EuraStudy
Samenvattingen/Latijnse taal en cultuur/Bijzinnen, participia en de accusativus cum infinitivo
Samenvattingen · Latijnse taal en cultuurNL · VWO

Bijzinnen, participia en de accusativus cum infinitivo

Authentiek Latijn bestaat zelden uit losse hoofdzinnen: het bouwt informatie samen in participia en verkorte constructies die het Nederlands met een bijzin weergeeft. Dit onderwerp behandelt de vier participia, het participium coniunctum, de ablativus absolutus en de accusativus cum infinitivo (AcI) — de constructies die in vrijwel elke examentekst voorkomen. Het herkennen en correct ontrafelen ervan is misschien wel de belangrijkste vertaalvaardigheid van het hele vak.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 1 · Verdieping 3

T·0333 / 16
Examenprofiel
De vier participia (PPA, PPP, PFA, gerundivum) naar vorm, tijd en genus herkennen en vertalenEen participium coniunctum als bijzin weergeven (temporeel, causaal, concessief of relatief)Een ablativus absolutus herkennen en als bijwoordelijke bijzin vertalenEen accusativus cum infinitivo (AcI) herkennen, de tijdverhouding bepalen en met een dat-zin vertalen
Operatoren:herkenontleedvertaalgeef de tijdverhoudingverklaar

basisniveau

Deze constructies zijn de brug tussen woordkennis en tekstbegrip: pas als je een participium coniunctum of een AcI herkent, valt de structuur van een lange zin op zijn plaats.

verhoogd niveau

Bij complexe auteurs stapelen constructies zich op — een ablativus absolutus binnen een AcI, een participium bij het onderwerp van een bijzin. Wie de bouwstenen los beheerst, ontwart ook zulke gelaagde perioden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Bijzinnen, participia en de accusativus cum infinitivo
    • 01De vier participia: vorm, tijd en genus◐
    • 02Het participium coniunctum●
    • 03De ablativus absolutus●
    • 04De accusativus cum infinitivo (AcI)●
§ 01

De vier participia: vorm, tijd en genus#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-constructies

Kernpunten

Een participium is een deelwoord: een van een werkwoord afgeleid bijvoeglijk naamwoord dat dus congrueert met een zelfstandig naamwoord (in naamval, getal en geslacht) maar tegelijk een handeling uitdrukt. Het Latijn kent er vier, en elk heeft een vaste combinatie van tijd (ten opzichte van de persoonsvorm) en genus (actief of passief). Afb. 1 zet ze naast elkaar. Het participium praesens actief (PPA) op -ns, -ntis („amāns, amantis” — beminnend) is gelijktijdig en actief. Het participium perfectum passief (PPP) op -tus/-sus („amātus” — bemind, „rēctus”, „audītus”) is voortijdig en passief; het is meteen ook de vierde hoofdvorm van het werkwoord.

Afb. 1 — De vier participia

De vier participiaTabel met 6 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Participium · Uitgang · Tijd · Genus · Voorbeeld · Vertaling; PPA (praesens) · -ns, -ntis · gelijktijdig · actief · amāns · beminnend / terwijl hij bemint; PPP (perfectum) · -tus / -sus · voortijdig · passief · amātus · bemind / nadat hij bemind was; PFA (futurum) · -ūrus, -a, -um · natijdig · actief · amātūrus · die zal beminnen; Gerundivum · -ndus, -a, -um · (noodzaak) · passief · amandus · die bemind moet wordenPARTICIPIUMUITGANGTIJDGENUSVOORBEELDVERTALINGPPA (praesens)-ns, -ntisgelijktijdigactiefamānsbeminnend /terwijl hijbemintPPP (perfectum)-tus / -susvoortijdigpassiefamātusbemind /nadat hij bemind wasPFA (futurum)-ūrus, -a, -umnatijdigactiefamātūrusdie zal beminnenGerundivum-ndus, -a, -um(noodzaak)passiefamandusdie bemind moet worden
Afb. 1De vier participia. Uit de uitgang lees je meteen tijd (gelijk-/voor-/natijdig) en genus (actief/passief) af.
De twee overige participia vullen het schema aan. Het participium futurum actief (PFA) op -ūrus („amātūrus” — die zal beminnen, van plan te beminnen) is natijdig en actief; je herkent het aan de -ūr- vóór de uitgang. Het gerundivum (participium futurum passief) op -ndus („amandus” — die bemind moet worden) drukt noodzaak of bestemming in passieve zin uit en speelt een hoofdrol bij de dativus auctoris en bij het gerundium/gerundivum-gebruik. Deze vier vormen zijn samen een klein maar krachtig systeem: uit de uitgang lees je onmiddellijk af of de handeling gelijktijdig, voortijdig of natijdig is, en of ze actief of passief is.
De tijd van een participium is altijd relatief: gelijktijdig, voortijdig of natijdig ten opzichte van de persoonsvorm van de zin, niet absoluut. „Puer clāmāns cucurrit” — de jongen liep schreeuwend (het schreeuwen valt samen met het lopen, dus gelijktijdig, ook al is de persoonsvorm verleden tijd). „Urbs capta dēlēta est” — de veroverde stad werd verwoest (het veroveren gaat vooraf aan het verwoesten, dus voortijdig). Deze relativiteit is de sleutel tot een correcte vertaling: je bepaalt de tijd van het participium telkens tegenover het hoofdwerkwoord.
Een participium kan op twee manieren in de zin staan, en dat onderscheid bepaalt de vertaalstrategie. Óf het staat dicht bij zijn zelfstandig naamwoord en fungeert gewoon als bijvoeglijke bepaling („aqua fluēns” — stromend water), óf het vormt met dat naamwoord een verkorte bijzin — dan spreken we van een participium coniunctum, dat je met een hele bijzin weergeeft. Dat tweede, veel voorkomende gebruik krijgt hieronder een eigen behandeling. Voor nu geldt: herken eerst de participiumvorm (uitgang → tijd + genus), zoek dan het woord waarmee het congrueert, en beslis daarna of je het bijvoeglijk of als bijzin vertaalt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een PPP determineren en vertalen

Determineer „scrīpta” in „Epistula scrīpta ā mīlite missa est” en vertaal de zin.

  1. 01De participiumvorm

    „scrīpta” is PPP van „scrībere” (schrijven): voortijdig en passief, hier nominativus enkelvoud vrouwelijk.

  2. 02De congruentie

    „scrīpta” congrueert met „epistula” (de brief, nominativus enkelvoud vrouwelijk): de geschreven brief / de brief nadat hij was geschreven.

  3. 03De rest van de zin

    „ā mīlite” (ablativus auctoris: door een soldaat), „missa est” (perfectum passief: werd verstuurd). Het PPP „scrīpta” is voortijdig ten opzichte van „missa est”.

Resultaat: „scrīpta” is PPP (voortijdig, passief), congruerend met „epistula”. Vertaling: „De brief werd, nadat hij geschreven was, door een soldaat verstuurd” — of bijvoeglijk: „De geschreven brief werd door een soldaat verstuurd.”

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een participium determineren (PPA, PPP, PFA of gerundivum) en de tijd (gelijk-, voor-, natijdig) en het genus (actief/passief) benoemen.
  • Examendoel: het woord aanwijzen waarmee een participium congrueert, als voorwaarde voor een correcte vertaling.

Veelgemaakte fouten

  • Een PPP standaard voortijdig-passief vergeten en actief vertalen: „urbs capta” betekent „de ingenomen stad” (passief), niet „de stad die innam”.
  • Het PPA (gelijktijdig, actief) en het PPP (voortijdig, passief) verwisselen doordat je alleen op de vertaling let en niet op de vorm (-ns tegenover -tus).

Actieve herhaling

Determineer elk participium (soort, tijd, genus) en geef het woord waarmee het congrueert: (1) „mīlitēs pugnantēs”, (2) „epistula scrīpta”, (3) „urbs dēlenda”, (4) „hostēs ventūrī”. Vertaal daarna (1) en (2).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het participium coniunctum#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-constructies

Kernpunten

Een participium coniunctum (letterlijk: „verbonden deelwoord”) is een participium dat congrueert met een zelfstandig naamwoord in de zin en er samen mee een verkorte bijzin vormt. Waar het Nederlands een hele bijzin gebruikt, drukt het Latijn de omstandigheid samengebald in één deelwoord uit. „Mīlitēs urbem ingressī templa spoliāvērunt” bevat het participium coniunctum „ingressī” (PPA/deponens, congruerend met „mīlitēs”): letterlijk „de soldaten, de stad binnengegaan zijnde, plunderden de tempels”. Zo'n letterlijke weergave is geen goed Nederlands; je zet het participium coniunctum daarom om in een echte bijzin.
Het bijzondere is dat één participium coniunctum meestal op verschillende manieren als bijzin kan worden weergegeven, afhankelijk van het verband dat de context aanwijst. Afb. 2 toont de vier gangbare vertaalrelaties voor hetzelfde voorbeeld: temporeel (nadat/toen), causaal (omdat/aangezien), concessief (hoewel) of relatief (die/dat). Welke relatie het beste past, leid je af uit de logica van de passage: sluit de handeling van het participium logisch aan als tijdsbepaling, als reden, als tegenstelling of als eigenschap? De vorm laat de keuze open; de betekenis van de tekst beslist. Dat maakt het participium coniunctum tot een fijne oefening in interpreteren.

Afb. 2 — Eén participium coniunctum, vier bijzinnen

Vertaalmogelijkheden van het participium coniunctumTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Relatie · Voegwoord (NL) · Vertaling van de bijzin; temporeel · nadat / toen · Nadat zij de stad waren binnengegaan, …; causaal · omdat / aangezien · Omdat zij de stad waren binnengegaan, …; concessief · hoewel · Hoewel zij de stad waren binnengegaan, …; relatief · die / dat · De soldaten, die de stad waren binnengegaan, …RELATIEVOEGWOORD (NL)VERTALING VAN DEBIJZINtemporeelnadat / toenNadat zij de stad warenbinnengegaan, …causaalomdat / aangezienOmdat zij de stad warenbinnengegaan, …concessiefhoewelHoewel zij de stad warenbinnengegaan, …relatiefdie / datDe soldaten, die de stadwaren binnengegaan, …
Afb. 2Dezelfde vorm, vier verbanden. De context van de passage bepaalt welke bijzin het beste past.
De tijd van het participium bepaalt de tijd van je bijzin. Een PPP is voortijdig: „nadat/omdat … was”. Een PPA is gelijktijdig: „terwijl/toen … deed”. Zo geeft „Caesar, hoc audiēns, respondit” (PPA, gelijktijdig) „Toen/terwijl Caesar dit hoorde, antwoordde hij”, terwijl „Caesar, hōc audītō, respondit” — met een PPP in de ablativus — een voortijdige nuance heeft. Let dus altijd eerst op de participiumvorm: die legt de tijdverhouding vast, waarna je alleen nog de aard van het verband (tijd, oorzaak, toegeving, relatief) hoeft te kiezen.
Een praktische valkuil is de richting van de handeling bij een PPP. Omdat het PPP passief is, is het zelfstandig naamwoord waarmee het congrueert de ondergáánde, niet de handelende partij: in „Caesar hostēs victōs in fugam dedit” congrueert „victōs” met „hostēs” (de vijanden, accusativus meervoud) — het zijn de vijanden die verslagen zíjn, en dat door Caesar. Je vertaalt dus „de vijanden, nadat zij verslagen waren” of „die verslagen waren”, en niet „de vijanden die verslagen hadden”. Wie deze passieve richting vasthoudt, voorkomt de meest voorkomende vertaalfout bij deze constructie.
Uitgewerkt voorbeeld

Een participium coniunctum ontleden en vertalen

Ontleed en vertaal het participium coniunctum in „Caesar hostēs victōs in fugam dedit.”

  1. 01Het participium herkennen

    „victōs” is PPP van „vincere” (overwinnen): voortijdig en passief, accusativus meervoud mannelijk.

  2. 02De congruentie

    „victōs” congrueert met „hostēs” (de vijanden, accusativus meervoud): het lijdend voorwerp van „in fugam dedit” (op de vlucht joeg). De vijanden zijn dus verslagen (passief).

  3. 03Als bijzin weergeven

    Voortijdig + passief → „nadat zij verslagen waren” of relatief „die verslagen waren”. De handeling van het verslaan gaat vooraf aan het op de vlucht jagen.

Resultaat: „victōs” is een participium coniunctum (PPP, voortijdig, passief) bij „hostēs”. Vertaling: „Caesar joeg de vijanden, nadat hij hen had verslagen, op de vlucht” (of: „de vijanden, die verslagen waren, …”).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een participium coniunctum herkennen, het woord aanwijzen waarmee het congrueert en het als een passende bijzin (temporeel, causaal, concessief of relatief) vertalen.
  • Examendoel: de tijdverhouding van de bijzin correct afleiden uit de participiumvorm (PPP voortijdig, PPA gelijktijdig).

Veelgemaakte fouten

  • Een participium coniunctum letterlijk vertalen („de soldaten, de stad binnengegaan zijnde”) in plaats van als een lopende bijzin.
  • Bij een PPP de handeling actief maken: „hostēs victōs” betekent „de vijanden die verslagen zíjn / nadat ze verslagen waren”, niet „die verslagen hebben”.

Actieve herhaling

Vertaal het participium coniunctum in „Rōmulus, urbem condēns, dē nōmine cōgitāvit” op twee passende manieren (temporeel en causaal) en verklaar welke tijdverhouding het participium aangeeft. Doe daarna hetzelfde met een PPP: „Hostēs pulsī fūgērunt.”

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De ablativus absolutus#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-constructies

Kernpunten

De ablativus absolutus is een verkorte bijzin die uit twee delen bestaat, beide in de ablativus: een zelfstandig naamwoord (of voornaamwoord) en een participium dat ermee congrueert. „Absolutus” betekent „losgemaakt”: de constructie staat syntactisch los van de rest van de zin — het naamwoord vervult géén functie in de hoofdzin (het is geen onderwerp, geen lijdend voorwerp), maar geeft samen met het participium een omstandigheid weer. „Urbe captā, hostēs discessērunt” — letterlijk „met/bij de stad ingenomen zijnde”, dat wil zeggen „nadat de stad was ingenomen, trokken de vijanden weg”. Afb. 3 toont de bouw en de omzetting naar een Nederlandse bijzin.

Afb. 3 — De bouw van de ablativus absolutus

Ablativus absolutusGraaf, urbe — naamwoord (abl.) → captā — participium (abl., PPP), captā — participium (abl., PPP) → → bijzin: nadat de stad was ingenomen, → bijzin: nadat de stad was ingenomen → hostēs discessērunt — hoofdzinurbe — naamwoord(abl.)captā —participium(abl., PPP)→ bijzin: nadatde stad wasingenomenhostēsdiscessērunt —hoofdzincongrueren inabl.los tevertalen alsomstandigheidbij
Afb. 3„Urbe captā, hostēs discessērunt” — Nadat de stad was ingenomen, trokken de vijanden weg. Het naamwoord + participium staan samen los van de hoofdzin.
Je herkent een ablativus absolutus aan een naamwoord in de ablativus dat, samen met een participium in de ablativus, geen aanwijsbare functie in de hoofdzin heeft. Dat laatste is het beslissende signaal: waar een gewone ablativus een functie in de zin vervult (middel, tijd, plaats), staat de ablativus absolutus er als geheel náást. Het meest voorkomend is de combinatie met een PPP (voortijdig): „signō datō” (nadat het signaal was gegeven), „hīs rēbus cognitīs” (nadat deze dingen bekend waren geworden). Ook een PPA komt voor (gelijktijdig): „Caesare imperante” (terwijl/toen Caesar het bevel voerde).
Een bijzonderheid is de ablativus absolutus zónder participium. Omdat „esse” geen participium praesens heeft, bestaat er geen deelwoord „zijnd”; het Latijn zet dan twee naamwoorden (of een naamwoord en een adjectief) in de ablativus naast elkaar, en je vult zelf „zijnde/terwijl … was” aan. „Cicerōne cōnsule” betekent „toen Cicero consul was”; „Hannibale vīvō” betekent „terwijl Hannibal leefde / zolang Hannibal leefde”. Deze naamwoordelijke ablativus absolutus wordt vaak gebruikt voor tijdsaanduidingen (welke consul, welke koning), en je herkent hem aan twee bij elkaar horende naamwoorden in de ablativus zonder werkwoordsvorm.
Net als bij het participium coniunctum kies je het verband — tijd, oorzaak, toegeving, voorwaarde — op grond van de context, en bepaalt de participiumvorm de tijd van je bijzin. Bij het vertalen zet je de ablativus absolutus meestal vooraan als bijzin, met een onderwerp dat je uit het ablativus-naamwoord haalt: „urbe captā” → „nadat de stad (onderwerp) was ingenomen (persoonsvorm)”. Een veelgemaakte fout is het ablativus-naamwoord tóch een functie in de hoofdzin te geven; onthoud dat het „los” staat en zijn eigen mini-zin vormt. Beheers je zowel het participium coniunctum als de ablativus absolutus, dan kun je het overgrote deel van de verkorte bijzinnen in een examentekst ontwarren.
Uitgewerkt voorbeeld

Een ablativus absolutus vertalen

Herken en vertaal de ablativus absolutus in „Hōc bellō cōnfectō, Caesar Rōmam rediit.”

  1. 01De constructie herkennen

    „bellō” (ablativus enkelvoud, oorlog) en „cōnfectō” (PPP van „cōnficere”, beëindigen, ablativus enkelvoud onzijdig) congrueren; „hōc” (dit) hoort erbij. Samen hebben ze geen functie in de hoofdzin: ablativus absolutus.

  2. 02De tijdverhouding

    „cōnfectō” is een PPP, dus voortijdig: het beëindigen gaat vooraf aan het terugkeren. Vertaal met „nadat … was”.

  3. 03Omzetten naar een bijzin

    „nadat deze oorlog was beëindigd”. Daarna de hoofdzin: „keerde Caesar terug naar Rome” („Rōmam” is accusativus van richting, zonder voorzetsel bij een stad).

Resultaat: „Hōc bellō cōnfectō” is een ablativus absolutus (voortijdig). Vertaling: „Nadat deze oorlog was beëindigd, keerde Caesar terug naar Rome.”

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een ablativus absolutus herkennen (naamwoord + participium in de ablativus, los van de hoofdzin) en als bijwoordelijke bijzin vertalen.
  • Examendoel: de naamwoordelijke ablativus absolutus zonder participium (bijv. „Cicerōne cōnsule”) herkennen en met „terwijl/toen … was” aanvullen.

Veelgemaakte fouten

  • Het ablativus-naamwoord een functie in de hoofdzin geven (bijv. als middel vertalen) in plaats van het als los onderdeel van de constructie te zien.
  • De ablativus absolutus zonder participium niet herkennen en „Cicerōne cōnsule” letterlijk als „met de consul Cicero” vertalen in plaats van „toen Cicero consul was”.

Actieve herhaling

Herken de ablativus absolutus, geef de tijdverhouding en vertaal: (1) „Signō datō, mīlitēs impetum fēcērunt.” (2) „Rōmulō rēgnante, urbs crēvit.” (3) „Hōc bellō cōnfectō, pāx facta est.” Verklaar bij (2) waarom er geen participium staat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)

§ 04

De accusativus cum infinitivo (AcI)#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-latijn-vwo-domein-A1-constructies

Kernpunten

De accusativus cum infinitivo (AcI) is de Latijnse manier om een indirecte mededeling weer te geven: waar het Nederlands een dat-zin gebruikt, gebruikt het Latijn een accusativus (het onderwerp) plus een infinitivus (de persoonsvorm van de bijzin). „Dīcō puerum venīre” betekent letterlijk „ik zeg de jongen te komen”, dat wil zeggen „ik zeg dat de jongen komt”. De AcI staat na werkwoorden van zeggen, denken, weten, voelen en waarnemen (de verba dicendi en sentiendi: „dīcere”, „putāre”, „scīre”, „vidēre”, „audīre”, „spērāre”) en na uitdrukkingen als „cōnstat” (het staat vast) of „nōtum est” (het is bekend). Afb. 4 toont de bouw en de omzetting naar een dat-zin.

Afb. 4 — De bouw van de AcI

Accusativus cum infinitivoGraaf, dīcit — verbum dicendi → puerum — acc. (onderwerp AcI), puerum — acc. (onderwerp AcI) → venīre — infinitivus, venīre — infinitivus → → dat-zin: dat de jongen komtdīcit — verbumdicendipuerum — acc.(onderwerp AcI)venīre —infinitivus→ dat-zin: datde jongen komtAcI als objectacc. + ∞.vertaal met'dat'
Afb. 4„Dīcit puerum venīre” — Hij zegt dat de jongen komt. Een accusativus (onderwerp) + infinitivus, te vertalen met „dat”.
De sleutel tot een correcte AcI-vertaling is de tijdverhouding, die je afleest aan de tijd van de infinitivus — opnieuw relatief ten opzichte van het hoofdwerkwoord. Afb. 5 vat het samen: de infinitivus praesens (-re, „venīre”) is gelijktijdig („dat hij komt”), de infinitivus perfectum (-isse, „vēnisse”) is voortijdig („dat hij gekomen is”) en de infinitivus futurum (-ūrum esse, „ventūrum esse”) is natijdig („dat hij zal komen”). Zo staat er in „Dīcit sē vēnisse” een voortijdige infinitivus: „hij zegt dat hij gekomen is”. Deze drie infinitiefvormen zijn er ook in het passief, maar de tijdlogica blijft identiek.

Afb. 5 — De tijdverhouding in de AcI

Infinitieftijden in de AcITabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Infinitivus · Vorm (actief) · Tijdverhouding · Vertaling van de dat-zin; praesens · venīre · gelijktijdig · dat hij komt; perfectum · vēnisse · voortijdig · dat hij gekomen is; futurum · ventūrum esse · natijdig · dat hij zal komenINFINITIVUSVORM (ACTIEF)TIJDVERHOUDINGVERTALING VAN DE DAT-ZINpraesensvenīregelijktijdigdat hij komtperfectumvēnissevoortijdigdat hij gekomen isfuturumventūrum essenatijdigdat hij zal komen
Afb. 5De tijd van de infinitivus bepaalt de tijdverhouding van de dat-zin.
Een bijzonderheid is het gebruik van het wederkerige voornaamwoord in de AcI. Als het onderwerp van de infinitivus dezelfde is als het onderwerp van het hoofdwerkwoord, gebruikt het Latijn het reflexieve „sē”: „Caesar dīcit sē vēnisse” — „Caesar zegt dat híj (Caesar zelf) gekomen is”. Staat er daarentegen „eum” (een vorm van „is, ea, id”), dan gaat het om een ánder: „Caesar dīcit eum vēnisse” — „Caesar zegt dat hij (een ander) gekomen is”. Dit onderscheid tussen „sē” (terug naar de hoofdpersoon) en „eum/eam” (een derde) is een geliefd examenpunt, want het bepaalt wie wat doet.
Bij passieve verba dicendi in de derde persoon verandert de AcI vaak in een nominativus cum infinitivo (NcI): het onderwerp komt dan in de nominativus en de persoonsvorm is passief. „Dīcitur rēx vēnisse” wordt „Rēx dīcitur vēnisse” — „Van de koning wordt gezegd dat hij gekomen is” of „de koning schijnt gekomen te zijn”. Herken je een passief „dīcitur”, „putātur”, „vidētur” met een nominativus en een infinitivus, dan heb je met een NcI te maken. In alle gevallen geldt dezelfde vertaalgreep: zoek het hoofdwerkwoord van zeggen/denken, zoek de accusativus (of nominativus) plus infinitivus, bepaal de tijdverhouding, en zet het geheel om in een dat-zin.
Uitgewerkt voorbeeld

Een AcI vertalen met de juiste tijdverhouding

Herken en vertaal de AcI in „Nūntius dīxit hostēs urbem cēpisse.”

  1. 01Het verbum dicendi

    „dīxit” (hij zei) is een verbum dicendi en kondigt een AcI aan: er volgt een indirecte mededeling.

  2. 02Accusativus + infinitivus

    „hostēs” (accusativus meervoud) is het onderwerp van de AcI, „cēpisse” de infinitivus. „urbem” (accusativus enkelvoud) is het lijdend voorwerp binnen de AcI: de stad.

  3. 03De tijdverhouding

    „cēpisse” is infinitivus perfectum (voortijdig): het innemen ging vooraf aan het zeggen. Vertaal met een voltooide tijd: „dat … hadden ingenomen”.

Resultaat: AcI: „hostēs … cēpisse”, voortijdig. Vertaling: „De boodschapper zei dat de vijanden de stad hadden ingenomen.”

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een AcI herkennen na een verbum dicendi/sentiendi en met een dat-zin vertalen, met de juiste tijdverhouding (infinitivus praesens/perfectum/futurum).
  • Examendoel: het reflexieve „sē” (terug naar de hoofdpersoon) onderscheiden van „eum/eam” (een ander), en zo nodig een NcI herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • De tijdverhouding negeren en elke infinitivus met een tegenwoordige tijd vertalen: „dīcit sē vēnisse” is „hij zegt dat hij gekomen ís”, niet „dat hij komt”.
  • „sē” en „eum” verwisselen, waardoor de verkeerde persoon het onderwerp van de bijzin wordt.

Actieve herhaling

Herken de AcI, bepaal de tijdverhouding en vertaal: (1) „Puto tē errāre.” (2) „Nūntius dīxit hostēs urbem cēpisse.” (3) „Spērāmus amīcōs ventūrōs esse.” Leg bij een zin met „sē” uit naar wie het verwijst; herschrijf (2) desnoods met „sē” als de boodschapper over zichzelf zou spreken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De vier participia: vorm, tijd en genus◐
    • 02Het participium coniunctum●
    • 03De ablativus absolutus●
    • 04De accusativus cum infinitivo (AcI)●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Bijzinnen, participia en de accusativus cum infinitivo

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Latijnse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: constructies)

Vorig onderwerp

Syntaxis: naamvallen, congruentie en zinsdelen

Volgend onderwerp

Conjunctief, modaliteit en oratio obliqua

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.