causale, concessivum) en correct vertalen.
  • Examendoel: finale (ut/nē, doel), consecutieve (ut, gevolg, met tam/ita/adeō) en indirecte vragen herkennen en de coniunctivus daarin gewoon vertalen.

Veelgemaakte fouten

  • „cum” altijd met „toen” vertalen, ook waar de context „omdat” (causale) of „hoewel” (concessivum) vraagt.
  • Finaal en consecutief verwarren: een gevolgzin (met „tam/ita/adeō” en ontkenning „ut … nōn”) aanzien voor een doelzin (met „nē”).

Actieve herhaling

Bepaal het type bijzin en vertaal: (1) „Cum Rōma capta esset, cīvēs fūgērunt.” (2) „Labōrāmus ut discāmus.” (3) „Tantus erat clāmor ut nēmō audīrī posset.” (4) „Rogāvit cūr abesset.” Geef bij (1) aan welke „cum”-betekenis het beste past.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Consecutio temporum en oratio obliqua#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-coniunctivus

Kernpunten

De consecutio temporum (opeenvolging van de tijden) is de regel die bepaalt welke coniunctivustijd een bijzin krijgt, afhankelijk van de tijd van de hoofdzin en van de tijdverhouding. Afb. 5 vat haar samen. Staat de hoofdzin in een hoofdtijd (praesens of futurum), dan krijgt een gelijktijdige bijzin het praesens coniunctivus en een voortijdige het perfectum coniunctivus. Staat de hoofdzin in een historische tijd (imperfectum, perfectum of plusquamperfectum), dan krijgt een gelijktijdige bijzin het imperfectum coniunctivus en een voortijdige het plusquamperfectum coniunctivus. Zo weet je niet alleen wélke coniunctivus er staat, maar ook hoe je hem in de tijd moet plaatsen.

Afb. 5 — De consecutio temporum

Consecutio temporumTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Tijd hoofdzin · Gelijktijdig · Voortijdig; Hoofdtijd (praes./fut.) · praesens coni. · perfectum coni.; Historische tijd (impf./perf./plqpf.) · imperfectum coni. · plusquamperf. coni.TIJD HOOFDZINGELIJKTIJDIGVOORTIJDIGHOOFDTIJD (PRAES./FUT.)praesens coni.perfectum coni.HISTORISCHE TIJD(IMPF./PERF./PLQPF.)imperfectum coni.plusquamperf.coni.
Afb. 5De consecutio temporum: de tijd van de hoofdzin en de tijdverhouding bepalen samen de coniunctivustijd van de bijzin.
De consecutio temporum helpt vooral bij het vertalen van indirecte vragen en andere afhankelijke bijzinnen met een coniunctivus. In „Rogō quid faciās” (hoofdtijd „rogō” + praesens coniunctivus „faciās”) is de bijzin gelijktijdig: „ik vraag wat je doet”. In „Rogāvī quid facerēs” (historische tijd „rogāvī” + imperfectum coniunctivus „facerēs”) is de bijzin gelijktijdig in het verleden: „ik vroeg wat je deed”. En in „Rogāvī quid fēcissēs” (plusquamperfectum coniunctivus) is de bijzin voortijdig: „ik vroeg wat je gedaan hàd”. De coniunctivustijd is dus geen toeval maar informatie over de tijdverhouding.
De oratio obliqua (indirecte rede) is de constructie waarin een hele redevoering of gedachtegang indirect wordt weergegeven, afhankelijk van een verzwegen of genoemd werkwoord van zeggen. Kenmerkend is dat de mededelende hoofdzinnen in een AcI komen te staan en de bijzinnen in de coniunctivus, terwijl bevelen en wensen eveneens een coniunctivus krijgen. Zo wordt de directe uitspraak „Venī! Urbs capta est” („Kom! De stad is ingenomen”) in de indirecte rede een AcI plus coniunctivus. De oratio obliqua komt vooral voor in geschiedwerk (Livius, Caesar, Tacitus), waar de auteur toespraken en overwegingen samenvat.
Voor de examenkandidaat is de praktische winst dubbel. Ten eerste laat de consecutio temporum je de tijd van een bijzin exact bepalen, ook wanneer de coniunctivus zelf geen „gewone” tijdsbetekenis lijkt te hebben. Ten tweede verklaart de oratio obliqua waarom je in een indirecte passage plotseling een opeenstapeling van AcI's en coniunctivi tegenkomt: het is geen willekeur, maar het vaste patroon van de indirecte rede. Herken je dat patroon, dan lees je zulke passages — vaak juist de inhoudelijk belangrijkste, want daar spreken de personages — met veel meer grip. Daarmee sluit de coniunctivus het cirkeltje: van vorm, via modaliteit en bijzin, naar de kunst om een hele redevoering indirect te volgen.
Uitgewerkt voorbeeld

De consecutio temporum toepassen

Bepaal de tijdverhouding en vertaal „Rogāvī quid fēcissēs.”

  1. 01De hoofdzin

    „rogāvī” (ik vroeg) is een perfectum, dus een historische tijd. Dat stuurt de coniunctivustijd van de bijzin.

  2. 02De coniunctivustijd

    „fēcissēs” is plusquamperfectum coniunctivus. Bij een historische hoofdtijd hoort het plusquamperfectum bij een voortijdige bijzin (zie Afb. 5).

  3. 03Vertalen

    Voortijdig ten opzichte van „rogāvī”: het doen ging vooraf aan het vragen. Dus: „wat je gedaan hàd”.

Resultaat: „Rogāvī quid fēcissēs” — historische hoofdtijd + plusquamperfectum coniunctivus = voortijdige bijzin. Vertaling: „Ik vroeg wat je gedaan had.”

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met de consecutio temporum de tijdverhouding (gelijktijdig/voortijdig) van een coniunctivus-bijzin bepalen en correct in de Nederlandse tijd vertalen.
  • Examendoel: een passage in de oratio obliqua herkennen aan de combinatie van AcI's en coniunctivi en de indirecte rede juist weergeven.

Veelgemaakte fouten

  • De coniunctivustijd letterlijk als tijdsbetekenis vertalen zonder de consecutio temporum: „quid facerēs” is „wat je deed” (gelijktijdig in het verleden), niet „wat je zou doen”.
  • Een oratio-obliqua-passage niet herkennen en de AcI's en coniunctivi als losse, onverbonden constructies proberen te vertalen.

Actieve herhaling

Bepaal met de consecutio temporum de tijdverhouding en vertaal: (1) „Nescit ubi sīmus.” (2) „Nescīvit ubi essēmus.” (3) „Nescīvit quō īssēmus.” Leg uit hoe de tijd van de hoofdzin de coniunctivustijd van de bijzin stuurt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De vorming van de vier coniunctivustijden◐
    • 02De coniunctivus in de hoofdzin: modaliteit●
    • 03De coniunctivus in de bijzin: cum, ut/nē en de indirecte vraag●
    • 04Consecutio temporum en oratio obliqua●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Conjunctief, modaliteit en oratio obliqua

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: coniunctivus)

Vorig onderwerp

Bijzinnen, participia en de accusativus cum infinitivo

Volgend onderwerp

Woordenschat en het gebruik van het woordenboek

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.