EuraStudy
Samenvattingen/Handvaardigheid/Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving
Samenvattingen · HandvaardigheidNL · VWO

Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving

Na 1945 verruimt het kunstbegrip ongekend. Van het gebaar (abstract expressionisme) via het alledaagse (pop art) en de zuivere vorm (minimalisme) verschuift de kunst naar het idee (conceptuele kunst), het materiaal (arte povera), het lichaam (performance) en de plaats (land art, installatie). Tegelijk verschuift het denken van het modernisme (autonomie, originaliteit, vooruitgang) naar het postmodernisme (citaat, ironie, meerduidigheid). Materiaal, medium, ruimte, context en publiek worden alle onderdeel van het werk. Je leert deze stromingen en strategieën herkennen, de verschuiving modernisme–postmodernisme beredeneren en de verruiming van het kunstbegrip in ruimtelijk werk duiden. Het CvTE bepaalt per examenjaar welke contexten de examenstof vormen.

3 Onderdelen·~11 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 1

T·111111 / 14
Examenprofiel
Naoorlogse en hedendaagse kunst analyseren: abstract expressionisme, pop art, minimalisme, conceptuele kunst, arte povera, land art, performance, installatie, design.De verschuiving van modernisme naar postmodernisme beredeneren.De verruiming van het kunstbegrip (materiaal, medium, ruimte, context, publiek) herkennen.
Operatoren:herkenplaatsanalyseervergelijkleg uitverklaarberedeneer

basisniveau

Voor iedereen: de belangrijkste naoorlogse en hedendaagse stromingen aan hun kenmerken herkennen en aan de juiste tijd koppelen.

verhoogd niveau

Verdieping: de verschuiving modernisme–postmodernisme en de verruiming van het kunstbegrip scherp beargumenteren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving
    • 01Van gebaar tot object: abstract expressionisme, pop art en minimalisme◐
    • 02Concept, materiaal en plaats: conceptuele kunst, arte povera, performance en land art◐
    • 03Postmodernisme, installatie, design en het verruimde kunstbegrip●
§ 01

Van gebaar tot object: abstract expressionisme, pop art en minimalisme#

●●○StandaardLPexamenblad-handvaardigheid-kunstgeschiedenis-hedendaags

Kernpunten

Na de Tweede Wereldoorlog verschuift het zwaartepunt van de kunst naar de Verenigde Staten, te beginnen met het abstract expressionisme (circa 1945–1960). Afb. 1 zet de naoorlogse stromingen op de tijdlijn. Jackson Pollock liet druppelend en gietend verf op grote doeken op de grond neerkomen (action painting): niet het afgebeelde maar het gebaar, de energie en het spoor van de handeling zelf werden het onderwerp. Mark Rothko zocht juist met grote, zwevende kleurvlakken een meditatieve, bijna spirituele ervaring. De abstractie is nu volledig en groots.

Tijdlijn: hedendaagse kunst vanaf 1945

Tijdlijn van 1945 tot 2000, 5 gebeurtenissen, 4 periodenTijdlijn van 1945 tot 2000, 1950: action painting (Pollock), 1962: pop art (Warhol), 1965: minimalisme (Judd), 1967: arte povera / concept, 1970: Spiral Jetty (Smithson, land art), 1945–1960: abstract expressionisme, 1955–1970: pop art, 1965–1980: minimalisme / concept, 1980–2000: postmodernisme1945jaarabstractexpressionismepop artminimalisme /conceptpostmodernisme1950action painting(Pollock)1962pop art (Warhol)1965minimalisme(Judd)1967arte povera /concept1970Spiral Jetty(Smithson, land…
Afb. 1Afb. 1 — De naoorlogse en hedendaagse stromingen, deels overlappend, met enkele ijkpunten.
De pop art (circa 1955–1970) reageerde daarop door juist de alledaagse, populaire wereld binnen te halen: reclame, strips, consumptieartikelen en beroemdheden. Andy Warhol zeefdrukte soepblikken en filmsterren in serie; Roy Lichtenstein vergrootte stripplaatjes. Voor de ruimtelijke kunst is Claes Oldenburg belangrijk: hij maakte kolossale sculpturen van alledaagse voorwerpen (een reuzenwasknijper, een lepel) en 'zachte' sculpturen van slappe stof — het gewone voorwerp monumentaal en vervreemdend. De grens tussen hoge kunst en massacultuur vervaagt.
Het minimalisme (jaren zestig) reduceerde de kunst tot haar meest elementaire vorm. Donald Judd plaatste identieke, industrieel gefabriceerde dozen in een regelmatige reeks; Carl Andre legde metalen platen op de vloer. Er is geen voorstelling, geen persoonlijke toets, geen sokkel: het werk verwijst nergens naar, maar is enkel zichzelf — vorm, materiaal, ruimte en de relatie tot de toeschouwer die eromheen loopt. Judd sprak van 'specifieke objecten', geen schilderij en geen beeld in de klassieke zin. De industriële fabricage vervangt de hand van de kunstenaar.
Deze drie stromingen tonen een beweging van het gebaar (abstract expressionisme) via het alledaagse (pop art) naar het pure object (minimalisme). Voor de ruimtelijke kunst is de winst dat de sculptuur zich losmaakt van sokkel, voorstelling en handschrift en een zelfstandig object in de echte ruimte wordt, vaak industrieel gemaakt. Op het examen herken je het abstract expressionisme aan het gebaar en de grote abstractie, de pop art aan de alledaagse, populaire beelden, en het minimalisme aan de sobere, herhaalde, industriële vorm zonder voorstelling.
Uitgewerkt voorbeeld

Een minimalistisch werk duiden

Tegen een muur hangt een verticale reeks van tien identieke, industrieel gefabriceerde metalen dozen op gelijke afstand. Duid het werk.

  1. 01Vorm

    Identieke, eenvoudige geometrische dozen in een regelmatige, herhaalde reeks — uiterste reductie.

  2. 02Fabricage

    Industrieel gemaakt, zonder persoonlijke toets of sokkel: geen hand van de kunstenaar zichtbaar.

  3. 03Verwijzing

    Het werk beeldt niets af en verwijst nergens naar; het is enkel zichzelf — vorm, materiaal, ritme en de ruimte.

  4. 04Conclusie

    De sobere, herhaalde, industriële vorm zonder voorstelling wijst op het minimalisme (vgl. Judd, 'specifieke objecten').

Resultaat: De reductie, herhaling en industriële fabricage zonder voorstelling plaatsen het werk in het minimalisme — het object dat enkel zichzelf is.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: abstract expressionisme, pop art en minimalisme aan hun kenmerken (gebaar, alledaags/populair, sober industrieel object) herkennen.
  • Examendoel: uitleggen hoe de sculptuur zich losmaakt van sokkel, voorstelling en handschrift tot een zelfstandig object in de ruimte.

Veelgemaakte fouten

  • Minimalisme als 'leeg' of 'lui' afdoen; de reductie is een bewuste keuze om het werk enkel zichzelf, vorm, materiaal en ruimte te laten zijn.
  • Pop art als kritiekloze reclame zien; ze bevraagt juist de consumptiecultuur en de grens tussen hoge en lage kunst.

Actieve herhaling

Kies een abstract-expressionistisch, een pop-art- en een minimalistisch werk. Beredeneer per werk waar de nadruk ligt (gebaar, alledaags beeld, puur object) en hoe elk het idee van 'wat een beeld is' verschuift.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — naoorlogse kunst (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Concept, materiaal en plaats: conceptuele kunst, arte povera, performance en land art#

●●○StandaardLPexamenblad-handvaardigheid-kunstgeschiedenis-hedendaags

Kernpunten

Vanaf de jaren zestig verruimt de kunst zich voorbij het object naar het idee, het materiaal, het lichaam en de plaats. Afb. 2 toont hoe het kunstbegrip zich vanuit het object uitwaaiert. De conceptuele kunst stelt, in het spoor van Duchamp, dat het idee het eigenlijke kunstwerk is en de fysieke vorm bijzaak. Joseph Kosuths „One and Three Chairs” (1965) toont een echte stoel, een foto ervan en de woordenboekdefinitie naast elkaar en bevraagt zo wat een 'stoel' — en wat kunst — eigenlijk is. Het denken zelf wordt het medium.

De verruiming van het kunstbegrip

Graaf, 5 knopen, 4 kantenGraaf, het traditionele object → idee (conceptuele kunst), het traditionele object → materiaal (arte povera), het traditionele object → lichaam (performance), het traditionele object → plaats (land art / installatie)het traditioneleobjectidee(conceptuelekunst)materiaal (artepovera)lichaam(performance)plaats (land art/installatie)
Afb. 2Afb. 2 — Het kunstbegrip verruimt vanuit het object naar het idee (concept), het materiaal (arte povera), het lichaam (performance) en de plaats (land art, installatie).
De arte povera (Italië, vanaf 1967) verzette zich tegen de gladde consumptiemaatschappij door 'arme', alledaagse en natuurlijke materialen te gebruiken: aarde, hout, textiel, planten, vet, steen. De keuze van het nederige, vergankelijke materiaal wordt zelf betekenisdragend en verzet zich tegen de kostbare, duurzame traditie van marmer en brons. Materiaal is niet langer neutrale drager maar inhoud — een idee dat de hele hedendaagse ruimtelijke kunst doortrekt.
De performance maakte het lichaam en de handeling van de kunstenaar tot kunstwerk: geen blijvend object maar een gebeurtenis in de tijd, vaak in directe confrontatie met het publiek. Marina Abramović beproefde in haar performances de grenzen van lichaam, uithoudingsvermogen en de relatie met de toeschouwer. De land art (vanaf circa 1968) verplaatste de kunst naar het landschap: Robert Smithsons „Spiral Jetty” (1970), een reusachtige spiraal van basalt in een zoutmeer, is niet in een museum te tonen maar bestaat op zijn plek, onderhevig aan het weer en de tijd.
Deze stromingen verruimen het kunstbegrip fundamenteel: het kunstwerk hoeft geen tastbaar, blijvend, verhandelbaar object meer te zijn. Het kan een idee (concept), een handeling (performance), een plek (land art) of een vergankelijk materiaal (arte povera) zijn. Daarmee komen ook installatie — een hele, betreedbare ruimte als kunstwerk — en de rol van de context en de toeschouwer centraal te staan. Op het examen herken je deze strategieën aan de nadruk op respectievelijk het idee, het 'arme' materiaal, het lichaam of de plaats, en je beredeneert hoe elk het traditionele kunstobject verruimt of loslaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Land art duiden

Een kunstenaar bouwt in een afgelegen zoutmeer een reusachtige spiraal van opgestapeld basalt, alleen te overzien vanuit de lucht en langzaam veranderend door zout en water. Duid het werk.

  1. 01Plaats

    Het werk bestaat op zijn plek in het landschap, niet in een museum — de plaats is deel van het kunstwerk.

  2. 02Materiaal en tijd

    Gemaakt van de natuurlijke omgeving zelf (basalt, zout, water) en veranderlijk door de tijd — vergankelijk en niet-verhandelbaar.

  3. 03Ervaring

    Het is niet als object te bezitten of te verplaatsen; je moet ernaartoe of het van bovenaf zien.

  4. 04Conclusie

    De nadruk op plaats, natuurlijk materiaal en vergankelijkheid wijst op land art (vgl. Smithson, Spiral Jetty, 1970).

Resultaat: Door plaats, natuurlijk materiaal en tijd tot het werk te maken, verlaat de land art het museale, verhandelbare object — een verruiming van het kunstbegrip.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: conceptuele kunst, arte povera, performance en land art aan hun kenmerken (idee, arm materiaal, lichaam/handeling, plaats) herkennen.
  • Examendoel: beredeneren hoe deze strategieën het kunstwerk losmaken van het tastbare, blijvende object.

Veelgemaakte fouten

  • Aannemen dat een kunstwerk altijd een blijvend, tastbaar object is; concept, performance en land art laten dat juist los.
  • Het materiaal bij arte povera als bijzaak zien, terwijl de keuze van het 'arme' materiaal zelf de betekenis draagt.

Actieve herhaling

Kies een conceptueel werk, een arte-povera-werk, een performance en een land-art-werk. Beredeneer per werk welk aspect (idee, materiaal, lichaam, plaats) het kunstwerk wordt en hoe dat het traditionele object verruimt (Afb. 2).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — conceptuele kunst, arte povera, performance en land art (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Postmodernisme, installatie, design en het verruimde kunstbegrip#

●●●VerdiepingLPexamenblad-handvaardigheid-kunstgeschiedenis-hedendaags

Kernpunten

Vanaf de jaren zeventig verschuift het denken van het modernisme naar het postmodernisme. Afb. 3 zet de tegenstelling op een rij. Het modernisme geloofde in vooruitgang, originaliteit, autonomie (kunst om zichzelf) en de zuivere vorm — één grote lijn naar steeds meer abstractie en zuiverheid. Het postmodernisme verwerpt dat ene grote verhaal: het omarmt de veelheid, het citaat, de ironie, de meerduidigheid en de vermenging van hoge en lage cultuur, van stijlen en van tijden. Originaliteit maakt plaats voor het bewust hergebruiken en bewerken van bestaande beelden.

Modernisme tegenover postmodernisme

Tabel met 3 kolommen en 5 rijen, gemarkeerde cel: citaat, hergebruik, ironieTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: kenmerk · modernisme · postmodernisme; houding · één grote lijn, vooruitgang · veelheid, geen groot verhaal; originaliteit · het nieuwe, oorspronkelijke · citaat, hergebruik, ironie; stijl · zuiverheid, één stijl · menging van stijlen en tijden; vorm en functie · form follows function · vorm mag spelen, versieren, betekenen; publiek / ruimte · object op afstand bekeken · installatie, ervaring, toeschouwer erin, gemarkeerde cel: citaat, hergebruik, ironieKENMERKMODERNISMEPOSTMODERNISMEhoudingéén grote lijn, vooruitgangveelheid, geen groot verhaaloriginaliteithet nieuwe, oorspronkelijkecitaat, hergebruik, ironiestijlzuiverheid, één stijlmenging van stijlen entijdenvorm en functieform follows functionvorm mag spelen, versieren,betekenenpubliek / ruimteobject op afstand bekekeninstallatie, ervaring,toeschouwer erin
Afb. 3Afb. 3 — Kerncontrasten tussen modernisme en postmodernisme, die de verschuiving in de hedendaagse kunst en vormgeving samenvatten.
In de ruimtelijke kunst uit het postmodernisme zich onder meer in de installatie: een hele, betreedbare ruimte die de toeschouwer omhult en waarin objecten, beeld, geluid en licht samen een ervaring vormen. Het kunstwerk is niet langer een object dat je op afstand bekijkt, maar een omgeving die je binnengaat en waarvan je deel wordt. Ook de nieuwe media — video, film, fotografie, en later digitale en interactieve kunst — worden volwaardige kunstmiddelen. De toeschouwer en de context worden actieve onderdelen van het werk.
Ook de vormgeving verandert. Tegenover het strakke Bauhaus-functionalisme kwam het postmoderne design (bijvoorbeeld de Italiaanse Memphis-groep in de jaren tachtig) met speelse, ironische, kleurrijke ontwerpen die 'form follows function' bewust doorbraken met versiering, citaat en humor. Design werd expressief en betekenisdragend in plaats van louter functioneel. Zo laat ook de vormgeving de moderne zoektocht naar zuiverheid en functie los ten gunste van meerduidigheid, plezier en betekenis.
Al deze ontwikkelingen samen tonen een sterk verruimd kunstbegrip: materiaal, medium, ruimte, context, publiek en zelfs het idee kunnen het kunstwerk zijn, en er is niet één juiste stijl of richting meer. Voor de kunstbeschouwing betekent dit dat je een hedendaags werk niet met één vaste maatstaf beoordeelt, maar telkens vraagt: wat wil dit werk zijn, met welke middelen, en in welke context? Op het examen herken je het postmodernisme aan het citaat, de ironie, de meerduidigheid en de menging van stijlen, en beredeneer je hoe installatie, nieuwe media en design het kunstbegrip verder verruimen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een installatie duiden

Een kunstwerk is een verduisterde zaal die je binnenloopt, gevuld met spiegels, licht en geluid, zodat je zelf tussen de weerkaatsingen staat. Duid het werk als hedendaags.

  1. 01Vorm

    Geen object op een sokkel maar een betreedbare, omhullende ruimte — een installatie.

  2. 02Rol toeschouwer

    Je bekijkt het werk niet van buitenaf; je gaat erin en wordt er deel van; jouw aanwezigheid voltooit het.

  3. 03Middelen

    Spiegels, licht en geluid (nieuwe media) samen vormen de ervaring, niet één beeld of vorm.

  4. 04Betekenis

    Het werk verruimt het kunstbegrip: ruimte, context en publiek zijn onderdeel — kenmerkend voor de hedendaagse, postmoderne kunst.

Resultaat: De betreedbare, omhullende ruimte met nieuwe media en een actieve toeschouwer plaatst het werk in de hedendaagse kunst en toont het sterk verruimde kunstbegrip.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de verschuiving modernisme–postmodernisme (autonomie/originaliteit tegenover citaat/ironie/meerduidigheid) benoemen en op werken toepassen.
  • Examendoel: beredeneren hoe installatie, nieuwe media en postmodern design het kunstbegrip verruimen.

Veelgemaakte fouten

  • Postmodern citaat en hergebruik voor 'gebrek aan originaliteit' aanzien; het bewuste citeren en mengen is juist de strategie.
  • Hedendaagse kunst met één vaste maatstaf (bijvoorbeeld 'lijkt het echt?') beoordelen in plaats van te vragen wat het werk wil zijn.

Actieve herhaling

Kies een modernistisch en een postmodern werk (of ontwerp). Vul voor beide de rijen van Afb. 3 in (houding tot originaliteit, stijl, vorm-functie, publiek) en beredeneer twee verschillen op de as modernisme–postmodernisme.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — postmodernisme en het verruimde kunstbegrip (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Van gebaar tot object: abstract expressionisme, pop art en minimalisme◐
    • 02Concept, materiaal en plaats: conceptuele kunst, arte povera, performance en land art◐
    • 03Postmodernisme, installatie, design en het verruimde kunstbegrip●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~11
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma beeldende vakken vwo — naoorlogse kunst

Vorig onderwerp

Kunstgeschiedenis: moderne kunst en avant-garde (twintigste eeuw)

Volgend onderwerp

Praktijk (schoolexamen): ruimtelijk werk met materialen (klei, gips, hout, metaal)

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.